Aantekeningen Hoorcollege psychologie
Hoorcollege 3.1
Deel 1: Inleiding
De leeftijdsfasen liggen niet in elk land hetzelfde, en het is niet dat als een
kind bijvoorbeeld net 2 is geworden dat het gelijk geen baby meer is.
Je hebt 3 verschillende soorten ontwikkelingsgebieden:
Motorische ontwikkeling
- Ontwikkeling van het lichaam,
- Grove motoriek (zwemmen, lopen), fijne motoriek (schrijven,
knippen)
- Zintuigen.
Cognitieve ontwikkeling
- De abstracte wereld van waarnemen, verwerken, onthouden en
terughalen
- Taalontwikkeling
- Creativiteit
Sociale ontwikkeling
- Hoe je jezelf ziet in een wereld met anderen
- Emotionele ontwikkeling
- Morele ontwikkeling = wat is goed en kwaad
- Identiteitsontwikkeling
Nature vs nurture (aangeboren vs aangeleerd). Het leven is een
combinatie van beide. Dit was vroeger niet vanzelfsprekend.
Intelligentie
- Duidelijke relatie tussen genen en iq
- Invloed genen neemt toe gedurende het leven
- Daarnaast sterke invloed van omgevingsfactoren
,Persoonlijkheid
- Big Five: O = openheid vs geslotenheid. C = consciëntieusheid vs
ongeorganiseerdheid. E = extraversie vs introversie. A =
aangenaam vs ongemakkelijk in de omgang. N = neuroticisme vs
emotionele stabiliteit. Sterke genetische invloed extraverte en
neuroticisme.
- Invloed omgeving, bijv ouders
Verband genen en gedrag
We worden geboren met verschillende eigenschappen, baby’s zijn
geprogrammeerd om veel dingen te leren. Dit hebben we te danken aan
de evolutie. Darwins uitvinding was dat eigenschappen van soorten
doorgegeven worden op volgende generaties. Adaptieve kenmerken zijn
kenmerken die zich in de loop van de evoluties hebben ontwikkeld die wij
als mens nodig hebben gevolg van natuurlijke selectie.
Genotype: genen van vader en moeder. De bouwtekening waarop er
precies staat hoe een kind gevormd gaat worden.
Fenotype: waarneembare kenmerken (fysiek en gedrag). Dit is dus hoe je,
ondanks de bouwtekening, uiteindelijk geworden bent.
Temperamenten = manier hoe je reageert op je omgeving, of je gevoelig
bent of niet.
Erfelijkheid en omgeving
- Van genotype naar fenotype. Je kan uiteindelijk havo of vwo aan
- Multi-factoriele overerving: genotype (aanleg) is marge
waarbinnen fenotype zich kan manifesteren. Het is de combinatie
van genen en omgevingsfactoren dat invloed heeft op de
eigenschappen die een kind ontwikkeld. De genen geeft het bereik
aan.
Genotype-omgevingseffecten
- Actief: kind richt zich op omgeving die bij genen past (extravert kind
eerder naar feestjes)
- Passief: genen ouders (sportief) zullen kind eerder op voetbal ‘doen’.
Stel de ouders zijn heel extravert dan ontwikkeld een kind zich ook
meer omdat ze in contact komen met veel andere mensen.
- Evocatief: genen kind roepen bepaalde omgeving op (een extravert
kind wordt ook eerder op feestjes uitgenodigd).
Deel 2: lichamelijke groei
,Motorische ontwikkeling
- Reflexen: niet aangeleerde (aangeboren), gestructureerde,
onvrijwillige (automatische) responsen/ reacties die optreden in de
aanwezigheid van bepaalde stimuli (prikkels). Bijv zuigreflex.
Sommige reflexen blijven het hele leven (pupilreflex, ooglidreflex),
andere verdwijnen in 1e levensjaar.
- Basis voor latere meer complexe gedragspatronen
- Babyreacties te zwak, te sterk of te lang aanwezig: mogelijk
neurologische schade (bv Syndroom van Down).
Verschillende soorten reflexen:
Moro reflex = geen steun aan hoofd, armen gaan omhoog en maken een
grijpbeweging.
Babinski reflex = over de voetzool wrijft dan gaan de tenen spreiden.
Zuigreflex = voor de borst van de moeder om te eten
Zoekreflex = Neiging om hoofd in de richting te draaien van dingen die
de wang raken
Stapreflex = beweging van de benen wanneer de baby rechtop wordt
gehouden en zijn voeten de grond raken
Zwemreflex = neiging om zwembewegingen te maken met de armen en
de benen.
Schrikreflex = armen en vingers spreiden en rug strekken bij een
plotseling geluid.
