Cacioppo H1
1.1
Psychologie: de wetenschap van gedrag, mentale processen, en hersenfuncties; het
bestuderen van onze geest.
Mind: het brein en zijn activiteiten, waaronder gedachtes, emoties en gedrag.
Meten: verschillen in gedrag kunnen gemeten worden. Belangrijk is dan het mentale
proces; het onderliggende mechanisme
Introspectie: het onderzoeken of observeren van de eigen mentale en emotionele
processen > zelfreflectie
Nature: biologische factoren, genetische bepaaldheid
Nurture: omgevingsfactoren, leren van omgevingsinvloeden
Hermann von Helmholtz: reactietijden onderzocht en hoe snel zenuwsignalen gaan
(reageren op geluid). Kwam erachter dat het brein iets fysiologisch is (natuurlijke functies,
levensverrichtingen van organismen) → signalen niet onmiddellijk door het lichaam en de
hersenen verwerkt, maar meetbare tijd tussen het ontvangen van een prikkel en het
uitvoeren van een reactie.
Gustav Fechner: waarnemingsdrempels onderzocht. Het belang van mentale processen
werd aangetoond. Relatie tussen fysieke stimuli en de daaropvolgende percepties of
sensaties in de geest. Zijn werk vormde een belangrijke brug tussen fysiologie en
psychologie.
Structuralisme: Elke mentale handeling is in kleine stukjes/stapjes opgebouwd van
verschillende gewaarwordingen. De omgeving (gestalte) is hierbij belangrijk, want dat zorgt
voor de interpretatie van de waarneming. = we zien onderdelen
Gestalt psychology: Een aanpak waarbij ervaring anders was dan de soms van de
elementen. We zien patronen en structuren in wat we waarnemen, en niet alleen
afzonderlijke onderdelen. = we zien het geheel. je moet kijken naar de gehele perceptie
om er een juiste conclusie over te doen → het opbreken van een hele perceptie in
bouwstenen (zoals in structuralisme) resulteert in het verlies van belangrijke psychologische
informatie
Functionalisme: Een aanpak die gedrag als doelgericht en nuttig zag en bijdraagt aan
overleven.(heeft bijgedragen aan overleven bij onze voorouders)
Stream of consciousness: de stroom van ideeën te beschrijven die mensen ervaren terwijl
ze wakker zijn.
Medische model van psychische stoornis: benadrukt de fysische oorzaken van
abnormaal gedrag en medische behandelingen zoals medicatie
Psychologische model: abnormaal gedrag kan voortkomen uit ervaringen, die leiden tot
angst en andere demotiverende emotionele reacties.
Leren: het proces waardoor nieuwe kennis en vaardigheden in de hersenen wordt
opgeslagen.
Geheugen: het vermogen van een mens of dier om informatie te onthouden. Het omvat drie
belangrijke aspecten, namelijk de opslag, het vasthouden of bewaren en het terugzoeken
van informatie.
Sigmund Freud: onderzoek naar bestaan van onbewust verstand, ontwikkeling van
seksualiteit, droom analyse, abnormaal gedrag en psychotherapie.
,Humanistische psychologie: mensen worden gezien als inherent goed en zijn gemotiveerd
te leren en verbeteren. Cliënt-gecentreerde therapie: cliënt i.p.v. patiënt. Client heeft aan
actieve rol in het therapeutische proces
Behaviorisme: focust op het bestuderen en nauwkeurig meten van gedrag
(onderzoeksdomein) -> zorgvuldige meting van observeerbaar gedrag
Edward Thorndike ‘law of effect’: gedrag dat gevolgd wordt door iets positiefs komt eerder
vaker voor in de toekomst dan gedrag dat gevolgd wordt door iets negatiefs
Skinner: privé-ervaring (denken en voelen) bestaan, maar volgen zelfde regels als
openbaar gedrag gevolgd heeft —> beloon goed gedrag, negeer slecht gedrag—>
generaliseerde het gedrag van ratten en pinguïns naar het complexe menselijke gedrag.
