Analyse van de Groninger hiv-zaak (HR 27 maart 2012, NJ 2012/301)
Is redelijke toerekening mogelijk bij alternatieve causaliteit (dus als het CSQN-verband niet direct is vast te stellen)?
De feiten
Als de strafrechter niet kan vaststellen dat die gedraging conditio sine qua non was voor het gevolg, dan is het uitgangspunt
dat het gevolg niet meer aan de verdachte toerekenbaar is . Maar dit hoeft niet altijd zo te zijn, alsnog kan het gevolg aan een
verdachte toe te rekenen zijn. Een belangrijk arrest in dit kader is het Groninger hiv-arrest. Het gaat hierbij om alternatieve
causaliteit.
Verdachte, J. en D. organiseerden in 2005 en 2006 regelmatig seksfeesten, gericht tot homoseksuele mannen. J. was besmet
met het hiv-virus en wist van zijn besmetting sinds april 2005. Verdachte was op de hoogte van deze besmetting en kwam op
een gegeven moment met het idee om anderen met het hiv-virus te besmetten. Dit idee heeft hij ook daadwerkelijk in daden
omgezet. W. was de eerste die ze doelbewust wilden besmetten. Vanaf augustus 2005 hebben verdachte en J. vier mannen
ingespoten of geïnjecteerd met het hiv-besmette bloed van J. Het bloed. Dit bloed dat werd ingespoten of geïnjecteerd, werd
telkens kort voor het inspuiten of injecteren door M. met een naald uit de arm van J gehaald. M., een verpleegkundige, zorgde
voor de benodigde spuiten en naalden, bepaalde op welke manier ingespoten werd en bepaalde de plek waar geïnjecteerd
moest worden.
De slachtoffers deden aangifte, waarop verdachte werd gedagvaard voor onder andere het opzettelijk en met voorbedachten
rade zwaar toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het oordeel van het gerechtshof
In hoger beroep werd door zowel de advocaat-generaal als door de verdediging betoogd dat er onvoldoende bewijs was voor
een causaal verband tussen het inspuiten en injecteren en de hiv-besmetting. Het was onvoldoende uit te sluiten dat de
slachtoffers op een andere manier dan via het inspuiten of injecteren van het bloed van medeverdachte J. waren besmet. Het
hof oordeelt echter anders en baseert zich hierbij met name op een deskundigenrapport van een internist, waarin wordt
vermeld dat de kans op besmetting via bloed vele malen hoger is dan via onbeschermde anale seks door iemand zonder
virusremmers. Het hof oordeelt hierop dat de gedragingen van de verdachte ‘(…) naar zijn aard (uitermate) geschikt was om
een hiv-besmetting teweeg te brengen of het gevaar daarvoor significant te vergroten’. Causaal verband wordt daarom in
beginsel aangenomen, tenzij er een alternatief scenario valt aan te wijzen. Dit was echter niet het geval:
Dat de aangevers bij (één van) die gelegenhe(i)d(en) door onbeschermd seksueel verkeer besmet zijn geraakt is weliswaar niet
ondenkbaar, maar de kans op die mogelijkheid is – gezien de hiervoor weergegeven, door de deskundige Danner genoemde,
verhoudingen – van een geheel andere orde dan bij inspuiten/injecteren van hiv-besmet bloed.
De Hoge Raad
Ondanks voornoemde beslissing, is de zaak toch op het bordje van de Hoge Raad gevallen. De Hoge Raad schetst allereerst het
juridische kader van de causaliteit. Bij het toerekenen van een gevolg aan (een gedraging van) een verdachte is ten minste
vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het
gevolg hebben geleid en ook dat aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de
gedraging van de verdachte is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van
waarschijnlijkheid, hangt af van de omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling hiervan kan als hulpmiddel dienen of de
gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen.[8] Daarbij kunnen alternatieve
scenario’s ook worden betrokken.
