Burgerlijk recht I HC 1
HR Blauwboer/Berlips: 19e eeuw was er op een veiling door twee broers (Berlips), land te
koop aangeboden in stukjes. Een van de koper was Blauwboer. Bij die koopovereenkomst
was er afgesproken dat de broers dat het gedeelde dat zij behielden zouden ophogen en
bestraten. Die afspraak werd door de Berlipsen niet nagekomen, eentje ging dood.
Blauwboer zegt aansprakelijk op wanprestatie. Het verweer was, dat is wel waar maar die
grond is niet meer van mij dus niet meer aansprakelijk. Die grond is overgedragen aan max,
dus Blauwboer moet naar haar toe. Maar dit kan niet, dat die verplichting is overgegaan op
max maar dit zou in strijd zijn met de scherpe scheiding goederenrecht en het
verbintenissenrecht. Als uitgangspunt: In het goederenrecht gaat het om absolute rechten
en verbintenissen relatieve rechten (één of meer bepaalde personen) Vb. Je zit op eiland
met één iemand, dan is er geen recht nodig. Verbintenisrecht = twee personen.
Goederenrecht = drie of meer personen.
Indeling van het BW kennen! (Dit bespaart tijd voor op tentamen)
Goederen
3:1 BW-definitie goederen. Waarom is dit van belang? Als iets geen goed is, dan is het
goederenrecht niet van toepassing. Hoe weten we wat die goederen zijn?
Goederen zijn zaken en vermogensrechten.
Zaken
3:2 BW: zaken zijn voor menselijke beheersing vatbare stoffen.
-Vb: Is een fles water zaak? Ja, want wel stoffelijk
-Vb: Is pils een zaak? Nee, is niet voor menselijke beheersing vatbare stof
-Vb: is een mens een zaak? Nee, mensen zijn rechtssubjecten
-Vb: is maan een zaak? Nee, het is niet voor menselijke beheersing vatbaar
-Vb: is een lijk een zaak? Nee
-Vb: Afgescheiden lichaamsdelen zijn zaken, dus niet bijvoorbeeld.
-Vb: zijn dieren zaken? Nee, maar wordt gelijkgesteld met zaak ex art. 3:2a BW. Dus in het
goederenrecht behandelen we dieren wel als zaken(symboolwetgeving)
Zaken moeten concreet individualiseerbaar
Vermogensrechten
Art.3:6
Voorbeelden zijn:
- vordering
- vorderingsrecht
- recht op naam
- Beperkte rechten
- IE-Rechten
- aandelen
Tentamenvraag: Is een assurantieportefeuille (samenstel van overeenkomsten en
vorderingen) te kwalificeren als zaak of als vermogensrecht?
,Een assurantieportefeuille vormt niet zodanig een goed dat overgedragen kan worden. Dus
ook geen zaak of vermogensrecht, want je moet eerst kijken of het een goed is ex art. 3:1 jo
3:2 BW. Deze vraag ligt trouwens voor de HR. Als de HR deze conclusie volgt, dan heeft de
bank pech.
Onderscheid roerend/onroerend
Art. 3:3 BW
HR Portacabin
Wat was het probleem? Er stond een gebouw en iemand dacht ik heb meer ruimte nodig. Bouw dus
een portacabin tegen dat gebouw aan en vervolgens kwam de vraag: is dat portacabin roerend of
onroerend? Als het onroerend is, dan is het gunstig voor de bank en als het roerend is dan is het
gunstig voor de fiscus om geld. HR zegt: als het gaat om onroerende dingen, dan is het in elk geval
zaken die duurzaam met het grond zijn verenigd. En in dat Portacabin arrest ging het om de vraag:
wat is dan duurzaam? En over vereniging hebben we HR Woonark + HR Havenkranen.
Voor duurzaam moet je kijken naar: de aard en de inrichting. Of het gebouw naar de aard en de
inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. (= bestemmingscriterium).
Is de portacabin bestemd om daar duurzaam te staan? Als je dat wil weten dan moet je kijken naar
de bedoeling van de bouwer voor zover naar buiten kenbaar. En de verkeersopvatting helpen
daaarbij maar zijn geen zelfstandige maatstaven.
Zaken
Art. 3:4 BW: iets kan 1 zaak worden als zie lid 2: Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden
wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt
toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak.
Of wel lid 1: dat het naar verkeersopvatting 1 zaak is geworden.
