Kernidee: gedrag wordt bepaald door intentie, die ontstaat uit attitude, subjective norms en
perceived behavioral control.
● Attitude → Wordt gevormd door overtuigingen over en evaluaties van
gedrag.
● Subjective norms → Wat denken belangrijke anderen van het gedrag?
● Perceived behavioral control → Waargenomen controle en bekwaamheid;
denk je dat je het kan?
● De drie onderdelen beïnvloeden elkaar ook.
Social Cognitive Theory (SCT)
Kernidee: gedrag, persoon en omgeving beïnvloeden elkaar wederzijds (=reciprocal
determinism). Outcome expectations en self-efficacy expectations zijn de sleutel tot
gedragsverandering.
● Modeling → De eerste stap is het observeren van gedrag bij anderen
(=observational learning).
● Outcome expectations → Na observatie vormen mensen verwachtingen
over de gevolgen/ het resultaat van gedrag.
● Self-efficacy → Door te zien dat anderen het kunnen, groeit het vertrouwen
dat jij het ook kunt.
● Uitvoering van gedrag → Outcome expectations en self-efficacy zorgen
hiervoor.
● Reinforcement → Positieve feedback kan het toekomstige gedrag
voorspellen.
Self-Deteminination Theory (SDT)
Kernidee: mensen hebben drie basisbehoeften, namelijk autonomie, competentie en
verbondenheid. Wanneer die worden vervuld, ontstaat intrinsieke motivatie.
● Autonomy → De controle hebben en keuzes maken die voor ons belangrijk
zijn.
● Competence → Ons bekwaam en effectief voelen in onze acties.
● Relatedness → De behoefte aan support van je omgeving en erbij willen
horen.
We bevinden ons op een motivatiecontinuüm vanaf wanneer de basisbehoeften nog niet
vervuld zijn tot wanneer ze helemaal vervuld zijn.
● Amotivation → Geen intentie of relevantie ervaren.
● Extrinsic motivation → We doen iets om externe beloning te ontvangen of
straf te vermijden. Het kan onderverdeeld worden in 4 soorten regulatie;
1. External regulation → Gedrag uitvoeren voor beloning of straf.
2. Introjected regulation → Gedrag uitvoeren uit schuld of trots.
3. Identified regulation → Gedrag is persoonlijk waardevol.
4. Integrated regulation → Gedrag geïntegreerd in identiteit.
● Intrinsic motivation → Ultieme vorm van motivatie; gedrag uitvoeren uit
interesse of plezier.
Impulse-Reflection Model
, Kernidee: gedrag wordt gestuurd door twee systemen, namelijk het impulsieve systeem
(automatisch) en het reflectieve systeem (bewust). Het impulsieve systeem domineert bij
stress of lage cognitieve capaciteit, en reflectieve processen sturen doelgericht gedrag. Dit
gebeurt als volgt:
● Internal/ external cues activeren automatische associaties in het impulsieve systeem.
Eerdere ervaringen en emoties hebben hier ook invloed op (expected positive
outcomes).
● Het reflectieve systeem evalueert deze impulsen. Hier worden normen, waarden en
doelen afgewogen tegenover de onmiddellijke impuls.
● Afhankelijk van de cognitieve capaciteit en de motivatie, wordt het gedrag
gedomineerd door impuls of reflectie.
Terror Management Theory (TMT)
Kernidee: bewustzijn van sterfelijkheid veroorzaakt existentiële angst (terror). Mensen
beschermen zich hiertegen door hun zelfwaarde en wereldbeeld te bevestigen.
Gezondheidsgedrag wordt beïnvloed door hoe deze angst psychologisch wordt gereguleerd.
Er worden drie kerncomponenten onderscheiden:
● Mortality salience → De activatie van gedachten aan de dood. Hierbij
ontstaat er 2 mogelijke soorten verdediging:
1. Proximal defense → Bewuste ontkenning of vermijding van angst.
2. Distal defense → Onbewuste bevestiging van zelfwaarde en
culturele waarden.
● Worldview defense → Het culturele wereldbeeld (religie, ideologie,
waarden) biedt betekenis, structuur en de illusie van continuïteit.
● Self-esteem maintenance → Zelfwaarde fungeert als beschermende buffer
tegen existentiële angst.
Self-regulation/ Implementation Intentions
Kernidee: self-regulation verwijst naar het proces waarbij mensen hun gedachten, emoties
en gedrag sturen om lange-termijndoelen te bereiken, ondanks verleidingen of
conflicterende impulsen. Gezondheidsgedrag hangt sterk af van het vermogen om doelen te
stellen, vooruit te plannen en afleidingen te weerstaan. Dit gebeurt in de volgende fases:
● Goal setting → Het formuleren van specifieke, haalbare doelen die richting
geven aan gedrag.
● Regulatory focus → Focus die de motivatie en strategieën die iemand
gebruikt beïnvloed. Het omschrijft het verschil tussen promotion focus (=
streven naar winst/ groei) en prevention focus (= vermijden van verlies/
fouten).
● Implementation intentions → ‘if-then’ plannen die automatische actie
koppelen aan een cue.
● Goal striving → Het actief nastreven van die doelen door middel van
planning en monitoring.
● Self-control → Zorgt ervoor dat men trouw blijft aan het plan, ondanks
onmiddellijke verleidingen.
● Monitoring → Bijhouden van de voortgang en vergelijken met het doel.