Voor wat betreft de causaliteit in de zaak van verdachte, oordeelt de Hoge Raad dat onvoldoende is gemotiveerd dat de
gedragingen van de verdachte daadwerkelijk het ingetreden gevolg ten aanzien van ieder van de aangevers heeft
bewerkstelligd. Dat de kans op hiv-besmetting door gedragingen van derden veel geringer is in verhouding tot de kans op
,besmetting door de gedragingen van de verdachte, betekent nog niet dat die eerstbedoelde kans zo klein is, dat ‘daaraan als
hoogstonwaarschijnlijk kan worden voorbijgegaan’.
De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof Arnhem. Op basis van de overwegingen van de Hoge Raad komt het hof
toch tot de conclusie dat het causaal verband tussen de gedragingen van de verdachte (het inspuiten of injecteren) en het
ingetreden gevolg (de hiv-besmetting) niet kon worden aangetoond. Daarom wordt de verdachte vrijgesproken van het
opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Wel kon een poging hiertoe worden bewezen
verklaard.
Nasleep:
Wat vooral belangrijk is aan dit arrest is dat de HR hier criteria heeft ontwikkeld voor alternatieve causaliteit (dus als er ook
andere schakels/gedragingen zijn, die mogelijk ook de oorzaak kunnen zijn geweest voor het gevolg, waardoor de CSQN niet
met zekerheid is vast te stellen. Er kan hier namelijk niet met zekerheid vastgesteld worden dat de besmetting alleen door de
gedraging van de verdachte is veroorzaakt of ook door gedragingen van derden (bijvoorbeeld onbeschermd seksueel
Het gaat dus in de Groninger hiv-zaak om de leerstukken van conditio sine qua non (feitelijke causaliteit) en redelijke
toerekening (juridische causaliteit) in het geval van alternatieve causaliteit.
Dat betekent echter niet automatisch dat er geen toerekening kan plaatsvinden, maar wel dat er extra criteria nodig zijn.
De hoge raad formuleerde in het arrest Groniger HIV daarbij dat toerekening in dit soort gevallen alleen mogelijk is als:
1) De gedraging van de verdachte een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg
hebben geleid. .Dit betekent: de gedraging kan de conditio sine qua non zijn geweest (het is niet uitgesloten dat
verdachte de noodzakelijke oorzaak was).
en
2) Het ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de
verdachte is veroorzaakt. Of er sprake is van aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid hangt af van de concrete
omstandigheden van het geval, zoals bijvoorbeeld de geschiktheid van de gedraging om het gevolg te bewerkstelligen
en de mate waarin de alternatieve oorzaken hoogst onwaarschijnlijk zijn. Indien het causale verband ontbreekt, kan
slechts een poging worden bewezen. De Hoge Raad geeft wel richting: men kan als hulpmiddel kijken of de gedraging
van de verdachte naar haar aard geschikt is om het gevolg teweeg te brengen, en volgens ervaringsregels van dien
aard is dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze tot het gevolg heeft geleid . Dit is een vrij technisch
geformuleerde eis, maar betekent dat het handelen van verdachte typisch een bekende manier moet zijn om zo’n
gevolg te veroorzaken én dat het gebeurde past in een patroon dat men zou verwachten als verdachte inderdaad de
oorzaak was. In deze zaak voldeed het handelen van M. en J. hier duidelijk aan: het
injecteren van besmet bloed is naar zijn aard zeer geschikt om hiv over te dragen, en de vrijwel directe
daaropvolgende vaststelling van hiv bij de slachtoffers wekt sterk het vermoeden dat de injecties effectief waren .
De Hoge Raad heeft in dit arrest bevestigd dat onzekerheid over de feitelijke causaliteit niet per se betekent dat geen
juridische toerekening meer mogelijk is, maar dat het extra criteria voor nodig zijn.
