Betreft: Beoordeling van het artikel van Kristensen et al. (2000)
Geachte editor van het British Medical Journal,
Met deze brief wil ik mijn evaluatie delen over het artikel "Routine vaccinaties en overleving
van kinderen: vervolgstudie in Guinee-Bissau, West-Afrika" van Ines Kristensen, Peter Aaby
en Henrik Jensen, gepubliceerd in het British Medical Journal in 2000. Deze studie onderzoekt
het verband tussen de routinematige vaccinaties bij kinderen en kindersterfte in een landelijk
gebied in Guinee-Bissau. Het onderzoeksteam voerde een longitudinaal cohortonderzoek uit,
waarbij meer dan 15.000 vrouwen en hun kinderen, geboren tussen 1990 en 1996, werden
gevolgd. De kindersterfte werd gerelateerd aan de vaccinatiestatus. De studie suggereert dat
bepaalde vaccinaties niet-specifieke effecten kunnen hebben op sterftecijfers. Vaccinaties
tegen BCG en mazelen gaan gepaard met een lagere mortaliteit, terwijl vaccinaties tegen
difterie, tetanus, kinkhoest (DTP) en polio gepaard zouden gaan met een hogere mortaliteit,
wat afwijkt van de gangbare wetenschappelijke consensus1. Deze bevinding heeft geleid tot
aanzienlijke controverse binnen de wetenschappelijke gemeenschap.
Gezien de controverse rondom deze studie, heb ik een grondige evaluatie uitgevoerd van zowel
de oorspronkelijke studie als de daaropvolgende commentaren, aangevuld met inzichten uit
interviews met experts. In deze brief bespreek ik de methodologische sterktes en zwaktes van
het onderzoek en geef ik een onderbouwd advies over het al dan niet behouden van de
publicatie in uw tijdschrift, het BMJ.
Beoordeling van de methodologie en argumentatie
Hoewel de studie belangrijke vragen oproept over de niet-specifieke effecten van vaccins,
verdienen verschillende methodologische en contextuele kwesties een nadere beschouwing.
Methodologische sterktes
De studie is een longitudinaal cohortonderzoek, waarbij 15.351 vrouwen en hun kinderen
gedurende zes jaar werden gevolgd1. Dit ontwerp biedt een solide basis voor het prospectief
observeren van de relatie tussen vaccinatiestatus en mortaliteit. Het aantal deelnemers, 10.298
kinderen, versterkt de statistische betrouwbaarheid van de analyse1. De onderzoekers hielden
rekening met verschillende verstorende factoren, zoals de cluster- en leeftijdsvariabelen, en
pasten hun analyses aan om deze te corrigeren1. Dit toont aan dat er pogingen zijn gedaan om
mogelijke verstoringen in de resultaten te minimaliseren. Daarnaast werd de mortaliteit
geanalyseerd in intervallen van zes maanden vanaf het eerste bezoek, wat hielp om de timing
van vaccinaties in relatie tot de mortaliteit te overwegen1.
Methodologische zwakheden en controversiële bevindingen
Toch zijn er ook belangrijke methodologische tekortkomingen die de interpretatie van de
resultaten bemoeilijken. Allereerst is de studie observationeel en geen gerandomiseerde
gecontroleerde proef. Dit brengt het risico van selectiebias met zich mee, aangezien vaccinaties
vaak niet uniform worden toegediend, vooral in kansarme populaties. Zoals criticus Paul Fine
benadrukt, "vaccins worden niet zomaar ergens verspreid" in dergelijke contexten, wat
vertekening kan veroorzaken2. Deze beperking werd verder benadrukt door het feit dat bij 34%