seksualiteit
Paragraaf 1 – van eicel tot baby
Eens per maand komt er uit een van beide eierstokken (ovaria) een eicel vrij: de
eisprong of ovulatie. De eicel komt in de eileider terecht. Bij de zaadlozing
komen miljoenen zaadcellen vrij, die zwemmen naar de eileiders. Eén van alle
zaadcellen bevrucht de eicel. De chromosomen uit de zaadcel komen in de kern
bij de chromosomen van de eicel, Bevruchting!
Gelijk na de bevruchting vormt de bevruchte eicel de zygote, het
bevruchtingsmembraan (laag om celmembraan), het voorkomt bevruchting door
een 2e zaadcel. Na 30 uur deelt de zygote, en is het een embryo.
De dochtercellen delen ook. Na een mitose maken deze cellen geen cytoplasma
meer, zodat na elke deling de cellen kleiner zijn, dit heet klievingsdeling. Na
drie dagen is er een klompje van 16 cellen gevormd, trilhaarcellen duwen dat
klompje in ongeveer 5 dagen naar de baarmoeder. Wanneer het daar aankomt,
bestaat het klompje uit ongeveer 100 cellen. Alle cellen bewegen naar de
buitenkant, zodat de blastula vormt (holte). De buitenste cellaag van de blastula
vormt vlokken, die groeien het baarmoederslijmvlies in, innesteling. In de
blastulaholte groeit de baby.
Rond de vlokken vormen bloedholten, die samen met de uitstulpingen van de
blastula uitgroeien tot de placenta. In de placenta vindt stofwisseling plaats,
de bloedsomloop van de moeder en embryo blijft gescheiden. De navelstreng
verbindt via 3 bloedvaten het embryo met de placenta. De
navelstrengslagaders vervoeren bloed met CO2 en andere afvalstoffen terug
van het embryo naar de moeder, en de navelstrengader brengt bloed met
voedingsstoffen en O2 naar het embryo.
Tijdens de embryonale ontwikkeling specialiseren cellen zich en krijgen een eigen
bouw en functie. Na ongeveer twee maanden zijn alle organen aangelegd en heet
het embryo een foetus. De foetus drijft in vruchtwater, wat samen met de
vruchtvliezen de foetus beschermen tegen stoten en uitdroging.
Het geslacht van de baby hangt af van de geslachtshormonen, beide
geslachten hebben 44 chromosomen + 2 geslachtschromosomen. Jongens
hebben een X en Y-chromosoom, en meiden twee X-chromosomen. De
kenmerken waaraan je het geslacht kunt herkennen zijn de primaire
geslachtskenmerken.
In de puberteit ontwikkelen de secundaire geslachtskenmerken. Bij jongens
ontwikkelen door de geslachtshormonen de uitwendige geslachtsorganen ( penis
en balzak met de zaad- en bijballen). Vanaf de pubertijd maakt de zaadballen
zaadcellen, de zaadballen zijn voor de geboorte vanuit de buikholte de balzak
ingedaald (nodig om goede zaadcellen voor 2℃ onder lichaamstemperatuur te vormen).
in de bijbal worden de zaadcellen opgeslagen. Bij seksuele opwinding vullen de
zwellichamen met bloed en wordt de penis stijf (erectie), mannen kunnen dan
klaarkomen (orgasme).
, Ook bij meiden ontwikkelen de secundaire geslachtskenmerken. Vanaf de
puberteit ontwikkelt iedere maand in een van de eierstokken een eicel.
Onbevruchte eicellen sterven binnen 24 uur af. Zonder bevruchting, wordt het
baarmoederslijmvlies (klaar voor innesteling) afgestoten, je krijgt je menstruatie.
Tussen de binnenste schaamlippen licht de clitoris, dit orgaan heeft inwendige
zwellichamen die opzwellen bij opwinding. Vrouwen kunnen een orgasme krijgen.
Je ontwikkelt ook je tertiaire geslachtskenmerken. Je veranderd geestelijk, je
vormt je eigen oordeel over waarden en normen.
Deze geslachtskenmerken staan los van de andere, je kunt daarom verschillen
hebben in seksuele voorkeur. Het merendeel is heteroseksueel. 5 à 10% is
lesbisch/homoseksueel. Wanneer je je tot beide geslachten seksueel
aangetrokken voelt, ben je biseksueel. Sommige mensen willen het andere
geslacht zijn, ze zijn transgender. Wanneer iemand een combi van mannelijke
en vrouwelijke geslachtsdelen heeft, heet dat intersekse.
Paragraaf 2 – vorming van geslachtscellen
Voor de geboorte liggen de zaadballen in de buikholte, die dalen af in de balzak,
gebeurt dat niet, kan dat problemen geven bij de zaadcelproductie.
Lichaamscellen bevatten 46 chromosomen en zijn diploïd (2n). ze bevatten 23
paar gelijke chromosomen. Voor elk paar geld:
- Een van beide is afkomstig van vader, de andere van moeder.
- Beide chromosomen hebben informatie over dezelfde erfelijke
eigenschappen.
Geslachtscellen hebben van elk chromosomenpaar maar één chromosoom. Ze
bestaan dus uit 23 chromosomen en zijn haploïd (1n). deze cellen bevatten alle
erfelijke informatie. Na de bevruchting bevat de zygote 23 chromosomen van de
vader en 23 van de moeder, en is dus diploïd met 46 chromosomen per cel.
Haploïde geslachtscellen ontstaan door de meiose/reductiedeling (binas
76B2). Bij jongens begint dit in de puberteit, bij meiden al voor de geboorte.
Voorafgaand aan een meiose verdubbelt het DNA in diploïde cellen. Alle 46
chromosomen bestaan daarna uit twee chromatiden. De meiose bestaat uit 2
stappen, meiose I en meiose II. In meiose I sorteert de diploïde cel de paren. Alle
chromosomenparen gaan uit elkaar, en je krijgt 23 chromosomen. Dan volgt
meiose II, de chromatiden gaan uit elkaar, en je krijgt vier haploïde cellen.
Als de moeder in haar eicel meer chromosomen van haar vader had, dan van
haar moeder, lijkt het kind meer op die oma dan opa. Het kind is wel alsnog een
‘remix’ van beide ouders en opa’s en oma’s, dit het recombinatie.
Er worden vanaf de puberteit zo’n 80 miljoen zaadcellen per dag gemaakt. De
zaadballen bestaan uit dunne zaadbuisjes, met daartussen hormoonvormende
cellen. In de zaadbuisjes vormen zaadcellen. De wand van de zaadbuisjes
bevatten duizenden cellen die door constante deling (mitose) niet opraken. uit
een deel van die cellen ontstaan voorlopercellen van zaadcellen. Zaadcellen
blijven bewaard in de bijballen.