hoofdstuk 1
paragraaf 1 – gedrag en overleven
Elk diersoort heeft een eigen taal, waarmee ze het gedrag van hun soortgenoten
beïnvloeden. Alles wat een mens of dier doet/nalaat, is gedrag! Gedrag heeft
sociale functies en het verhoogt de overlevingskansen van een individu en
daarmee ook van de soort.
Nieuwe dingen, roept spanning op. Mensen gebruiken dan ritueel gedrag, dat is
bedoeld om spanning te verminderen of te voorkomen. Dat gedrag bestaat uit
een aantal handelingen in een bepaalde vaste volgorde ( de situatie bepaalt het
ritueel).
Signalen, prikkels met informatie voor soortgenoten, begrijpen wij perfect.
Dieren die in groepen leven hebben dat ook. Bijvoorbeeld wolven, de hoogte van
de staart geeft de rangorde aan. De dominante wolven hebben hun der staart
omhoog en de niet dominante steeds verder omlaag! Een rangorde brengt
voordeel voor de roedel en het individu, je kent dan je taakverdeling. Ze kunnen
gezamenlijke jacht organiseren, prooien overmeesteren, en der jongen voeden,
wat zorgt voor een grotere overlevingskans. Door deze signalen hebben wolven
een goede communicatie.
Deze signalen zijn ook belangrijk voor baltsgedrag, paringsgedrag en
broedzorg!
Baltsgedrag: gedrag wat voorbereid op paren.
Paringsgedrag: seksueel gedrag om jongen te maken.
Broedzorg: één of beide ouders zorgen op een bepaalde manier voor
nageslacht. (bijv. broeden op ’n ei)
Dieren hebben een territorium, hun eigen leefgebied, die ze beschermen door
signalen. Het vergroot de overlevingskansen. Als er een in het territorium van de
ander wilt komen, vertonen ze dreiggedrag, dat is een agressieve houding
waarmee ze aangeven dat ze de baas zijn. Het is bedoeld om een gevecht te
voorkomen, want het kan tot erge verwondingen leiden, en je weet van te voren
niet wie zou winnen. Meestal vlucht de indringer.
Paragraaf 2 – prikkels
Gedrag ontstaat als reactie op prikkels, je hebt inwendige (prikkels van binnenuit het
lichaam) en uitwendige prikkels (prikkels van buiten uit het lichaam) De reactie op een
prikkel heet een respons.
Een prikkel die altijd hetzelfde gedrag tot gevolg heeft, heet een sleutelprikkel
(bijv. als je eten op is, ga je automatisch voedsel zoeken). Soms zijn die prikkels
extreem, zo’n versterkte sleutelprikkel met extra sterke respons, zorgt voor een
supernomale prikkel.
Als je honger hebt, krijg je motivatie eten te zoeken, uiteindelijk neemt de honger
zo toe, dat het de drempelwaarde bereikt, je gaat dan voedsel zoeken.