Voorbeeld: We hebben 1 wetboek nu in onze handen en hier zijn we allemaal over eens. We hebben
het dus niet over dat we een papier, inkt, lijm of karton hebben dus geen 4 zaken maar 1 zaak. En dat
is geregeld is in art. 3:4 BW. Daar heb je HR Depex als hulp bij nodig.
Registergoederen
Goederen zijn registergoederen als je voor de overdracht daarvan moet inschrijven in de daartoe
openbare registers.
- is een perceel een registergoed? Ja. Perceel grond is een onroerende zaak dus dat is sowieso een
registergoed.
- is een vliegtuig een registergoed? Niet alle vliegtuigen zijn registergoeden. Er zijn namelijk ook
vliegtuigen die niet te boek gesteld zijn en dat zijn dan roerende zaken. En dat zelfde geldt bij
schepen. Alleen als ze te boek zijn gesteld zijn het registergoeden.
- is een vrachtwagen een registergoed? Nee, voertuigen zijn wel geregisterd in het kentekenregister
maar als jij nalaat om bij de overdracht van een auto ook die overschrijving te doen, dan is die
nieuwe auto wel gewoon van jou. Die inschrijving van het kentekenregister zegt niks over die vraag
wie eigenaar van die auto is.
- is een pandrecht een registergoed? Nee, Verkeerd antwoord is in ieder geval: “pandrecht moet
ergens geregisterd worden”. Een vuistloos pandrecht kun tot stand brengen door een akte te laten
registeren bij de belastingdienst. Alleen die registratie eis bij zo’n pandrecht dat is iets anders dan
inschrijving in een daartoe bestemde openbare registers. En dat maakt dat een pandrecht geen
registergoed is. Zou het hypotheekrecht zijn dat je vestigt op registergoederen, dan is dat
hypotheekrecht zelf ook een registergoed. De belastingdienst voert bij een pandakte een stempel
erop en die stuurt hem dan weer terug. Dus de belastingdienst registreert alleen wanneer een
bepaalde akte is binnengekomen. Terwijl de openbare registers uiteindelijk al die akte daadwerkelijk
,integraal bewaart.
Beperkte rechten
Art. 3:8 BW
Wat onderscheidt boek 3 van boek 5? Boek 5 zijn zakelijke rechten en boek 3 gaat over
vermogensrechten. Dus die beperkte rechten uit boek 3 (vruchtgebruik, pand/hypotheek) kun je
vestigen op alle goederen. Terwijl je de beperkte rechten uit boek 5 alleen kan vestigen op zaken, en
meer in het bijzonder onroerende zaken. (opstal, erfdienstbaarheid, erfpacht)
Het verschil tussen zaaksgevolg en afhankelijkheid
Afhankelijkheid staat in art. 3:7 BW
Stel dat ik een auto heb, en ik geef iemand anders het recht van vruchtgebruik. Dus auto
laten verhuren bijvoorbeeld. Laten we zeggen dat dat ongeveer de helft van mijn
eigenaarsbevoegdheden vertegenwoordigd, dan gaat die halve taart naar diegene die dat
recht van vruchtgebruik heeft gekregen. Gaat het om erfpacht, dan zou je kunnen zeggen
dan heb je echt bijna die hele taart pakken.
Vruchtgebruik kan bij:
- vruchtgebruik op auto, als je auto huurt bijv.
- vruchtgebruik op huis, de huurkomsten
- vruchtgebruik op een lening, de rente is de vrucht
Een afhankelijk recht is een recht dat niet zonder dat andere recht kan bestaan (3:7). De
misvatting kan dan zijn: dat recht van vruchtgebruik, kan niet bestaan zonder moederrecht.
Ergens is dat wel waar, maar dat is niet wat er wordt bedoeld in art. 3:7 BW. Dus afhankelijk
recht is nooit afhankelijk van zijn moeder. Waar is de afhankelijke recht dan wel afhankelijk
van?
Stel we hebben de eigenaar van een perceel grond. Die vestigt een recht van hypotheek ten
gunste van de bank. En dat recht van hypotheek is een afhankelijk recht. Het is niet
afhankelijk van zijn moeder, dus het is niet afhankelijk van mijn eigendomsrecht. Waar is dat
recht van hypotheek wel afhankelijk van? Afhankelijk van de vordering die de bank op jou
heeft. De bank heeft jou geld geleend dus die bank heeft een vordering op jou, een
vermogensrecht/ een vordering op naam. En die vordering zit in het vermogen van de bank.
