Opvoedstijl: de algemene manier waarop een ouder zich gedraagt naar een kind in
verschillende opvoedsituaties = algemeen patroon
Opvoedgedrag: heeft alleen betrekking op het daadwerkelijke gedrag dat een ouder vertoont
in een specifieke opvoedsituatie = sterk situatie gebonden!!
Dit zorgt ervoor dat het gedrag niet altijd hoeft te passen bij de opvattingen van ouders en
niet bij de opvoedstijl.
Ouders hebben opvattingen en ideeën over hoe je een kind zou moeten bijbrengen. Lang is
gedacht dat deze opvattingen leidend zijn in het bepalen van de daadwerkelijke opvoeding,
maar de relatie tussen opvattingen en gedrag blijkt gering. Kenmerken van de situatie en de
invloed van het gedrag van het kind bepalen mede hoe de opvoeding vorm krijgt.
Het belang van opvoeding en verzorging is erg belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen.
De opvoedomgeving en opvoedervaringen kan zelfs de hersenontwikkeling, hersenfunctie en
epigenetica te kunnen beinvloeden.
Ouders dragen de eerste verantwoordelijkheid over ene kind en een kind dient op te groeien
in een gezinsomgeving in een sfeer van geluk, liefde en begrip. Opvoeding wordt in dit
verband gezien als het gedrag van de ouder dat het kind helpt zich goed te kunnen
ontwikkelen en zijn doelen te kunnen behalen. Er zijn veel pedagogische basisdoelen die
algemeen gelden voor alle opgroeiende kinderen, die moeten afgestemd zijn op de
ontwikkelingsfase en de individuele behoeften van het kind.
1. Basale behoeften: gezondheid kind moet gewaarborgd worden zodat de groei en
ontwikkeling niet bij voorbaat wordt belemmerd.
2. Emotionele ondersteuning: het waarborgen van een emotionele veiligheid, essentieel
voor het ontwikkelen van een veilige gehechtheidsrelatie en gevoel van welbevinden.
3. Stimulering: het potentieel van een kind van sommige vaardigheden komen alleen
volledig tot uiting door de vorm van stimulatie in de opvoedomgeving. Te veel en te
weinig stimulering is slecht.
4. Faciliteren sociale ontwikkeling: de opvoedomgeving moet de mogelijkheid bieden
om sociale vaardigheden te ontwikkelen, in het contact met andere kinderen en een
breder sociaal netwerk.
5. Toezicht houden en hanteren van normen en grenzen en regels: kinderen leren dit
door ouders. In het gezin kan het kind dit leren kennen en oefenen met conformeren
aan deze regels in een veilige omgeving. Te veel is weer slecht.
Wat wordt verstaan onder kwalitatief goede verzorging en opvoeding hangt af van de
ontwikkelingsfase van het kind. Eerst is er een focus op verzorging, en later op opvoeding.
Met het ouder worden neemt ook de ouderlijke verantwoordelijkheid af en ontwikkelen
kinderen zich toch jeugdigen die zelfstandig en autonoom zijn.
,Het ontwikkelingsproces: het kind ondersteunen om een moreel en betrouwbaar deelnemer
te worden van de maatschappij via een geleidelijk proces van stapsgewijs de
verantwoordelijkheid voor deze morele keuzes aan het kind laten, tot het kind in staat is tot
zelfverantwoordelijke zelfbepaling. Dit moet afgestemd worden op de ontwikkelingsfase en
de individuele behoeften en kenmerken van en kind.
Ontwikkelingsopgaven: een vaste volgorde van vaardigheden of opdrachten die een kind
moet leren beheersen of ontwikkelen.
Opvoedopgaven: de manier waarop ouders hun kinderen moeten ondersteunen bij het
behalen van de ontwikkelingsopgaven in elke fase.
