Tentamenstof tentamenweek 1 Inl. Criminologie
- Boek:
o H1 t/m 9
o Theorieën
o Personen
o Begrippen
o Stromingen
- Lectures:
o College clips 1 t/m 35
- Werkgroepopdrachten/studievragen> doorlezen
,Begrippen
H1
Neerwaartse vergelijking = De aantrekkelijkheid van sensationele misdaad berust op het
aangename gevoel dat men er zelf beter aan toe is dan het slachtoffer.
Plegen van eigenrichting = burgers gaan zelf straffen uitdelen aan vermeende daders.
Zondebokmechanisme = binnen een groep levende frustraties afreageren op een zondebok.
Rorschachtest = test waarbij je moet zeggen wat je in een inktvlek ziet
Criminologie = de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van de aard en
achtergronden van menselijke gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld en
van de wijze waarop de overheid en de overige maatschappij daarop reageert.
Relativiteit criminaliteit = de aard van het strafbaar gestelde gedrag wordt door de
wetgever bepaald en zal dus van tijd tot tijd en van land tot land verschillen.
Puritanisme > bepaalde gedragingen (verkoop van voorbehoedsmiddelen, abortus) werden
al snel strafbaar gesteld.
Criminalisering = invoering van nieuwe wettelijke bepalingen waardoor op bepaalde
gedragingen strafsancties worden gesteld.
Decriminalisering = het schrappen van bestaande strafbepalingen
Accusatoir systeem = misdrijven worden beschouwd als particuliere aangelegenheden
waarvan de oplossing door overheidsbemiddeling tot stand komt.
Inquisitoir systeem = misdrijven worden gezien als schendingen van het vorstelijk
vredesgebod waartegen dus de overheid met inzet van alle middelen dient op te treden.
Homo economicus = een op grond van vrije wilsbeschikking (ratio) handelende mens die
voor- en nadelen van gedragsalternatieven afweegt.
Proportionaliteitsbeginsel = straffen moeten op maat zijn (gelijkheidsbeginsel) en niet te
zwaar (zorgt voor minder geluk) en moeten o.b.v. duidelijke wetten opgelegd worden
(legaliteitsbeginsel)
Witteboordencriminaliteit = criminaliteit gepleegd door lieden die tot de maatschappelijke
elite behoren.
Bejegening = de manier waarop iemand zich tegenover iemand anders gedraagt
H2
Haalwerk = misdrijven die de politie zelf constateert door controles uit te voeren.
,Brengwerk = particulieren of bedrijven doen aangifte bij de politie van een misdrijf waarvan
zij het slachtoffer zijn geworden.
Dark figure/number = verborgen criminaliteit
Vermogensdelicten = materiële belangen worden geschaad (diefstal, inbraak, verduistering)
Agressieve/geweldsdelicten = letsel wordt toegebracht
Seksuele delicten = tegen de seksuele integriteit in
Moord = doodslag met voorbedachten rade (geen impuls, tijd om te beseffen)
Cybercriminaliteit in enge zin = delicten waarbij ICT zowel het instrument als het doelwit is
van de criminaliteit.
Cybercriminaliteit in brede zin = delicten waarbij ICT onderdeel uitmaakt van de modus
operandi, maar zelf niet het doelwit is. (gedigitaliseerde criminaliteit)
Prevalentie = het aantal gevallen
Traditionele criminaliteit = Alle criminaliteit behalve cybercriminaliteit
H3
Strafrechtelijk systeem/keten = Het geheel van organisaties en personen dat bepaalt welke
gedragingen strafbaar zijn en zorg draagt voor de opsporing van overtreders, hun vervolging
en berechting, en voor de tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde straffen.
Benchmarking = prestaties vergelijken d.m.v. prestatiematen
Fulltime equivalent = een volledige werkweek
Ophelderingspercentage = het percentage ter kennis gekomen misdrijven waarvan een
verdachte bekend wordt.
Seponeren = Een zaak terzijde leggen.