Knipperreflex = de ogen snel sluiten en openen bij vel licht
Kokhalsreflex = de keel vrijmaken
Grove motoriek: grote gebaren dicht bij de romp (kruipen, lopen, rennen,
fietsen)
Fijne motoriek: kleine bewegingen van handen en vingers (grijpen, pen
vasthouden, draad door naald doen)
Normen: gebruik ontwikkelingsnormen om te bepalen wat normaal is,
maar grote individuele verschillen zijn normaal.
Klassiek schema van motorische mijlpalen
, Dynamisch systeemtheorie
Theorie die de ontwikkeling van een kind ziet als een dynamisch systeem:
alles ontwikkelt zich tegelijk en hangt nauw samen met de ervaringen die
een kind opdoet.
Motorisch gedrag is samengesteld uit:
- Spieren
- Zenuwstelsel
- Waarnemingsvermogen
- Motivatie
- Verkenning van de omgeving tot nieuwe uitdagingen. Een kind dat in
een omgeving met bijvoorbeeld tapijt opgroeit gaat misschien
eerder buikschuiven dan kruipen. Hierdoor kan de ontwikkeling per
kind erg veranderen.
Zintuigelijke ontwikkeling
Sensatie: prikkels die je ervaart door de zintuigen
Perceptie: interpretatie waarneming, door het verwerken van je
hersenen.
Prenataal (in de baarmoeder)
- Zien: licht en donker
- Horen: stem, hart, harde muziek
- Proeven: vruchtwater (zoet)
- Tastzin: lichaam volledig gevoelig voor aanraking
Geboorte:
- Alle zintuigen werken, alleen nog niet op niveau van volwassene.
Visuele zintuigen (zien)
Visuele scherpte
- Geboorte: bijziend (20-30 cm)
- Baby ziet scherpe contrasten
- Voorkeur voor meer complexe stimuli
- Aangeboren: voorkeur voor menselijke gezichten
- Na paar uur: voorkeur voor gezicht moeder
- 6-9 maanden: mensengezichten steeds beter van elkaar
onderscheiden
Binoculaire gezichtsvermogen (14 weken)
- Beweging
- Diepte
Auditieve zintuig (horen)
- Voorkeur voor bekende stimuli
- Eenvoudige tooncombinaties onderscheiden
- Zeer hoge en lage frequenties beter horen
- Geluidspatronen en melodieën onderscheiden
Ma/pa onderscheidt (1 mnd)
Na 4 mnd eigen naam
Hoorcollege 3.1
Deel 1: Inleiding
De leeftijdsfasen liggen niet in elk land hetzelfde, en het is niet dat als een
kind bijvoorbeeld net 2 is geworden dat het gelijk geen baby meer is.
Je hebt 3 verschillende soorten ontwikkelingsgebieden:
Motorische ontwikkeling
- Ontwikkeling van het lichaam,
- Grove motoriek (zwemmen, lopen), fijne motoriek (schrijven,
knippen)
- Zintuigen.
Cognitieve ontwikkeling
- De abstracte wereld van waarnemen, verwerken, onthouden en
terughalen
- Taalontwikkeling
- Creativiteit
Sociale ontwikkeling
- Hoe je jezelf ziet in een wereld met anderen
- Emotionele ontwikkeling
- Morele ontwikkeling = wat is goed en kwaad
- Identiteitsontwikkeling
Nature vs nurture (aangeboren vs aangeleerd). Het leven is een
combinatie van beide. Dit was vroeger niet vanzelfsprekend.
Intelligentie
- Duidelijke relatie tussen genen en iq
- Invloed genen neemt toe gedurende het leven
- Daarnaast sterke invloed van omgevingsfactoren
,Persoonlijkheid
- Big Five: O = openheid vs geslotenheid. C = consciëntieusheid vs
ongeorganiseerdheid. E = extraversie vs introversie. A =
aangenaam vs ongemakkelijk in de omgang. N = neuroticisme vs
emotionele stabiliteit. Sterke genetische invloed extraverte en
neuroticisme.
- Invloed omgeving, bijv ouders
Verband genen en gedrag
We worden geboren met verschillende eigenschappen, baby’s zijn
geprogrammeerd om veel dingen te leren. Dit hebben we te danken aan
de evolutie. Darwins uitvinding was dat eigenschappen van soorten
doorgegeven worden op volgende generaties. Adaptieve kenmerken zijn
kenmerken die zich in de loop van de evoluties hebben ontwikkeld die wij
als mens nodig hebben gevolg van natuurlijke selectie.
Genotype: genen van vader en moeder. De bouwtekening waarop er
precies staat hoe een kind gevormd gaat worden.
Fenotype: waarneembare kenmerken (fysiek en gedrag). Dit is dus hoe je,
ondanks de bouwtekening, uiteindelijk geworden bent.
