Paragraaf 1- fossielen en hun ouderdom
Fossielen zijn afdrukken van organismen in gesteenten. fossilisatie ontstaan
wanneer gedierte dood gaan, en worden bedekt met aarde/sediment. Er komt
geen zuurstof bij, waardoor de harde delen niet kunnen verteren. De harde delen
verstenen.
Je kunt er op 2 manieren achter komen hoe oud de fossielen zijn:
1. Relatieve ouderdomsbepaling: je kijkt in de laag waar ze liggen, je kunt
schatten hoe oud de fossielen ongeveer zijn, door de gidsfossielen,
gidsfossielen zijn fossielen waarvan je weet hoe oud ze zijn. De
gidsfossielen liggen op dezelfde laag, en zijn dus ongeveer even oud.
2. Absolute ouderdomsbepaling: je doet dit door isotopen, sommige
vormen zijn radioactief, en andere niet. Je weet hoelang radioactieve
isotopen erover doen om te veranderen naar een andere stof. Door de
verhouding van normale tot radioactieve isotopen te bestuderen, kun je
zien hoe lang geleden het dier geleefd heeft.
Paragraaf 2 – populaties veranderen
Door mutaties ontstaan genvarianten (allelen), er ontstaan nieuwe
eigenschappen. Die nieuwe eigenschappen kunnen invloed hebben op de
overlevingskansen, dit kan positief en negatief zijn. Er zijn mutagene
invloeden, dat zijn invloeden in de omgeving die zorgen dat mutaties vaker
voorkomen. Er zijn verschillende soorten mutaties, want mutaties kunnen op
verschillende manieren en plekken plaatsvinden.
- Puntmutatie: tijdens het kopiëren van het DNA, wordt er ergens iets
verkeerd geschreven, ergens n letter wordt afgehaald, of erbij gezet. Dit
kan leiden tot eiwitten met een andere bouw, waardoor het niet/anders
werkt.
- Chromosoommutatie: er worden meerdere basen/meerdere genen
verdubbelt, omgekeerd, gehecht aan een andere chromosoom, of het
verdwijnt. Dit is meestal schadelijk.
- Genoommutatie: tijdens de meiose gaat er iets verkeerd, waardoor
sommige geslachtscellen worden gemaakt met een chromosoom teveel of
te weinig. Dit kan leiden tot het syndroom van down en turner-syndroom.
- Tetraploïde planten/plantenveredeling: er gaat iets fout bij de mitose,
waardoor de chromatiden aan elkaar vast blijven zitten. Je krijgt cellen met
een dubbele hoeveelheid chromosomen.
Er is ook nog een andere manier waarop de chromosomen combinatie veranderd
kan worden. Dit is recombinatie, dit gebeurt tijdens de celdeling van de meiose.
Beide ouders geven in een willekeurige combinatie de helft van hun
chromosomen door aan hun nakomeling. Deze recombinatie van chromosomen
en daarmee ook van allelen geeft de nakomeling een combinatie aan
eigenschappen die zo niet samen bij de ouders voorkomen. Binnen een