Technisch sepot = te weinig bewijs tegen de verdachte
Beleidssepot = uit opportuniteitsoverwegingen (selectiviteit)
Kale sepots = strafzaken die zonder oplegging van sancties terzijde worden gelegd (verzwakt
de afschrikwekkende werking van het strafrecht > invoering strafbeschikking)
, Transactie = voorwaarden aan het niet vervolgen: geldboete of taakstraf. (verdachte kan
deze afwijzen)
Strafbeschikking = straffen en maatregelen die de OvJ kan opleggen buiten de rechter om
voor bepaalde delicten (verdachte kan bezwaar maken, niet afwijzen).
Rechtsvragen = juridische kwesties die nog open staan
Rechtercommissaris = rechter die beslissingen neemt over het vooronderzoek in strafzaken.
Selectiviteit = het verschijnsel dat systematische, dat wil zeggen niet toevallige, factoren
bepalen welke natuurlijke of rechtspersonen uit het totaal van wetsovertreders in aanraking
komen met de politie en/of justitie. (capaciteitsgebrek, regionale verschillen en
groepskenmerken)
Klassenjustitie = de systematische benadeling van (potentiële) justitiabelen met geringe
economische hulpbronnen, inclusief allochtonen, in alle onderdelen van de strafrechtketen.
Discretionaire bevoegdheden = bestuursorgaan heeft bepaalde mate van beleidsvrijheid bij
het nemen van een besluit.
H4
Agressie = gedrag dat beoogt iemand schade te berokkenen.
H5
H6
Criminaliteitspreventie = alle maatregelen van burgers en particuliere instellingen en van de
overheid liggende buiten de strafrechtspleging die erop zijn gericht gedragingen die volgens
de wet strafbaar zijn, te voorkomen.
H7
H8
Secundaire victimisatie = verschijnsel dat de institutionele reactie op slachtoffers hun
problemen slechts vergroot
Second rape = slechte bejegening door instanties bij slachtofferschap
Passieve informering = informatie over de afloop van het onderzoek, de procedure en
rechten.
Actieve informering = over de gevolgen van het delict
Theorieën
- Boek:
o H1 t/m 9
o Theorieën
o Personen
o Begrippen
o Stromingen
- Lectures:
o College clips 1 t/m 35
- Werkgroepopdrachten/studievragen> doorlezen
,Begrippen
H1
Neerwaartse vergelijking = De aantrekkelijkheid van sensationele misdaad berust op het
aangename gevoel dat men er zelf beter aan toe is dan het slachtoffer.
Plegen van eigenrichting = burgers gaan zelf straffen uitdelen aan vermeende daders.
Zondebokmechanisme = binnen een groep levende frustraties afreageren op een zondebok.
Rorschachtest = test waarbij je moet zeggen wat je in een inktvlek ziet
Criminologie = de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van de aard en
achtergronden van menselijke gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld en
van de wijze waarop de overheid en de overige maatschappij daarop reageert.
Relativiteit criminaliteit = de aard van het strafbaar gestelde gedrag wordt door de
wetgever bepaald en zal dus van tijd tot tijd en van land tot land verschillen.
Puritanisme > bepaalde gedragingen (verkoop van voorbehoedsmiddelen, abortus) werden
al snel strafbaar gesteld.
Criminalisering = invoering van nieuwe wettelijke bepalingen waardoor op bepaalde
gedragingen strafsancties worden gesteld.
Decriminalisering = het schrappen van bestaande strafbepalingen
Accusatoir systeem = misdrijven worden beschouwd als particuliere aangelegenheden
waarvan de oplossing door overheidsbemiddeling tot stand komt.
Inquisitoir systeem = misdrijven worden gezien als schendingen van het vorstelijk
vredesgebod waartegen dus de overheid met inzet van alle middelen dient op te treden.
Homo economicus = een op grond van vrije wilsbeschikking (ratio) handelende mens die
voor- en nadelen van gedragsalternatieven afweegt.
