Hoofdstuk 1: Wat is natuur en techniek? .......................................................................... 2
Hoofdstuk 2: biologische eenheid ..................................................................................... 4
Hoofdstuk 3: instandhouding ............................................................................................10
Hoofdstuk 4: gedrag en interactie ...................................................................................18
Hoofdstuk 5: voortplanting ................................................................................................21
Hoofdstuk 6: groei en ontwikkeling ...................................................................................26
Hoofdstuk 7: Natuurkundige verschijnselen .....................................................................28
Hoofdstuk 8: technisch inzicht ...........................................................................................31
Hoofdstuk 9: weersverwachting .......................................................................................36
Hoofdstuk 10 Hemellichamen ...........................................................................................38
1
,Hoofdstuk 1: Wat is natuur en techniek?
Natuur en techniek is een combinatie van:
1. Biologie
2. Scheikunde
3. Techniek
4. Natuurkunde
2 manieren van leren:
1. Onderzoekend leren
2. Ontwerpend leren
De tien kernconcepten voor biologie, natuurkunde en techniek:
- Biologie:
1. Biologische eenheid
2. Instandhouding
3. Gedrag en interactie
4. Voortplanting
5. Groei en ontwikkeling
- Natuurkunde en techniek:
6. Materie en techniek
7. Energie en techniek
8. Licht, geluid en techniek
9. Kracht, beweging en techniek
10. Ruimte
Kerndoelen natuur en techniek:
41. De leerling leren in de eigen omgeving veelvoorkomende planten en dieren
te onderscheiden en benoemen en leren hoe ze functioneren in hun
leefomgeving
Bij mij in de stageklas leren ze dat niet alle bladeren dezelfde kleur hebben en
hoe dit kan
42. De leerlingen leren onderzoeken doen aan materialen en natuurkundige
verschijnselen, zoals licht, geluid, elektriciteit, kracht, magnetisme en
temperatuur
Ze leren hoe ze dieren, mensen en planten moeten tekenen
43. De leerlingen hoe je weer en klimaat kunt beschrijven met behulp van
temperatuur, neerslag en wind
ze bedenken/ bespreken altijd of het weer is om naar buiten te gaan en of ze
hiervoor hun jas open mogen houden of juist de sjaal aan moeten doen.
44. De leerlingen leren bij producten hun eigen omgeving relaties te leggen
tussen de werking, de vorm en het materiaalgebruik
Dit passen ze toe bij knutselen. Bijvoorbeeld met een stoomboot knutselen en
wol gebruiken als rook uit de schoorsteen.
45. De leerlingen leren oplossingen voor technische problemen te ontwerpen,
deze uit te voeren en te evalueren
De spelletjes kast opruimen en goed inrichten zodat alles er in past. Of met
vierkante blokken een rond gebouw maken.
46. De leerlingen leren dat de positie van de aarde ten opzichte van de zon
seizoenen en de dag en nacht veroorzaakt
Tijdens de kringbespreking bespreken wij dit wel een beetje
Kerndoel mens en samenleving:
2
, 39. De leerlingen leren met zorg om te gaan met het milieu
Afval scheiden of groene voetsappen project
De aandachtsgebieden binnen het vak natuur en techniek:
Levende natuur:
- Planten
- Dieren
- Eigen lichaam
Niet- levende natuur:
- Weer en seizoenen
- Omgeving/ milieu
- Materie en energie
- Fysische verschijnselen
Techniek:
- Transport
- Constructie
- Communicatie
- Productie
3
,Hoofdstuk 2: biologische eenheid
Wat is een cel?
Alle organismen zijn opgebouwd uit cellen. Organismen zoals bacteriën en
eencellige bestaan uit maar één cel. Grotere organismen zoals wij mensen bestaan
uit vele miljarden cellen. Een cel is zo klein dat je het met het blote oog niet kunt zien.
Wat kan een cel?