Dat is het recht waarvan dat hypotheekrecht afhankelijk is. Dat is namelijk de hele reden dat
dat hypotheekrecht bestaat, dus dat die geldlening wordt terugbetaald. Want ik die bank
niet meer terugbetaal dan veilt die bank mijn huis. Dus die bank heeft die vordering +
hypotheekrecht uit mijn eigendomsrecht. Dus waar een beperkt recht altijd een hap uit de
taart is, en dan door zaaksgevolg kun je alleen nog maar die halve taart overdragen, is een
afhankelijk recht altijd iets extra’s boven op eigendomsrecht dat je hebt.
Bij afhankelijke rechten hebben niet zoveel pand en hypotheek. Erfdienstbaarheid is ook een
afhankelijk recht en hier kun je zowel afhankelijk recht en zaaksgevolg laten zien. Een
erfdienstbaarheid is een beperkte recht. Ten laste van welke erfdienstbaarheid is het
gevestigd? Het dienende erf, want die wordt bezwaard. Eigenaar van dienende erf moet
een deel van zijn genotsrechten afstaan aan X. Als eigenaar van dienende erf de boel
overdraagt, dan draagt hij de taart met punt eruit over dus zaaksgevolg. De eigenaar van het
, heersende erf die mag als eigenaar over zijn buurerf lopen en dat is een afhankelijk echt van
zijn eigendomsrecht. Oftewel als X zijn perceel aan Z verkoopt, dan verkoopt hij die
eigendom samen met die bevoegdheid om daarover heen te lopen. Dus als het ware met die
taartpunt erbij.
Overdracht
art.3:83 BW
Stel dat die assurantieportefeuille een goed is, is het dan ook overdraagbaar? Antwoord op
die vraag vind je in art. 3:83 BW. Als je tot conclusie komt dat het niet overdraagbaar is dan
kom je ook niet aan de toets van art. 3:84 toe.
Art. 3:84 BW kent 3 vereisten:
1. Geldige titel
2. Beschikkingsbevoegdheid
3. Levering
Levering:
Hoe je een object levert hangt af van welk object je levert.
Roerende zaak lever je anders dan een registergoed zie art. 3:90 BW
Register goed: notariële akte en inschrijven in de registers zie art. 3:89 BW
Vorderingsrecht: zie art. 3:94 BW.
Houderschap/bezitter
1. Ik heb een wetboek vorige week gekocht bij de boekhandel en heb het nu bij me. Wat ben
ik van dit wetboek? Eigenaar/onmiddellijke houder.
2. Ik geef dit boek te leen aan Sander. Wat ben ik nu van dat boek? Eigenaar/middellijke
houder.
3. Wat is Sander van het boek? Onmiddellijke houder.
4. Terwijl mijn boek bij Sander is, verkoop en lever ik het aan Ylon. Dat kan op 2 manieren. 1
daarvan is de Longa Manu levering uit art. 3:115 sub c BW. Wat is Ylon na die levering Longa
Manu? Eigenaar + middellijke bezitter. Sander is dan onmiddellijke houder.
5. Na levering Longa manu is mijn positie → Niks
6. Levering C.P.: Het boek ligt bij Sander. Ik verkoop en lever het aan Ylon via een c.p.
levering. Wat is de positie van Ylon na levering via verlengd cp? Eigenaar en middellijke
bezitter.
7. Wat is de positie van Sander? Onmiddellijke houder MIJ en dus niet voor Yvlon.
8. Wat is de positie van mij? Middellijke houder
Bij een normale levering c.p. waarbij ik mijn wetboek een Ylon c.p. zou leveren en je kijkt
naar art. 3:115 sub a. Dan zie je daar staan dat bij die levering de vervreemder voortaan voor
de verkrijger houdt. Oftewel ik houd dat ding onder mij. En we noemen dat
bezitsverschaffing want er is wel een tweezijdige verklaring geweest dat ik het voortaan voor
Ylon zou houden. Voeg je nou een derde aan toe waar dat boek fysiek ligt, dan kunnen Ylon
en ik die afspraak nog steeds maken. Ik ben nog steeds eigenaar/bezitter van dat boek en
kan dus nog steeds bezit verschaffen aan Ylon waarbij afspraak is dat ik het boek blijf
houden. Dus bij zo’n verlengd c.p. levering spreek Ylon en Ik bij de levering af dat ik het boek
houd, niet zelf maar via Sander. Dus Sander is onmiddellijke houder, want dar ligt het boek
nu. Die houdt het nog steeds voor mij en ik houd en nog steeds voor Ylon.
