Samenvatting hoorcolleges
Inleiding Sociologie
Carmen Faber
HOORCOLLEGE 1 – WEEK 1
Sociologie = systematisch onderzoek van de menselijke samenleving
- Sociologisch perspectief
o Transformeren van persoonlijke problemen tot maatschappelijke
vraagstukken
- Sociologische verbeeldingskracht (Wright Mills)
o Algemene in het bijzondere algemene patronen ontdekken in specifieke
gevallen
o Ongewone in het bekende het zien van de invloed van sociale structuren
op individuen
Vrije wil is eigenlijk best wel beperkt (onopgemerkt)
Opkomst sociologie:
- Eind 19e eeuw
- Bonger eerste hoogleraar 1922
- Ontstaan en ontwikkeling:
o Industrialisering
o Urbanisatie
o Democratisering
- Comte (1838) ‘sociologie’
- 3 fases van sociologie:
o Theologische fase (tot 1350)
o Metafysische fase (14e/15e eeuw)
o Wetenschappelijke fase (eind 15e eeuw)
Opkomst positivisme
Geschiedenis sociologie:
- Renaissance (15e – 16e eeuw)
- Reformatie (16e eeuw)
- Verlichting (17e – 18e eeuw)
- Modernisering sociale veranderingen door industrialisering
o Tönnies: gemeinschaft gesellschaft
o Durkheim: mechanische solidariteit organische solidariteit
o Weber: rationalisering, bureaucratisering en onttovering
o Marx: kapitalisme
o Simmel: urbanisering
- Berger:
o Verdwijnen kleine traditionele gemeenschappen (urbanisering)
o Uitbreiding individuele keuzemogelijkheden (individualisering)
o Oriëntatie op toekomst en groeiend tijdsbesef
o Grotere sociale diversiteit
,Analyseniveaus:
- Macroniveau focus op samenleving als geheel
o Totaalbeeld van sociale structuren in de samenleving
- Mesoniveau focus op middelgrote analyse-eenheden
o Groepen
- Microniveau focus op individuen
o Interacties
Theoretische benadering/perspectief = fundamenteel beeld van de samenleving dat als
richtsnoer dient voor theorie en onderzoek.
Theorie = stelsel van uitspraken die met elkaar samenhangen
- Verklaart sociale werkelijkheid
- Toetsbaar d.m.v. onderzoek
Sociologische perspectieven:
- Structureel functionalisme
o Samenleving is een complex systeem waarbinnen alle onderdelen een functie
hebben.
o Belang van solidariteit en stabiliteit
o Focus op sociale structuur en sociale functies
o Comte, Durkheim, Spencer, Merton
Merton:
Manifeste functie = Onderkend en beoogd gevolg
Latente functie = Niet-onderkend en onbedoeld gevolg.
Sociale disfunctie = sociaal patroon dat functioneren
samenleving verstoort.
o Maatschappijbeeld consensus
o Analyseniveau macro
o Kritiek:
Conservatief
Geen oog voor conflicten
Gebruik van algemene categorieën
- Conflictbenadering
o Samenleving is een constant strijdtoneel
o Arena van ongelijkheid conflicten en veranderingen
o Marx, Engels, Chambliss, Dahrendorf
o Activistisch wetenschap moet sociale werkelijkheid ook veranderen
o Focus op ongelijkheid en ondergeschikte groepen
o Maatschappijbeeld conflict
o Analyseniveau macro
o Kritiek:
Weinig oog voor consensus
Gebrek aan wetenschappelijke objectiviteit
Gebruik van algemene categorieën
- Symbolisch interactionisme
o Samenleving is resultaat van interacties
, Proces
o Werkelijkheid wordt gecreëerd door interpretaties en definities van de
situatie binnen sociale interacties.
Verschilt per persoon
o Weber, Simmel, Mead en Goffman
o Focus op betekenis geven door individuen & symbolen
o Maatschappijbeeld interactie
o Analyseniveau micro
o Kritiek:
Weinig oog voor structurele context op samenlevingsniveau (macro)
door nadruk op individuen
Weinig oog voor langdurige structuren door nadruk op
veranderlijkheid en interpretatie
- Rationele keuzebenadering
o Samenleving is opgebouwd uit rationeel handelende actoren.
Resultaat van nutsmaximalisatie door individuen
o Mensbeeld vrije wil/rationele actor (i.p.v. maatschappijbeeld)
o Economische benadering kosten-batenafweging
o Focus op afwegingen van mensen en ruilrelaties
o Homans, Blau, Becker en Coleman
o Analyseniveau = micro/macro
o Kritiek:
Geld wordt te belangrijk gemaakt
Tautologie
Gaat voorbij aan machtsrelaties die vrij keuzes beperken
3 onderzoeksbenaderingen:
- Positivistische sociologie
o Empirisch
Objectiviteit meten = weten
Kwantitatief onderzoek
o Structureel functionalisme en rationele keuze theorie
o Kritiek: volledige objectiviteit is onmogelijk
- Interpretatieve sociologie
o Onderzoek naar betekenissen/interpretaties
o Subjectiviteit
‘Verstehen’ (Weber)
o Symbolisch interactionisme
o Kritiek: slecht repliceerbaar/generaliseerbaar
- Kritische sociologie
o Noodzaak tot sociale verandering
Activistisch
o Moraliteit/waardeoordelen
o Conflictbenadering
o Kritiek: wetenschap als politiek instrument
___________________________________________________________________________
, Hoorcollege 2 – Week 1
Samenleving = Een groep mensen die in een bepaald gebied leven en een cultuur delen.