Temperamenten = manier hoe je reageert op je omgeving, of je gevoelig
bent of niet.
Erfelijkheid en omgeving
- Van genotype naar fenotype. Je kan uiteindelijk havo of vwo aan
- Multi-factoriele overerving: genotype (aanleg) is marge
waarbinnen fenotype zich kan manifesteren. Het is de combinatie
van genen en omgevingsfactoren dat invloed heeft op de
eigenschappen die een kind ontwikkeld. De genen geeft het bereik
aan.
Genotype-omgevingseffecten
- Actief: kind richt zich op omgeving die bij genen past (extravert kind
eerder naar feestjes)
- Passief: genen ouders (sportief) zullen kind eerder op voetbal ‘doen’.
Stel de ouders zijn heel extravert dan ontwikkeld een kind zich ook
meer omdat ze in contact komen met veel andere mensen.
- Evocatief: genen kind roepen bepaalde omgeving op (een extravert
kind wordt ook eerder op feestjes uitgenodigd).
Deel 2: lichamelijke groei
,Motorische ontwikkeling
- Reflexen: niet aangeleerde (aangeboren), gestructureerde,
onvrijwillige (automatische) responsen/ reacties die optreden in de
aanwezigheid van bepaalde stimuli (prikkels). Bijv zuigreflex.
Sommige reflexen blijven het hele leven (pupilreflex, ooglidreflex),
andere verdwijnen in 1e levensjaar.
- Basis voor latere meer complexe gedragspatronen
- Babyreacties te zwak, te sterk of te lang aanwezig: mogelijk
neurologische schade (bv Syndroom van Down).
Verschillende soorten reflexen:
Moro reflex = geen steun aan hoofd, armen gaan omhoog en maken een
grijpbeweging.
Babinski reflex = over de voetzool wrijft dan gaan de tenen spreiden.
Zuigreflex = voor de borst van de moeder om te eten
Zoekreflex = Neiging om hoofd in de richting te draaien van dingen die
de wang raken
Stapreflex = beweging van de benen wanneer de baby rechtop wordt
gehouden en zijn voeten de grond raken
Zwemreflex = neiging om zwembewegingen te maken met de armen en
de benen.
Schrikreflex = armen en vingers spreiden en rug strekken bij een
plotseling geluid.
Knipperreflex = de ogen snel sluiten en openen bij vel licht
Kokhalsreflex = de keel vrijmaken
Grove motoriek: grote gebaren dicht bij de romp (kruipen, lopen, rennen,
fietsen)
Fijne motoriek: kleine bewegingen van handen en vingers (grijpen, pen
vasthouden, draad door naald doen)
Normen: gebruik ontwikkelingsnormen om te bepalen wat normaal is,
maar grote individuele verschillen zijn normaal.
Klassiek schema van motorische mijlpalen
, Dynamisch systeemtheorie
Theorie die de ontwikkeling van een kind ziet als een dynamisch systeem:
alles ontwikkelt zich tegelijk en hangt nauw samen met de ervaringen die
een kind opdoet.
Motorisch gedrag is samengesteld uit:
- Spieren
- Zenuwstelsel
- Waarnemingsvermogen
- Motivatie
- Verkenning van de omgeving tot nieuwe uitdagingen. Een kind dat in
een omgeving met bijvoorbeeld tapijt opgroeit gaat misschien
eerder buikschuiven dan kruipen. Hierdoor kan de ontwikkeling per
kind erg veranderen.
Zintuigelijke ontwikkeling
Sensatie: prikkels die je ervaart door de zintuigen
Perceptie: interpretatie waarneming, door het verwerken van je
hersenen.
Prenataal (in de baarmoeder)
- Zien: licht en donker
- Horen: stem, hart, harde muziek
- Proeven: vruchtwater (zoet)
- Tastzin: lichaam volledig gevoelig voor aanraking
Geboorte:
- Alle zintuigen werken, alleen nog niet op niveau van volwassene.
Visuele zintuigen (zien)
Visuele scherpte
- Geboorte: bijziend (20-30 cm)
- Baby ziet scherpe contrasten
- Voorkeur voor meer complexe stimuli
- Aangeboren: voorkeur voor menselijke gezichten
- Na paar uur: voorkeur voor gezicht moeder
- 6-9 maanden: mensengezichten steeds beter van elkaar
onderscheiden
Binoculaire gezichtsvermogen (14 weken)
- Beweging
- Diepte
Auditieve zintuig (horen)
- Voorkeur voor bekende stimuli
- Eenvoudige tooncombinaties onderscheiden
- Zeer hoge en lage frequenties beter horen
- Geluidspatronen en melodieën onderscheiden
Ma/pa onderscheidt (1 mnd)
Na 4 mnd eigen naam