HR Blauwboer/Berlips: 19e eeuw was er op een veiling door twee broers (Berlips), land te
koop aangeboden in stukjes. Een van de koper was Blauwboer. Bij die koopovereenkomst
was er afgesproken dat de broers dat het gedeelde dat zij behielden zouden ophogen en
bestraten. Die afspraak werd door de Berlipsen niet nagekomen, eentje ging dood.
Blauwboer zegt aansprakelijk op wanprestatie. Het verweer was, dat is wel waar maar die
grond is niet meer van mij dus niet meer aansprakelijk. Die grond is overgedragen aan max,
dus Blauwboer moet naar haar toe. Maar dit kan niet, dat die verplichting is overgegaan op
max maar dit zou in strijd zijn met de scherpe scheiding goederenrecht en het
verbintenissenrecht. Als uitgangspunt: In het goederenrecht gaat het om absolute rechten
en verbintenissen relatieve rechten (één of meer bepaalde personen) Vb. Je zit op eiland
met één iemand, dan is er geen recht nodig. Verbintenisrecht = twee personen.
Goederenrecht = drie of meer personen.
Indeling van het BW kennen! (Dit bespaart tijd voor op tentamen)
Goederen
3:1 BW-definitie goederen. Waarom is dit van belang? Als iets geen goed is, dan is het
goederenrecht niet van toepassing. Hoe weten we wat die goederen zijn?
Goederen zijn zaken en vermogensrechten.
Zaken
3:2 BW: zaken zijn voor menselijke beheersing vatbare stoffen.
-Vb: Is een fles water zaak? Ja, want wel stoffelijk
-Vb: Is pils een zaak? Nee, is niet voor menselijke beheersing vatbare stof
-Vb: is een mens een zaak? Nee, mensen zijn rechtssubjecten
-Vb: is maan een zaak? Nee, het is niet voor menselijke beheersing vatbaar
-Vb: is een lijk een zaak? Nee
-Vb: Afgescheiden lichaamsdelen zijn zaken, dus niet bijvoorbeeld.
-Vb: zijn dieren zaken? Nee, maar wordt gelijkgesteld met zaak ex art. 3:2a BW. Dus in het
goederenrecht behandelen we dieren wel als zaken(symboolwetgeving)
Zaken moeten concreet individualiseerbaar
Vermogensrechten
Art.3:6
Voorbeelden zijn:
- vordering
- vorderingsrecht
- recht op naam
- Beperkte rechten
- IE-Rechten
- aandelen
Tentamenvraag: Is een assurantieportefeuille (samenstel van overeenkomsten en
vorderingen) te kwalificeren als zaak of als vermogensrecht?
,Een assurantieportefeuille vormt niet zodanig een goed dat overgedragen kan worden. Dus
ook geen zaak of vermogensrecht, want je moet eerst kijken of het een goed is ex art. 3:1 jo
3:2 BW. Deze vraag ligt trouwens voor de HR. Als de HR deze conclusie volgt, dan heeft de
bank pech.
Onderscheid roerend/onroerend
Art. 3:3 BW
HR Portacabin
Wat was het probleem? Er stond een gebouw en iemand dacht ik heb meer ruimte nodig. Bouw dus
een portacabin tegen dat gebouw aan en vervolgens kwam de vraag: is dat portacabin roerend of
onroerend? Als het onroerend is, dan is het gunstig voor de bank en als het roerend is dan is het
gunstig voor de fiscus om geld. HR zegt: als het gaat om onroerende dingen, dan is het in elk geval
zaken die duurzaam met het grond zijn verenigd. En in dat Portacabin arrest ging het om de vraag:
wat is dan duurzaam? En over vereniging hebben we HR Woonark + HR Havenkranen.
Voor duurzaam moet je kijken naar: de aard en de inrichting. Of het gebouw naar de aard en de
inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. (= bestemmingscriterium).
Is de portacabin bestemd om daar duurzaam te staan? Als je dat wil weten dan moet je kijken naar
de bedoeling van de bouwer voor zover naar buiten kenbaar. En de verkeersopvatting helpen
daaarbij maar zijn geen zelfstandige maatstaven.
Zaken
Art. 3:4 BW: iets kan 1 zaak worden als zie lid 2: Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden
wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt
toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak.
Of wel lid 1: dat het naar verkeersopvatting 1 zaak is geworden.