Hoe meer het handelen van verdachte de waarschijnlijkheid van het gevolg vergroot, des te eerder kan toerekening
gerechtvaardigd zijn. Tegelijkertijd geldt dat men méér moet kunnen zeggen dan dat niet uitgesloten kan worden dat het
gevolg door de gedraging is veroorzaakt . Er moet positiever bewijs zijn dan louter “het zou kúnnen dat verdachte de oorzaak
was”. In de woorden van de HR: “enerzijds moet bepaald meer worden vastgesteld dan dat niet kan worden uitgesloten dat het
gevolg door de gedraging is veroorzaakt” (HR 3 juni 2008, NJ 2008/343).
Anderzijds hoeft ook niet elke hoogst onwaarschijnlijke alternatieve oorzaak in de weg te staan aan causaal verband . Een
extreem vergezochte mogelijkheid die vrijwel uit te sluiten is, mag men negeren. Zo oordeelde de HR eerder dat een hoogst
onwaarschijnlijke andere omstandigheid die geen verband houdt met verdachtes gedraging het causale verband niet hoeft te
doorbreken (
, Bloedvergiftiging arrest
Wat gebeurde er (kort de feiten)
- Verdachte steekt het slachtoffer in de rug
o -> klaplong + bloeding borstholte
- Slachtoffer ligt 5 dagen in het ziekenhuis en verlaat dan het ziekenhuis
- 6 dagen later heropname -> overlijdt aan algeheel orgaan falen bij ernstige sepsis (bacteriële infectie /
bloedvergiftiging)
Procesverloop
Hof Amsterdam
- Vrijspraak doodslag (primair) wegens ontbreken causaal verband
- Motief: deskundigen konden niet met zekerheid zeggen dat de infectie door de messteek/ziekenhuis was veroorzaakt.
Het is in theorie mogelijk dat de bacterie ook buiten het ziekenhuis was opgelopen.
- Conclusie hof: de mogelijkheid blijft bestaan (hoe klein en onwaarschijnlijk ook) dat het slachtoffer, anders dan door
het toebrengen van de messteek door verdachte, voornoemde bacteriële infectie heeft opgelopen, bijvoorbeeld
buiten het ziekenhuis nadat hij op 2 juni 2004 was ontslagen. Het causale verband kon daarom volgens het Hof niet
met zekerheid worden vastgesteld -> geen toerekening.
Hoge Raad
- Vernietigd de uitspraak op dit punt
- Kern: het hof heeft de verkeerde maatstaf aangelegd. Een hoogst onwaarschijnlijke alternatieve mogelijkheid staat
bewezenverklaring van causaal verband niet in de weg. Je hoeft dus niet elk mogelijke kleine andere oorzaak te
onderzoeken.
- Ook als de directe doodsoorzaak “sepsis” is, kan er toch een toerekenbaar verband bestaan tussen messteek (en
noodzakelijke medische behandeling) en de sepsis/dood.
- De HR zegt dus: redelijke toerekening is leidend; absolute zekerheid en het uitsluiten van elk theoretisch alternatief
zijn niet vereist. De rechter hoeft niet elk denkbaar alternatief uit te sluiten. Alleen reële of waarschijnlijke
alternatieven kunnen het verband blokkeren; hoogst onwaarschijnlijke alternatieven niet.
De rechtsvraag
Is het ontbreken van absolute zekerheid over de precieze oorzaak (wegens een theoretisch alternatief, hoe klein ook)
voldoende om het causaal verband tussen messteek en dood af te wijzen?
Antwoord HR: Nee. Een hoogst onwaarschijnlijk alternatief blokkeert het causaal verband niet.
Gevolg
HR vernietigt de vrijspraak op dit punt en wijst terug: het hof moet opnieuw beoordelen met de juiste norm.
Aortaperforatie arrest
Essentie
Dit arrest draaide voornamelijk om het causaal verband tussen een messteek en de dood van het slachtoffer. Ook speelde de
redelijke toerekening een belangrijke rol. In casu werd een man neergestoken. Dit veroorzaakte een tweetal wonden: één aan