Paragraaf 1
Productie
Hoeveel energie er wordt geproduceerd op elk trofisch niveau van een
voedselketen. Je begint bij de producenten. De producenten doen fotosynthese,
de totale geproduceerde suikers, heet de bruto primaire productie (BBP). Een
deel van die suikers moet gebruikt worden voor verbranding ( dissimilatie), een
klein deel blijft dus over voor de planten. Het overgebleven deel is de Netto
primaire productie (NPP).
NPP = BBP - dissimilatie.
De producent wordt gegeten door de consument, de consument krijgt dus die
suikers/energie (NPP) binnen. Niet alle energie kan gebruikt worden, een deel
poept ie uit, een ander deel wordt verbrand, en het overige deel wordt
vastgelegd in de biomassa (kan tie gebruiken om te groeien). Dat deel heet de
secundaire productie, omdat het de tweede stap in de voedselketen is. Je gaat
dan door naar het volgende trofische niveau, en je ziet dat dan maar ongeveer
10% van die energie meegaat naar dat niveau.
In de voedselketen zitten ook reducenten! Dat zijn
schimmels en bacteriën, die de dode resten van alle andere
organismen afbreken. Zoals dode dieren, bladeren, haren, etc.
Ze halen daar hun voedingsstoffen uit, die zij gebruiken voor
hun verbranding. Mineralen blijven over.
Piramide van biomassa
Per trofisch niveau, gaat er minder biomassa naar het
volgende trofische niveau. Je krijgt een piramide.
Je kunt ook de energiestroom van ieder organismen in ’n figuur
weergeven. Dat is een energiestroomschema. Het plaatje
hieronder is een voorbeeld, in dit geval ga ik het uitleggen voor
planten.
Bij onderkant, I, gaat het om de opgevangen zonne-energie door
de plant. Bij F, raak je gelijk al een deel kwijt, omdat dat
zonlicht niet gebruikt kan worden. De rest gaat door, dat is de
zonne-energie die wordt gebruikt voor fotosynthese, die wordt
vastgesteld in de vorm van glucose (BBP!). De P is de energie
die overblijft voor de biomassa, die energie gaat eventueel door
naar het volgende trofische niveau als de plant wordt opgegeten
(NPP)
, Paragraaf 2
Koolstofkringloop.
Anorganische stoffen: moleculen met één of nul C-atomen
Organische stoffen: moleculen met twee of meer C-atomen.
Je hebt een snelle en een langzame koolstofkringloop!
Snelle:
Koolstofdioxide wordt door
producenten opgenomen, en gebruikt
voor fotosynthese (1). Die glucose
kan worden omgezet naar andere
organische stoffen, of worden
verbrand (2). Als de plant gegeten
wordt door de consument, krijgt de
consument de organische stoffen
binnen. Die glucose wordt verbrand,
waarbij koolstofdioxide vrijkomt. Bij de
planten en dieren, kunnen er dode
resten ontstaan, de reducenten breken
die resten af, halen daar hun energie uit,
en er komt koolstofdioxide in de lucht door
verbranding (4).
langzaam:
de planten op het land, en het leven in de
zee, de dode resten, komen op de bodem,
waar het de hele tijd blijft. Koolstof
verdwijnt dus op de bodem, wat heel lang
duurt voordat het weer vrijkomt. Het kan
dat het olie of gas wordt, die olie en gas
verbranden wij weer, waarbij
koolstofdioxide in de lucht komt. Die
nemen de bomen weer op, etc.
koolstofkringloop in water:
CO2 lost geleidelijk op in
zeewater, er ontstaat
HCO3-. Producenten
gebruiken dat voor
fotosynthese, en dieren