Gedrag kan dus versterkt of verzwakt worden door het gevolg ervan.
Reinforcement: stimulus/uitkomst/gebeurtenis die kans vergroot dat bepaald gedrag in
toekomst herhaald zal worden. (positief of negatief)
Klassiek conditioneren: het leerproces waarbij een stimulus gerelateerd wordt aan een
daaropvolgende stimulus. Hierdoor leidt de eerste (geconditioneerde) stimulus tot de
(geconditioneerde) respons, in plaats van dat de tweede (ongeconditioneerde) stimulus
leidt tot een respons (ongeconditioneerd). Belangrijkste is dat gedrag niet wordt bepaald
door gevolg. Ongeconditioneerde stimulus is er altijd. bijv de deur opendoen alleen is
voldoende voor respons.
Operant of instrumenteel conditioneren: gedrag dat leidt tot een prettige of nuttige
uitkomst zal in de toekomst vaker voorkomen. En omgekeerd bij gedrag met een onprettige
of schadelijke uitkomst.
5 Psychologische Perspectieven
Biologische psychologie: probeert gedrag te verklaren vanuit de werking van de hersenen
en andere biologische processen, zoals genetica, biochemie, anatomie en fysiologie.
Cognitieve psychologie: perspectief waarbij vooral gekeken wordt naar informatie
verwerken, gedachten, redeneren en problemen oplossen.
Ontwikkelingspsychologie: focust op de (normale) verandering van gedrag gedurende de
span van het leven; overleving en voortplanting
Sociale psychologie: beschrijft de effecten van sociale omgevingen op het gedrag van
individuen; interactie met andere mensen
Klinische psychologie: perspectief waarbij gekeken wordt naar het begrijpen, definiëren en
behandelen van psychologische afwijkingen, problemen en abnormaal gedrag
Kalat H1 Cellular foundations of Behavior (35-68)
Mind-brain problem: hoe zijn cognitie/de geest verbonden aan de hersenactiviteit?
Fysiologische verklaring van gedrag: Relateert bepaald gedrag aan hersenactiviteit en
andere organen. Heeft te maken met de werking van het lichaam (bijvoorbeeld met
hormonen, hersenen en andere functies)
,Ontogenetische verklaring van gedrag: Beschrijft hoe gedrag zich ontwikkelt van baby tot
volwassene, inclusief de invloeden van genen, voeding, ervaringen en hun interacties.
Evolutionaire verklaring: Kijkt naar oorsprong van gedrag door de evolutie heen. De
karakteristieke kenmerken van een dier zijn bijna altijd modificaties van iets dat gevonden is
bij voorouderlijke soorten.
Functionele verklaring: Beschrijft waarom een structuur of gedrag is geëvolueerd zoals het
heeft gedaan. (genetische drift = genen die puur door toeval verspreiden waardoor ook
bepaalde eigenschappen veranderen, DUS NIET DOOR NUT)
1.2 Neurons and other cells (ook in schrift)
Het zenuwstelsel bestaat uit twee soorten cellen:
- neuronen: informatie ontvangen en doorgeven
- glia: verzenden niet direct informatie maar ondersteunen, leveren voedingsstoffen,
vormen o.a. myelineschede etc. verzorgen neuronen
Cajal ontdekte dat neuronen door synapsen (kleine spleten) gescheiden zijn.
Hoe ziet neuron eruit:
- membranen
- nucleus / celkern: bevat chromosomen
- ribosomen: synthetiseren eiwitten (lezen codes van mRNA)
- mitochondriën: produceren energie voor cellen en hun activiteiten. van mama geerft
Structuur neuronen:
- soma = cellichaam: bevat kern, ribosomen en mitochondriën
- dendrieten = vertakkende vezels
- axon = geleidt impuls naar neuronen, orgaan of spier (dikke tak) ELK NEURON ÉÉN
AXON (wel meerdere dendrieten)
- presynaptische uiteinden = (zwelling aan einde tak) chemische stoffen worden
vrijgegeven en gaan naar andere cel
Motorneuronen ontvangen prikkels via hun dendrieten en geleiden impulsen langs hun
axon naar een spier.