Proportionaliteitsbeginsel = straffen moeten op maat zijn (gelijkheidsbeginsel) en niet te
zwaar (zorgt voor minder geluk) en moeten o.b.v. duidelijke wetten opgelegd worden
(legaliteitsbeginsel)
Witteboordencriminaliteit = criminaliteit gepleegd door lieden die tot de maatschappelijke
elite behoren.
Bejegening = de manier waarop iemand zich tegenover iemand anders gedraagt
H2
Haalwerk = misdrijven die de politie zelf constateert door controles uit te voeren.
,Brengwerk = particulieren of bedrijven doen aangifte bij de politie van een misdrijf waarvan
zij het slachtoffer zijn geworden.
Dark figure/number = verborgen criminaliteit
Vermogensdelicten = materiële belangen worden geschaad (diefstal, inbraak, verduistering)
Agressieve/geweldsdelicten = letsel wordt toegebracht
Seksuele delicten = tegen de seksuele integriteit in
Moord = doodslag met voorbedachten rade (geen impuls, tijd om te beseffen)
Cybercriminaliteit in enge zin = delicten waarbij ICT zowel het instrument als het doelwit is
van de criminaliteit.
Cybercriminaliteit in brede zin = delicten waarbij ICT onderdeel uitmaakt van de modus
operandi, maar zelf niet het doelwit is. (gedigitaliseerde criminaliteit)
Prevalentie = het aantal gevallen
Traditionele criminaliteit = Alle criminaliteit behalve cybercriminaliteit
H3
Strafrechtelijk systeem/keten = Het geheel van organisaties en personen dat bepaalt welke
gedragingen strafbaar zijn en zorg draagt voor de opsporing van overtreders, hun vervolging
en berechting, en voor de tenuitvoerlegging van de aan hen opgelegde straffen.
Benchmarking = prestaties vergelijken d.m.v. prestatiematen
Fulltime equivalent = een volledige werkweek
Ophelderingspercentage = het percentage ter kennis gekomen misdrijven waarvan een
verdachte bekend wordt.
Seponeren = Een zaak terzijde leggen.
Technisch sepot = te weinig bewijs tegen de verdachte
Beleidssepot = uit opportuniteitsoverwegingen (selectiviteit)
Kale sepots = strafzaken die zonder oplegging van sancties terzijde worden gelegd (verzwakt
de afschrikwekkende werking van het strafrecht > invoering strafbeschikking)
, Transactie = voorwaarden aan het niet vervolgen: geldboete of taakstraf. (verdachte kan
deze afwijzen)
Strafbeschikking = straffen en maatregelen die de OvJ kan opleggen buiten de rechter om
voor bepaalde delicten (verdachte kan bezwaar maken, niet afwijzen).
Rechtsvragen = juridische kwesties die nog open staan
Rechtercommissaris = rechter die beslissingen neemt over het vooronderzoek in strafzaken.
Selectiviteit = het verschijnsel dat systematische, dat wil zeggen niet toevallige, factoren
bepalen welke natuurlijke of rechtspersonen uit het totaal van wetsovertreders in aanraking
komen met de politie en/of justitie. (capaciteitsgebrek, regionale verschillen en
groepskenmerken)
Klassenjustitie = de systematische benadeling van (potentiële) justitiabelen met geringe
economische hulpbronnen, inclusief allochtonen, in alle onderdelen van de strafrechtketen.
Discretionaire bevoegdheden = bestuursorgaan heeft bepaalde mate van beleidsvrijheid bij
het nemen van een besluit.
H4
Agressie = gedrag dat beoogt iemand schade te berokkenen.
H5
H6
Criminaliteitspreventie = alle maatregelen van burgers en particuliere instellingen en van de
overheid liggende buiten de strafrechtspleging die erop zijn gericht gedragingen die volgens
de wet strafbaar zijn, te voorkomen.
H7
H8
Secundaire victimisatie = verschijnsel dat de institutionele reactie op slachtoffers hun
problemen slechts vergroot
Second rape = slechte bejegening door instanties bij slachtofferschap
Passieve informering = informatie over de afloop van het onderzoek, de procedure en
rechten.
Actieve informering = over de gevolgen van het delict
Theorieën