Afstemmen in de ontwikkelingsfase alleen is niet voldoende, ook op de unieke
eigenschappen van elk kind, zoals het temperament moet wordt kunnen afgestemd om een
optimale ontwikkeling te kunnen waarborgen. Zie het als spelen met blokken: laat het kind
de blokken kiezen en speel ermee, en zodra het kind de baas mag spelen is het moment
waarop hij moet luisteren.
Sensitiviteit: het afstemmen van het opvoedgedrag op de behoeften en signalen van een
kind. Sensitieve ouders kunnen de unieke behoeften en signalen van een kind lezen en
interpreteren, om vervolgens hun gedag hier flexibel op af te stemmen zodat ze op een
gepaste manier kunnen reageren. Sensitief reageren is voor elke ontwikkelingsfase van
belang en zal in elke fase een andere vorm aannemen.
Opvoedstijlen
De algemene opvoedstijlen die bepalen welk type opvoedgedrag ouders laten zienen is op te
delen op basis van het evenwicht tussen twee belangrijke pijlers in de opvoeding:
Ondersteunen: warmte, heeft betrekking op de gevoelsrelatie tussen ouders en kind en
bevat de mate van betrokkenheid, emotionele ondersteuning en mate van autonomie.
Structureren: controle, heeft betrekking op het belang van structuur en houvast in de vorm
van regels en grezen en toezicht houden.
Op basis van deze pijlers zijn een viertal opvoedstijlen opgesteld die als opvoedpatronen
worden getypeerd en wordt als basis gebruikt in veel empirisch onderzoek naar de invloed
van opvoedpatronen op de ontwikkeling van kinderen.
Autoritair:
Veel en heel strikte regels: kind dient te gehoorzamen. Niet sensitief en dwingend (negatieve
disciplinering). Gebruik gemaakt van love withdrawl
Permissief:
Vrij en zonder dwang opgroeien. Doel: iemand die autonoom is, kritisch, solidair, niet te
manipuleren, zelf blijven denken en beslissingen maakt. Zonder regels: houden veel rekening
met de wensen en gevoelens als kind.
, Verwaarlozend:
Ouders die niet betrokken noch regels stellen: laten de belangrijkste opvoedopgaven liggen.
Autoritatief:
Begripvol, betrokken, veilige gehechtheidsrelatie met ouder/verzorger als secure base. Die is
sensitief, coöperatief, accepterend en toegankelijk.
Sensitief ouderschap is niet altijd haalbaar
Regels en structuur:
Niet: disciplineren met behulp van agressie of fysieke dwang
Dit zorgt voor een vicieuze cirkel van dwang.
Niet: onthouden van aandacht en liefde (gehoorzamen uit angst)
Wel: positief disciplineren
-uitleggen gevolgen
-Beroep op empathie en cognitieve vaardigheden kind
-ruimte inbreng kind
Autoritatief;
-betere schoolprestaties
-sterkere sociale vaardigheden
-onafhankelijk, assertief, gevoel van eigenwaarde
De rest:
-meer angst
-meer depressie
-meer delinquentie
Culturele verschillen: autoritair kan beter werken in andere omstandigheden. Het negatieve
effect van fysiek disciplineren is kleiner waar fysiek disciplineren ‘normaler” is.
Hoofdstuk 6
De gezinssysteemtheorie veronderstelt dat alle gezinsleden individuele subsystemen vormen
die afhankelijk zijn van elkaar
“het geheel is meer dan een som van delen” = gezin bestaat ook uit relaties tussen
gezinsleden
Individuele subsystemen: gezinsleden
Dyadische relatie: twee eenheid
Triadische relatie: drie eenheid
De gezinssysteemtheorie is toepasbaar op alle verschillende gezinsvormen
De ouder
Het subsysteem van ouders kan op verschillende manieren invloed hebben op het kind, te
starten met de opvoedstijl en de persoonlijke kenmerken. De samenhang tussen
ouderfactoren en kindfactoren heeft invloed op alle subsystemen. Andere subsystemen
kunnen ook een beschermende rol innemen voor een kind dan alleen de ouders.