Cultuur = Wijze van denken, handelen en materiële objecten die samen de levenswijze van
een volk vormen.
- Materieel = Artefacten, tastbare objecten die gecreëerd zijn door de leden van een
samenleving.
- Immaterieel = Door een volk ontwikkelde ideeën.
o Symbolen = Verschijnsel met een bepaalde betekenis, dat wordt herkend
door leden van een gemeenschap.
o Taal = Kern van het symbolenstelsel
Symbolensysteem waardoor men kan communiceren.
Essentieel in cultuuroverdracht
Sapir-Whorfthese Mensen zien en begrijpen de wereld door het
culturele perspectief dat hun taal creëert.
o Waarden = Cultureel gedefinieerde standaarden.
Goed vs. slecht
Conflict
Algemene richtlijnen functioneren dagelijks leven
Niet statisch
Doen overtuigingen ontstaan.
Individualistisch vs. collectivistisch
o Normen = Regels en verwachtingen waarmee een samenleving het gedrag
van haar leden reguleert.
Mores = normen die we in veel situaties kunnen waarnemen en een
grote morele betekenis hebben.
Traditionele gebruiken = normen voor routinematige of vluchtige
interacties.
Ideale cultuur vs. bestaande cultuur
Cultuurschok = Een gevoel van desoriëntatie door de confrontatie met een andere cultuur.
- Onvermogen de betekenissen van een vreemde omgeving te begrijpen.
Technologische ontwikkelingsniveaus:
- Socioculturele evolutie: 5 stadia
o Jagen en verzamelen
Eenvoudige hulpmiddelen om te jagen
Eenvoudig bestaan
Gelijkheid
Natuur gezien als bewoond door geesten
o Tuinbouw en veehouderij
Gebruik van handgereedschap om gewassen te verbouwen
Permanente vestiging
Voedseloverschotten ontstaan ongelijkheid
Domesticeren van dieren
Inleiding Sociologie
Carmen Faber
HOORCOLLEGE 1 – WEEK 1
Sociologie = systematisch onderzoek van de menselijke samenleving
- Sociologisch perspectief
o Transformeren van persoonlijke problemen tot maatschappelijke
vraagstukken
- Sociologische verbeeldingskracht (Wright Mills)
o Algemene in het bijzondere algemene patronen ontdekken in specifieke
gevallen
o Ongewone in het bekende het zien van de invloed van sociale structuren
op individuen
Vrije wil is eigenlijk best wel beperkt (onopgemerkt)
Opkomst sociologie:
- Eind 19e eeuw
- Bonger eerste hoogleraar 1922
- Ontstaan en ontwikkeling:
o Industrialisering
o Urbanisatie
o Democratisering
- Comte (1838) ‘sociologie’
- 3 fases van sociologie:
o Theologische fase (tot 1350)
o Metafysische fase (14e/15e eeuw)
o Wetenschappelijke fase (eind 15e eeuw)
Opkomst positivisme
Geschiedenis sociologie:
- Renaissance (15e – 16e eeuw)
- Reformatie (16e eeuw)
- Verlichting (17e – 18e eeuw)
- Modernisering sociale veranderingen door industrialisering
o Tönnies: gemeinschaft gesellschaft
o Durkheim: mechanische solidariteit organische solidariteit
o Weber: rationalisering, bureaucratisering en onttovering
o Marx: kapitalisme
o Simmel: urbanisering
- Berger:
o Verdwijnen kleine traditionele gemeenschappen (urbanisering)
o Uitbreiding individuele keuzemogelijkheden (individualisering)
o Oriëntatie op toekomst en groeiend tijdsbesef
o Grotere sociale diversiteit
,Analyseniveaus:
- Macroniveau focus op samenleving als geheel
o Totaalbeeld van sociale structuren in de samenleving
- Mesoniveau focus op middelgrote analyse-eenheden
o Groepen
- Microniveau focus op individuen
o Interacties
Theoretische benadering/perspectief = fundamenteel beeld van de samenleving dat als
richtsnoer dient voor theorie en onderzoek.
Theorie = stelsel van uitspraken die met elkaar samenhangen
- Verklaart sociale werkelijkheid
- Toetsbaar d.m.v. onderzoek
Sociologische perspectieven:
- Structureel functionalisme
o Samenleving is een complex systeem waarbinnen alle onderdelen een functie
hebben.
o Belang van solidariteit en stabiliteit
o Focus op sociale structuur en sociale functies
o Comte, Durkheim, Spencer, Merton
Merton:
Manifeste functie = Onderkend en beoogd gevolg
Latente functie = Niet-onderkend en onbedoeld gevolg.