Voorbeeld: We hebben 1 wetboek nu in onze handen en hier zijn we allemaal over eens. We hebben
het dus niet over dat we een papier, inkt, lijm of karton hebben dus geen 4 zaken maar 1 zaak. En dat
is geregeld is in art. 3:4 BW. Daar heb je HR Depex als hulp bij nodig.
Registergoederen
Goederen zijn registergoederen als je voor de overdracht daarvan moet inschrijven in de daartoe
openbare registers.
- is een perceel een registergoed? Ja. Perceel grond is een onroerende zaak dus dat is sowieso een
registergoed.
- is een vliegtuig een registergoed? Niet alle vliegtuigen zijn registergoeden. Er zijn namelijk ook
vliegtuigen die niet te boek gesteld zijn en dat zijn dan roerende zaken. En dat zelfde geldt bij
schepen. Alleen als ze te boek zijn gesteld zijn het registergoeden.
- is een vrachtwagen een registergoed? Nee, voertuigen zijn wel geregisterd in het kentekenregister
maar als jij nalaat om bij de overdracht van een auto ook die overschrijving te doen, dan is die
nieuwe auto wel gewoon van jou. Die inschrijving van het kentekenregister zegt niks over die vraag
wie eigenaar van die auto is.
- is een pandrecht een registergoed? Nee, Verkeerd antwoord is in ieder geval: “pandrecht moet
ergens geregisterd worden”. Een vuistloos pandrecht kun tot stand brengen door een akte te laten
registeren bij de belastingdienst. Alleen die registratie eis bij zo’n pandrecht dat is iets anders dan
inschrijving in een daartoe bestemde openbare registers. En dat maakt dat een pandrecht geen
registergoed is. Zou het hypotheekrecht zijn dat je vestigt op registergoederen, dan is dat
hypotheekrecht zelf ook een registergoed. De belastingdienst voert bij een pandakte een stempel
erop en die stuurt hem dan weer terug. Dus de belastingdienst registreert alleen wanneer een
bepaalde akte is binnengekomen. Terwijl de openbare registers uiteindelijk al die akte daadwerkelijk
,integraal bewaart.
Beperkte rechten
Art. 3:8 BW
Wat onderscheidt boek 3 van boek 5? Boek 5 zijn zakelijke rechten en boek 3 gaat over
vermogensrechten. Dus die beperkte rechten uit boek 3 (vruchtgebruik, pand/hypotheek) kun je
vestigen op alle goederen. Terwijl je de beperkte rechten uit boek 5 alleen kan vestigen op zaken, en
meer in het bijzonder onroerende zaken. (opstal, erfdienstbaarheid, erfpacht)
Het verschil tussen zaaksgevolg en afhankelijkheid
Afhankelijkheid staat in art. 3:7 BW
Stel dat ik een auto heb, en ik geef iemand anders het recht van vruchtgebruik. Dus auto
laten verhuren bijvoorbeeld. Laten we zeggen dat dat ongeveer de helft van mijn
eigenaarsbevoegdheden vertegenwoordigd, dan gaat die halve taart naar diegene die dat
recht van vruchtgebruik heeft gekregen. Gaat het om erfpacht, dan zou je kunnen zeggen
dan heb je echt bijna die hele taart pakken.
Vruchtgebruik kan bij:
- vruchtgebruik op auto, als je auto huurt bijv.
- vruchtgebruik op huis, de huurkomsten
- vruchtgebruik op een lening, de rente is de vrucht
Een afhankelijk recht is een recht dat niet zonder dat andere recht kan bestaan (3:7). De
misvatting kan dan zijn: dat recht van vruchtgebruik, kan niet bestaan zonder moederrecht.
Ergens is dat wel waar, maar dat is niet wat er wordt bedoeld in art. 3:7 BW. Dus afhankelijk
recht is nooit afhankelijk van zijn moeder. Waar is de afhankelijke recht dan wel afhankelijk
van?
Stel we hebben de eigenaar van een perceel grond. Die vestigt een recht van hypotheek ten
gunste van de bank. En dat recht van hypotheek is een afhankelijk recht. Het is niet
afhankelijk van zijn moeder, dus het is niet afhankelijk van mijn eigendomsrecht. Waar is dat
recht van hypotheek wel afhankelijk van? Afhankelijk van de vordering die de bank op jou
heeft. De bank heeft jou geld geleend dus die bank heeft een vordering op jou, een
vermogensrecht/ een vordering op naam. En die vordering zit in het vermogen van de bank.