Sensorische neuronen zijn gevoelig voor bepaalde stimulaties, zoals aanraking, en voeren
informatie van de huid naar het ruggenmerg.
Proces signalen overgeven:
1. Dendrieten ontvangen het signaal.
2. Het signaal wordt verwerkt in het neuron.
3. Als het sterk genoeg is, stuurt het axon het signaal door naar een ander neuron.
4. Het volgende neuron ontvangt het signaal weer via zijn dendrieten.
Synaptische receptoren: hiermee ontvangen dendrieten informatie van andere neuronen.
Myelineschede = isolerende laag om axon: versnelt geleiding van elektrische impulsen
→ Heeft kleine onderbrekingen: knopen van Ranvier: impulsen springen van knoop naar
knoop, makkelijker dan 1 hele grote afstand. (alleen gewervelde dieren)
, Afferent: een axon dat informatie naar/in CZS brengt.
Efferent: een axon dat informatie van CZS wegvoert naar spieren/klieren in lichaam.
Interneuron: als de dendrieten en axon volledig binnen een enkele structuur zijn, wordt het
neuron een interneuron of intrinsiek neuron van die structuur.
Vorm / grootte van neuron bepaalt verbindingen met andere cellen en zijn functie.
Soort van gliacel:
- Astrocyten: wikkelen rond dendrieten die verbonden zijn met functioneel
gerelateerde axonen.
- beschermt neuronen voor chemicaliën
- nemen ionen en neurotransmitters op en geven terug aan axon
- belangrijk voor genereren van ritmes
- verwijderen bloedvaten → meer voedingsstoffen naar actieve hersengebieden
- Oligodendrocyten: in CZS;
- vormen myelineschede
- voeden + beschermen axon
- reageren op neurale activiteit → passen myelineschede aan → timing reacties van
axonen verandert → speelt rol bij leren en geheugen.
- Schwann-cellen: in PZS;
- myeliniseren 1 axon
- regenereren beschadigde zenuwcellen
- Radiale glia: begeleiden de migratie van neuronen, hun axonen en dendrieten
tijdens embryonale ontwikkeling.
Bloed-hersenbarrière: houdt chemicaliën uit de hersenen (die uit stromen van bloed
kunnen komen)
Normaal wordt een virus (en die cel) gedood door immuuncellen. MAAR: hersenen kunnen
beschadigde neuronen niet vervangen. Wat nou wanneer: virus door barrière????:
→ Microglia vallen virussen aan en zetten ontstekingsreactie op die virus bestrijdt zonder
neuron te doden!
Barrière niet overschreden maar wel dichtbij?
→ hersenschade door vernauwen van haarvaten; bloedstroom neemt af
→ grote toename immuunrespons, ze kunnen hersenen zelf per ongeluk aanvallen
Hoe werkt bloed-hersenbarrière?
Endotheliale cellen vormen wanden van haarvaten en blokkeren vrijwel alles. Om nuttige
chemicaliën te passeren zijn er speciale mechanismen nodig:
- Membraan bestaat uit vetten → chemicaliën die in dat vet oplossen kunnen vrij door
celwand passeren.
- Eiwitgemedieerd proces pompt belangrijke voedingsstoffen vanuit bloed naar
hersenen (eiwitten zijn soort verkeersagenten; sturen juiste stoffen naar hersenen)
Alzheimer: benodigde chemicaliën dringen langzamer hersenen binnen en sommige
schadelijke juist meer.
