Psychologie
Periode 4
, 1. Onderscheid tussen stoornis, beperking en handicap
Stoornissen, beperkingen en handicaps
o Het gaat om gedrag dat de omgeving niet verwacht.
o Er bestaan verwachtingspatronen.
o Gewoonteregels of conventies geheel van geschreven en ongeschreven regels.
o “Wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.”
o Scripts serie van verzameling achtereenvolgend.
Stoornis (impairment) = gedrag.
o Een verlies of abnormaliteit van psychologische, fysiologische of anatomische aard of
functie.
sociale stoornissen (sociale relaties).
somatische stoornis (fysiologisch) in het lichaam bijv. buikpijn of
hoofdpijn.
anatomische (lichaams (onderdelen) delen niet voldoen aan script of
verwachtingspatroon, missen van been.
psychologisch (wat is de functie?)
geheugen (amnesie)
aandacht (adhd)
emotie (angst)
cognities (hallucinatie)
o Dus: Een stoornis is een defect of het ontbreken van een orgaanfunctie of orgaan. Als
je van een stoornis spreekt, kan dit zijn op het gebied van:
Cognitie;
Zintuigen;
Taal;
Organen;
Ledematen.
o Een stoornis is de afwezigheid of een afwijking van een lichamelijke of psychische
functie of structuur.
o Een stoornis is altijd objectief: het kan vastgesteld worden door een arts of
psycholoog.
Een verlies of abnormaliteit van psychologische, fysiologische of anatomische aard of functie.
Normaal (wat het meest voorkomt in de samenleving)
o stoornis
o beperking
o handicap
Beperking: je kan niet voldoen aan de eisen die de samenleving stelt (psychologische,
somatische of lichamelijke beperking).
o Een belemmering of gebrek (als gevolg van een stoornis) van de vaardigheid een
activiteit uit te oefenen op een wijze die valt onder wat als normaal wordt verstaan
(volgens de verwachtingen).
Stoornis: slechthorend
Beperking: je kan de leraar niet horen.