Dat is het recht waarvan dat hypotheekrecht afhankelijk is. Dat is namelijk de hele reden dat
dat hypotheekrecht bestaat, dus dat die geldlening wordt terugbetaald. Want ik die bank
niet meer terugbetaal dan veilt die bank mijn huis. Dus die bank heeft die vordering +
hypotheekrecht uit mijn eigendomsrecht. Dus waar een beperkt recht altijd een hap uit de
taart is, en dan door zaaksgevolg kun je alleen nog maar die halve taart overdragen, is een
afhankelijk recht altijd iets extra’s boven op eigendomsrecht dat je hebt.
Bij afhankelijke rechten hebben niet zoveel pand en hypotheek. Erfdienstbaarheid is ook een
afhankelijk recht en hier kun je zowel afhankelijk recht en zaaksgevolg laten zien. Een
erfdienstbaarheid is een beperkte recht. Ten laste van welke erfdienstbaarheid is het
gevestigd? Het dienende erf, want die wordt bezwaard. Eigenaar van dienende erf moet
een deel van zijn genotsrechten afstaan aan X. Als eigenaar van dienende erf de boel
overdraagt, dan draagt hij de taart met punt eruit over dus zaaksgevolg. De eigenaar van het
, heersende erf die mag als eigenaar over zijn buurerf lopen en dat is een afhankelijk echt van
zijn eigendomsrecht. Oftewel als X zijn perceel aan Z verkoopt, dan verkoopt hij die
eigendom samen met die bevoegdheid om daarover heen te lopen. Dus als het ware met die
taartpunt erbij.
Overdracht
art.3:83 BW
Stel dat die assurantieportefeuille een goed is, is het dan ook overdraagbaar? Antwoord op
die vraag vind je in art. 3:83 BW. Als je tot conclusie komt dat het niet overdraagbaar is dan
kom je ook niet aan de toets van art. 3:84 toe.
Art. 3:84 BW kent 3 vereisten:
1. Geldige titel
2. Beschikkingsbevoegdheid
3. Levering
Levering:
Hoe je een object levert hangt af van welk object je levert.
Roerende zaak lever je anders dan een registergoed zie art. 3:90 BW
Register goed: notariële akte en inschrijven in de registers zie art. 3:89 BW
Vorderingsrecht: zie art. 3:94 BW.
Houderschap/bezitter
1. Ik heb een wetboek vorige week gekocht bij de boekhandel en heb het nu bij me. Wat ben
ik van dit wetboek? Eigenaar/onmiddellijke houder.
2. Ik geef dit boek te leen aan Sander. Wat ben ik nu van dat boek? Eigenaar/middellijke
houder.
3. Wat is Sander van het boek? Onmiddellijke houder.
4. Terwijl mijn boek bij Sander is, verkoop en lever ik het aan Ylon. Dat kan op 2 manieren. 1
daarvan is de Longa Manu levering uit art. 3:115 sub c BW. Wat is Ylon na die levering Longa
Manu? Eigenaar + middellijke bezitter. Sander is dan onmiddellijke houder.
5. Na levering Longa manu is mijn positie → Niks
6. Levering C.P.: Het boek ligt bij Sander. Ik verkoop en lever het aan Ylon via een c.p.
levering. Wat is de positie van Ylon na levering via verlengd cp? Eigenaar en middellijke
bezitter.
7. Wat is de positie van Sander? Onmiddellijke houder MIJ en dus niet voor Yvlon.
8. Wat is de positie van mij? Middellijke houder
Bij een normale levering c.p. waarbij ik mijn wetboek een Ylon c.p. zou leveren en je kijkt
naar art. 3:115 sub a. Dan zie je daar staan dat bij die levering de vervreemder voortaan voor
de verkrijger houdt. Oftewel ik houd dat ding onder mij. En we noemen dat
bezitsverschaffing want er is wel een tweezijdige verklaring geweest dat ik het voortaan voor
Ylon zou houden. Voeg je nou een derde aan toe waar dat boek fysiek ligt, dan kunnen Ylon
en ik die afspraak nog steeds maken. Ik ben nog steeds eigenaar/bezitter van dat boek en
kan dus nog steeds bezit verschaffen aan Ylon waarbij afspraak is dat ik het boek blijf
houden. Dus bij zo’n verlengd c.p. levering spreek Ylon en Ik bij de levering af dat ik het boek
houd, niet zelf maar via Sander. Dus Sander is onmiddellijke houder, want dar ligt het boek
nu. Die houdt het nog steeds voor mij en ik houd en nog steeds voor Ylon.