Voeding hersencellen = glucose = zuurstof voor nodig
- Glucose-tekort alleen een probleem bij uithongering
1.1
Psychologie: de wetenschap van gedrag, mentale processen, en hersenfuncties; het
bestuderen van onze geest.
Mind: het brein en zijn activiteiten, waaronder gedachtes, emoties en gedrag.
Meten: verschillen in gedrag kunnen gemeten worden. Belangrijk is dan het mentale
proces; het onderliggende mechanisme
Introspectie: het onderzoeken of observeren van de eigen mentale en emotionele
processen > zelfreflectie
Nature: biologische factoren, genetische bepaaldheid
Nurture: omgevingsfactoren, leren van omgevingsinvloeden
Hermann von Helmholtz: reactietijden onderzocht en hoe snel zenuwsignalen gaan
(reageren op geluid). Kwam erachter dat het brein iets fysiologisch is (natuurlijke functies,
levensverrichtingen van organismen) → signalen niet onmiddellijk door het lichaam en de
hersenen verwerkt, maar meetbare tijd tussen het ontvangen van een prikkel en het
uitvoeren van een reactie.
Gustav Fechner: waarnemingsdrempels onderzocht. Het belang van mentale processen
werd aangetoond. Relatie tussen fysieke stimuli en de daaropvolgende percepties of
sensaties in de geest. Zijn werk vormde een belangrijke brug tussen fysiologie en
psychologie.
Structuralisme: Elke mentale handeling is in kleine stukjes/stapjes opgebouwd van
verschillende gewaarwordingen. De omgeving (gestalte) is hierbij belangrijk, want dat zorgt
voor de interpretatie van de waarneming. = we zien onderdelen
Gestalt psychology: Een aanpak waarbij ervaring anders was dan de soms van de
elementen. We zien patronen en structuren in wat we waarnemen, en niet alleen
afzonderlijke onderdelen. = we zien het geheel. je moet kijken naar de gehele perceptie
om er een juiste conclusie over te doen → het opbreken van een hele perceptie in
bouwstenen (zoals in structuralisme) resulteert in het verlies van belangrijke psychologische
informatie
Functionalisme: Een aanpak die gedrag als doelgericht en nuttig zag en bijdraagt aan
overleven.(heeft bijgedragen aan overleven bij onze voorouders)
Stream of consciousness: de stroom van ideeën te beschrijven die mensen ervaren terwijl
ze wakker zijn.
Medische model van psychische stoornis: benadrukt de fysische oorzaken van
abnormaal gedrag en medische behandelingen zoals medicatie
Psychologische model: abnormaal gedrag kan voortkomen uit ervaringen, die leiden tot
angst en andere demotiverende emotionele reacties.
Leren: het proces waardoor nieuwe kennis en vaardigheden in de hersenen wordt
opgeslagen.
Geheugen: het vermogen van een mens of dier om informatie te onthouden. Het omvat drie
belangrijke aspecten, namelijk de opslag, het vasthouden of bewaren en het terugzoeken
van informatie.
Sigmund Freud: onderzoek naar bestaan van onbewust verstand, ontwikkeling van
seksualiteit, droom analyse, abnormaal gedrag en psychotherapie.
,Humanistische psychologie: mensen worden gezien als inherent goed en zijn gemotiveerd
te leren en verbeteren. Cliënt-gecentreerde therapie: cliënt i.p.v. patiënt. Client heeft aan
actieve rol in het therapeutische proces
Behaviorisme: focust op het bestuderen en nauwkeurig meten van gedrag
(onderzoeksdomein) -> zorgvuldige meting van observeerbaar gedrag
Edward Thorndike ‘law of effect’: gedrag dat gevolgd wordt door iets positiefs komt eerder
vaker voor in de toekomst dan gedrag dat gevolgd wordt door iets negatiefs
Skinner: privé-ervaring (denken en voelen) bestaan, maar volgen zelfde regels als
openbaar gedrag gevolgd heeft —> beloon goed gedrag, negeer slecht gedrag—>
generaliseerde het gedrag van ratten en pinguïns naar het complexe menselijke gedrag.