Sociale disfunctie = sociaal patroon dat functioneren
samenleving verstoort.
o Maatschappijbeeld consensus
o Analyseniveau macro
o Kritiek:
Conservatief
Geen oog voor conflicten
Gebruik van algemene categorieën
- Conflictbenadering
o Samenleving is een constant strijdtoneel
o Arena van ongelijkheid conflicten en veranderingen
o Marx, Engels, Chambliss, Dahrendorf
o Activistisch wetenschap moet sociale werkelijkheid ook veranderen
o Focus op ongelijkheid en ondergeschikte groepen
o Maatschappijbeeld conflict
o Analyseniveau macro
o Kritiek:
Weinig oog voor consensus
Gebrek aan wetenschappelijke objectiviteit
Gebruik van algemene categorieën
- Symbolisch interactionisme
o Samenleving is resultaat van interacties
, Proces
o Werkelijkheid wordt gecreëerd door interpretaties en definities van de
situatie binnen sociale interacties.
Verschilt per persoon
o Weber, Simmel, Mead en Goffman
o Focus op betekenis geven door individuen & symbolen
o Maatschappijbeeld interactie
o Analyseniveau micro
o Kritiek:
Weinig oog voor structurele context op samenlevingsniveau (macro)
door nadruk op individuen
Weinig oog voor langdurige structuren door nadruk op
veranderlijkheid en interpretatie
- Rationele keuzebenadering
o Samenleving is opgebouwd uit rationeel handelende actoren.
Resultaat van nutsmaximalisatie door individuen
o Mensbeeld vrije wil/rationele actor (i.p.v. maatschappijbeeld)
o Economische benadering kosten-batenafweging
o Focus op afwegingen van mensen en ruilrelaties
o Homans, Blau, Becker en Coleman
o Analyseniveau = micro/macro
o Kritiek:
Geld wordt te belangrijk gemaakt
Tautologie
Gaat voorbij aan machtsrelaties die vrij keuzes beperken
3 onderzoeksbenaderingen:
- Positivistische sociologie
o Empirisch
Objectiviteit meten = weten
Kwantitatief onderzoek
o Structureel functionalisme en rationele keuze theorie
o Kritiek: volledige objectiviteit is onmogelijk
- Interpretatieve sociologie
o Onderzoek naar betekenissen/interpretaties
o Subjectiviteit
‘Verstehen’ (Weber)
o Symbolisch interactionisme
o Kritiek: slecht repliceerbaar/generaliseerbaar
- Kritische sociologie
o Noodzaak tot sociale verandering
Activistisch
o Moraliteit/waardeoordelen
o Conflictbenadering
o Kritiek: wetenschap als politiek instrument
___________________________________________________________________________
, Hoorcollege 2 – Week 1
Samenleving = Een groep mensen die in een bepaald gebied leven en een cultuur delen.
Cultuur = Wijze van denken, handelen en materiële objecten die samen de levenswijze van
een volk vormen.
- Materieel = Artefacten, tastbare objecten die gecreëerd zijn door de leden van een
samenleving.
- Immaterieel = Door een volk ontwikkelde ideeën.
o Symbolen = Verschijnsel met een bepaalde betekenis, dat wordt herkend
door leden van een gemeenschap.
o Taal = Kern van het symbolenstelsel
Symbolensysteem waardoor men kan communiceren.
Essentieel in cultuuroverdracht
Sapir-Whorfthese Mensen zien en begrijpen de wereld door het
culturele perspectief dat hun taal creëert.
o Waarden = Cultureel gedefinieerde standaarden.
Goed vs. slecht
Conflict
Algemene richtlijnen functioneren dagelijks leven
Niet statisch
Doen overtuigingen ontstaan.
Individualistisch vs. collectivistisch
o Normen = Regels en verwachtingen waarmee een samenleving het gedrag
van haar leden reguleert.
Mores = normen die we in veel situaties kunnen waarnemen en een
grote morele betekenis hebben.
Traditionele gebruiken = normen voor routinematige of vluchtige
interacties.
Ideale cultuur vs. bestaande cultuur
Cultuurschok = Een gevoel van desoriëntatie door de confrontatie met een andere cultuur.
- Onvermogen de betekenissen van een vreemde omgeving te begrijpen.
Technologische ontwikkelingsniveaus:
- Socioculturele evolutie: 5 stadia
o Jagen en verzamelen
Eenvoudige hulpmiddelen om te jagen
Eenvoudig bestaan
Gelijkheid
Natuur gezien als bewoond door geesten
o Tuinbouw en veehouderij
Gebruik van handgereedschap om gewassen te verbouwen
Permanente vestiging
Voedseloverschotten ontstaan ongelijkheid
Domesticeren van dieren