Thema: Hoe denken we moreel na over zorg en onderwijs?
1. Wat is ethiek?
Ethiek is de systematische studie van wat goed en fout is in menselijk handelen.
Binnen de ethiek onderscheiden we drie niveaus:
Niveau Beschrijving Voorbeeld
Meta-ethiek Reflectie op de aard van morele “Is moreel goed hetzelfde als
uitspraken: Bestaan er morele feiten? Wat wat de meerderheid goed
betekent “goed” eigenlijk? vindt?”
Normatieve ethiek Probeert principes of regels op te stellen Utilitarisme, deugdethiek,
die richting geven aan moreel juist plichtethiek
handelen.
Toegepaste ethiek Past morele principes toe op concrete Ethiek in de klas, medische
(applied ethics) situaties in de praktijk. ethiek, rechtspraak
2. Toegepaste ethiek in zorg en onderwijs
Toegepaste ethiek vertaalt algemene morele principes naar specifieke contexten.
Bijvoorbeeld: “Wat wordt er van mensen verwacht in deze situatie?”
Voorbeelden:
● Code of conduct: gedragsregels (zoals regels in de klas of beroepscodes).
● Wetten (bijv. in de rechtspraak).
● DSM-5: classificatiesysteem voor psychische stoornissen – beïnvloedt hoe we over gedrag
oordelen.
Deze vragen behoren tot normatieve ethiek:
→ Wat zou de standaard moeten zijn voor goed handelen?
,3. Moral reasoning – Moreel redeneren
Moral reasoning betekent: nadenken over morele kwesties op een systematische manier.
Daarbij gebruiken we instrumenten uit de “scientistic toolbox”:
Instrument Uitleg Voorbeeld
Thought Hypothetische situaties om Het Euthyphro-dilemma (komt goed van
experiments morele intuïties te testen. God, of is iets goed omdat God het wil?)
Informele logica Argumentatie gebaseerd op Vergelijking van seksueel gedrag bij dieren
observatie en redenering. om menselijk gedrag te begrijpen.
Formele logica Strikte logische redenering “Als alle mensen gelijk zijn, dan moeten
(premissen → conclusie). ook alle leerlingen gelijk behandeld
worden.”
Speciale morele Zoals universalizability (zou dit “Uit feiten (‘ADHD komt vaker voor bij
argumenten altijd gelden?) en de fact-value jongens’) kun je niet automatisch waarden
distinction. afleiden (‘jongens zijn drukker, dus dat is
slecht’).”
4. Casus: ADHD als moreel vraagstuk
De diagnose ADHD roept diverse morele en normatieve vragen op:
● Langetermijneffecten van medicatie – is het verantwoord om jonge kinderen langdurig te
behandelen?
● Inclusie vs. exclusie in onderwijs – moeten kinderen met ADHD apart worden gezet of juist
geïntegreerd?
● Gelijkheid in het onderwijs – krijgen alle kinderen gelijke kansen?
● Doel van onderwijs – is het doel aanpassen aan normen, of ruimte geven aan verschillen?
Belangrijke begrippen:
● Ecological fallacy → de fout om conclusies over individuen te trekken op basis van
groepsgegevens.
Voorbeeld: als onderzoek zegt dat gemiddeld mensen met ADHD kleinere hersenen hebben,
betekent dat niet dat elk individu met een klein brein ADHD heeft.
,
● Fact-value distinction → onderscheid tussen feiten (“wat is”) en waarden (“wat zou moeten
zijn”).
Feit: ADHD komt voor. Waarde: we moeten mensen met ADHD gelijkwaardig behandelen.
5. Utilitarisme (Jeremy Bentham)
Het utilitarisme is een invloedrijke vorm van normatieve ethiek.
De kernvraag:
Welke handeling levert het grootste geluk voor het grootste aantal mensen op?
Basisprincipes
● Jeremy Bentham (18e eeuw): grondlegger van het klassiek utilitarisme.
● Doel: “The greatest happiness for the greatest number.”
● Iedereen telt even zwaar – geen onderscheid tussen personen.
● Happiness = pleasure (genot) is het hoogste goed.
→ Wat goed is, is dat wat plezier vergroot en pijn vermindert.
Twee onderdelen:
Theorie Betekenis Inhoud
Theory of the Wat is goed op Alleen plezier is intrinsiek goed; pijn is intrinsiek slecht.
Good zichzelf?
Theory of the Wat is juist Handelen is juist als het leidt tot zoveel mogelijk plezier
Right handelen? voor zoveel mogelijk mensen.
6. Bentham’s Felicific Calculus
Bentham stelde dat je geluk kunt berekenen aan de hand van 7 criteria:
Nr. Criterium Betekenis
1. Duration Hoe lang duurt het genot of de pijn?
, 2. Intensity Hoe sterk is het genot of de pijn?
3. Propinquity (nearness) Hoe snel treedt het genot of de pijn op?
4. Extent Hoeveel mensen worden geraakt?
5. Certainty Hoe zeker is het dat het genot of de pijn optreedt?
6. Purity Hoe vrij is het genot van pijn (of omgekeerd)?
7. Fecundity Leidt het genot tot meer genot in de toekomst?
7. Utilitaristisch denken in de praktijk
Utilitarisme komt vaak terug in maatschappelijke beslissingen waarbij belangen van velen worden
afgewogen:
Voorbeelden:
● Kosten-batenanalyse – welke keuze levert het meeste voordeel op voor de meeste mensen?
● Democratie – de meerderheid bepaalt (maximaliseert collectief geluk).
● Ethische dilemma’s in zorg en veiligheid:
○ Marteling bij ondervragingen (torture: mag dat als het levens redt?)
○ COVID-pandemie: afweging tussen volksgezondheid en individuele vrijheid.
Het utilitarisme blijft dus een invloedrijke stroming binnen de normatieve ethiek, ook in zorg en
onderwijs.
✏️ Begrippenlijst college 1