Gedrag kan dus versterkt of verzwakt worden door het gevolg ervan.
Reinforcement: stimulus/uitkomst/gebeurtenis die kans vergroot dat bepaald gedrag in
toekomst herhaald zal worden. (positief of negatief)
Klassiek conditioneren: het leerproces waarbij een stimulus gerelateerd wordt aan een
daaropvolgende stimulus. Hierdoor leidt de eerste (geconditioneerde) stimulus tot de
(geconditioneerde) respons, in plaats van dat de tweede (ongeconditioneerde) stimulus
leidt tot een respons (ongeconditioneerd). Belangrijkste is dat gedrag niet wordt bepaald
door gevolg. Ongeconditioneerde stimulus is er altijd. bijv de deur opendoen alleen is
voldoende voor respons.
Operant of instrumenteel conditioneren: gedrag dat leidt tot een prettige of nuttige
uitkomst zal in de toekomst vaker voorkomen. En omgekeerd bij gedrag met een onprettige
of schadelijke uitkomst.
5 Psychologische Perspectieven
Biologische psychologie: probeert gedrag te verklaren vanuit de werking van de hersenen
en andere biologische processen, zoals genetica, biochemie, anatomie en fysiologie.
Cognitieve psychologie: perspectief waarbij vooral gekeken wordt naar informatie
verwerken, gedachten, redeneren en problemen oplossen.
Ontwikkelingspsychologie: focust op de (normale) verandering van gedrag gedurende de
span van het leven; overleving en voortplanting
Sociale psychologie: beschrijft de effecten van sociale omgevingen op het gedrag van
individuen; interactie met andere mensen
Klinische psychologie: perspectief waarbij gekeken wordt naar het begrijpen, definiëren en
behandelen van psychologische afwijkingen, problemen en abnormaal gedrag
Kalat H1 Cellular foundations of Behavior (35-68)
Mind-brain problem: hoe zijn cognitie/de geest verbonden aan de hersenactiviteit?
Fysiologische verklaring van gedrag: Relateert bepaald gedrag aan hersenactiviteit en
andere organen. Heeft te maken met de werking van het lichaam (bijvoorbeeld met
hormonen, hersenen en andere functies)
,Ontogenetische verklaring van gedrag: Beschrijft hoe gedrag zich ontwikkelt van baby tot
volwassene, inclusief de invloeden van genen, voeding, ervaringen en hun interacties.
Evolutionaire verklaring: Kijkt naar oorsprong van gedrag door de evolutie heen. De
karakteristieke kenmerken van een dier zijn bijna altijd modificaties van iets dat gevonden is
bij voorouderlijke soorten.
Functionele verklaring: Beschrijft waarom een structuur of gedrag is geëvolueerd zoals het
heeft gedaan. (genetische drift = genen die puur door toeval verspreiden waardoor ook
bepaalde eigenschappen veranderen, DUS NIET DOOR NUT)
1.2 Neurons and other cells (ook in schrift)
Het zenuwstelsel bestaat uit twee soorten cellen:
- neuronen: informatie ontvangen en doorgeven
- glia: verzenden niet direct informatie maar ondersteunen, leveren voedingsstoffen,
vormen o.a. myelineschede etc. verzorgen neuronen
Cajal ontdekte dat neuronen door synapsen (kleine spleten) gescheiden zijn.
Hoe ziet neuron eruit:
- membranen
- nucleus / celkern: bevat chromosomen
- ribosomen: synthetiseren eiwitten (lezen codes van mRNA)
- mitochondriën: produceren energie voor cellen en hun activiteiten. van mama geerft
Structuur neuronen:
- soma = cellichaam: bevat kern, ribosomen en mitochondriën
- dendrieten = vertakkende vezels
- axon = geleidt impuls naar neuronen, orgaan of spier (dikke tak) ELK NEURON ÉÉN
AXON (wel meerdere dendrieten)
- presynaptische uiteinden = (zwelling aan einde tak) chemische stoffen worden
vrijgegeven en gaan naar andere cel
Motorneuronen ontvangen prikkels via hun dendrieten en geleiden impulsen langs hun
axon naar een spier.