- Groeien
- Delen
- Afval scheiden
- Veel cellen kunnen bewegen
Voor al deze acties hebben cellen speciale structuren. Deze noemen we organellen.
Organel betekent letterlijk “kleine orgaan”
Plantencellen, dierlijke cellen en bacteriën zijn heel verschillend in organellen. Zo
heeft een bacterie alleen maar een celmembraan en een celwand, en hebben
planten en dieren zeer veel verschillende organellen.
Celmembraan: Een scheiding tussen de binnen- en buitenkant van een cel. Het is
een dun vliesje.
Het celmembraan:
- Zorgt ervoor dat er nuttige stoffen in de cel blijven en worden schadelijke
stoffen tegengehouden. Doordat een celmembraan veel kanalen bevatten
die open en dicht kunnen, kunnen nuttige stofjes de cel in. En ook kunnen de
afvalstoffen kunnen via deze kanalen de cel verlaten
- Regelt het transport
Celplasma: Een soort dikke vloeistof waarin de andere organellen liggen
Celwand: Bij de cellen van bacteriën, schimmels en planten hebben de
celmembraan ook nog een dikke wand dat stevig aan de cel vastzit. Dierlijke cellen
hebben GEEN celwand
Celkern: De celkern is een soort bibliotheek waarin de erfelijke informatie ligt. Denk
hierbij aan het DNA. Het DNA zijn de genen, die instructie geven voor wat er in een
cel gebeurt. Door genen kunnen cellen ook samenwerken.
4
, Mitochondrion: mitochondriën zorgen voor de energie die een cel nodig heeft om
verschillende processen te doen. Een aantal voorbeelden van deze processen zijn:
- Groeien
- Delen
- Reageren op de omgeving
- Stoffen maken
Vacuole: de vacuole is een blaasje gevuld met water. De vacuole slaat nuttige of
juist schadelijke informatie op. Dierencellen hebben vaak enkele of helemaal geen
vacuole. Een dierlijke cel heeft daarentegen vaak één grote vacuole, die bijna de
gehele cel vult. Bij plantencellen speelt de vacuole ook een rol in stevigheid
Bladgroenkorrels: bladgroenkorrels is een extra soort organel. Met bladgroenkorrels
kunnen planten zonlicht opvangen. Zonlicht is de energie die een plant nodig heeft
voor de fotosynthese. De bladgroenkorrels zorgen ook voor de groene kleur in de
plant.
Een orgaan is een onderdeel van een organisme. Een orgaan heeft een of
meerdere functies. Organen zijn opgebouwd uit weefsels. Elk weefsel bestaat uit
gelijksoortige cellen. Zo heb je in hersenen een hersenweefsel, en bestaan spieren uit
spierweefsel.
Organen werken samen in orgaanstelsels. Samen zijn organen instaat stoffen door
het hele lichaam te sturen. Door deze samenwerking kunnen organismen
functioneren.
Orgaanstelsel Belangrijke functie Voorbeelden van organen
Bloedvatenstelsel Transport van afvalstoffen Hart
en nuttige stoffen door het
lichaam
Ademhalingsstelsel Opname van zuurstof en Longen
afgifte van koolzuur
Spijsverteringsstelsel Verteren van voedsel en Maag en darmen
het opnemen van nuttige
stoffen
Lever Verwerken van allerlei Lever
verschillende stoffen
Uitscheidingsstelsel Zorgen dat afvalstoffen het Nieren
lichaam verlaten
Zintuigen Ondersteunen van het Lymfeknopen
bloedvatenstelsel en de
afweer
Zenuwstelsel Opvangen van prikkels uit Oog, oor
het lichaam en de
omgeving
Hormoonstelsel Doorgeven van signalen Hypofyse, bijnieren
tussen verschillende
organen
Skelet Geeft stevigheid en vorm Gewrichten
aan het lichaam, maakt
beweging mogelijk
Spierstelsel Maakt beweging mogelijk Armpieren
Voortplantingsstelsel Voortplanting Eierstokken, teelballen
5