Sensorische neuronen zijn gevoelig voor bepaalde stimulaties, zoals aanraking, en voeren
informatie van de huid naar het ruggenmerg.
Proces signalen overgeven:
1. Dendrieten ontvangen het signaal.
2. Het signaal wordt verwerkt in het neuron.
3. Als het sterk genoeg is, stuurt het axon het signaal door naar een ander neuron.
4. Het volgende neuron ontvangt het signaal weer via zijn dendrieten.
Synaptische receptoren: hiermee ontvangen dendrieten informatie van andere neuronen.
Myelineschede = isolerende laag om axon: versnelt geleiding van elektrische impulsen
→ Heeft kleine onderbrekingen: knopen van Ranvier: impulsen springen van knoop naar
knoop, makkelijker dan 1 hele grote afstand. (alleen gewervelde dieren)
, Afferent: een axon dat informatie naar/in CZS brengt.
Efferent: een axon dat informatie van CZS wegvoert naar spieren/klieren in lichaam.
Interneuron: als de dendrieten en axon volledig binnen een enkele structuur zijn, wordt het
neuron een interneuron of intrinsiek neuron van die structuur.
Vorm / grootte van neuron bepaalt verbindingen met andere cellen en zijn functie.
Soort van gliacel:
- Astrocyten: wikkelen rond dendrieten die verbonden zijn met functioneel
gerelateerde axonen.
- beschermt neuronen voor chemicaliën
- nemen ionen en neurotransmitters op en geven terug aan axon
- belangrijk voor genereren van ritmes
- verwijderen bloedvaten → meer voedingsstoffen naar actieve hersengebieden
- Oligodendrocyten: in CZS;
- vormen myelineschede
- voeden + beschermen axon
- reageren op neurale activiteit → passen myelineschede aan → timing reacties van
axonen verandert → speelt rol bij leren en geheugen.
- Schwann-cellen: in PZS;
- myeliniseren 1 axon
- regenereren beschadigde zenuwcellen
- Radiale glia: begeleiden de migratie van neuronen, hun axonen en dendrieten
tijdens embryonale ontwikkeling.
Bloed-hersenbarrière: houdt chemicaliën uit de hersenen (die uit stromen van bloed
kunnen komen)
Normaal wordt een virus (en die cel) gedood door immuuncellen. MAAR: hersenen kunnen
beschadigde neuronen niet vervangen. Wat nou wanneer: virus door barrière????:
→ Microglia vallen virussen aan en zetten ontstekingsreactie op die virus bestrijdt zonder
neuron te doden!
Barrière niet overschreden maar wel dichtbij?
→ hersenschade door vernauwen van haarvaten; bloedstroom neemt af
→ grote toename immuunrespons, ze kunnen hersenen zelf per ongeluk aanvallen
Hoe werkt bloed-hersenbarrière?
Endotheliale cellen vormen wanden van haarvaten en blokkeren vrijwel alles. Om nuttige
chemicaliën te passeren zijn er speciale mechanismen nodig:
- Membraan bestaat uit vetten → chemicaliën die in dat vet oplossen kunnen vrij door
celwand passeren.
- Eiwitgemedieerd proces pompt belangrijke voedingsstoffen vanuit bloed naar
hersenen (eiwitten zijn soort verkeersagenten; sturen juiste stoffen naar hersenen)
Alzheimer: benodigde chemicaliën dringen langzamer hersenen binnen en sommige
schadelijke juist meer.
Voeding hersencellen = glucose = zuurstof voor nodig
- Glucose-tekort alleen een probleem bij uithongering