• Voor welke 3 processen is ATP nodig tijdens spiercontractie (denk aan glijdend filament)?
ATP: afbreken in ADP en P
ATP: om myosine en actine los te laten
ATP: ATP hecht aan myosine
• Wat zijn de kenmerken van een concentrische, excentrische, isometrische contractie?
Concentrisch= lengte van spier verkort – spierkracht is groter dan weerstand – bicep
maken, stang omhoog duwen, van squat naar boven gaan – kost meeste energie
Excentrisch= lengte van spier verlengt – spierkracht is kleiner dan weerstand, maar groter
dan 0, kost minste energie – zakken in squat, stang naar onder laten, van de berg af lopen
Isometrisch= lengte van spier blijft hetzelfde – wel kracht geleverd – er wordt niet bewogen
– wall sit / stang op dezelfde hoogte houden – spierkracht gelijk aan weerstand
• Wat is de relatie tussen kracht en capaciteit van een energiesysteem?
Kracht= hoeveelheid werk dat geleverd kan worden
Capaciteit= hoe lang het volgehouden kan worden
ATP CP -> veel kracht maar niet lang volhouden
Vet oxidatie -> weinig kracht maar lang volhouden
• Welke energiesystemen zijn alactisch anaëroob, melkzuuranaëroob, aëroob?
Anaeroob alactisch ATP-CP (creatinefosfaat)
Anaeroob lactisch melkzuursysteem – glycolyse (glycogeen – glucose)
Aeroob oxidatieve systeem (glycogeen en vetzuren)
• Wat zijn vijf kenmerken van spiervezels van type 1, 2B, 2A?
Type I; aeroob, duursporter, veel mitochondien, veel myoglobine, veel haarvaten, slow
twitch, slow oxidative, rode spiervezels (myoglobine), 50%
Type IIA; fast twitch, fast oxidative, 25%, witte spiervezels, combi van type I en II
Type IIB/X; fast twitch, fast glycolytic, 25%, witte spiervezels, kracht, anaeroob, veel
anaerobe enzymen, veel opslag glycogeen, veel atp en creatinefosfaat, weinig myoglobine,
haarvaten en mitochondrien.
• Wat is de relatie tussen het spiervezeltype en het gewenste energiesysteem?
Type I -> aeroob – mitochondrien
Type II -> anaeroob
• Wat gebeurt er met substraatgebruik bij een bepaalde intensiteit in getraind
uithoudingsvermogen in vergelijking met ongetrainde personen?
Lichte intensiteit = vetverbranding
Hoge intensiteit = koolhydraatverbranding
Getraind iemand kan meer koolhydraten en vetten verbranden – door meer mitochondrien –
meer ATP – meer spiersamentrekkingen
• Wat zijn centrale aanpassingen aan chronische duurtraining?
Lagere hartslag
Hoger slagvolume
Hoger VO2 max
Hartminuutvolume stijgt
Meer haarvaten
• Wat zijn perifere aanpassingen aan chronische duurtraining?
Bloedcirculatie stijgt
Zuurstofopname stijgt
• Wat zijn de 4 trainingsprincipes en wat betekenen ze?
ATP: afbreken in ADP en P
ATP: om myosine en actine los te laten
ATP: ATP hecht aan myosine
• Wat zijn de kenmerken van een concentrische, excentrische, isometrische contractie?
Concentrisch= lengte van spier verkort – spierkracht is groter dan weerstand – bicep
maken, stang omhoog duwen, van squat naar boven gaan – kost meeste energie
Excentrisch= lengte van spier verlengt – spierkracht is kleiner dan weerstand, maar groter
dan 0, kost minste energie – zakken in squat, stang naar onder laten, van de berg af lopen
Isometrisch= lengte van spier blijft hetzelfde – wel kracht geleverd – er wordt niet bewogen
– wall sit / stang op dezelfde hoogte houden – spierkracht gelijk aan weerstand
• Wat is de relatie tussen kracht en capaciteit van een energiesysteem?
Kracht= hoeveelheid werk dat geleverd kan worden
Capaciteit= hoe lang het volgehouden kan worden
ATP CP -> veel kracht maar niet lang volhouden
Vet oxidatie -> weinig kracht maar lang volhouden
• Welke energiesystemen zijn alactisch anaëroob, melkzuuranaëroob, aëroob?
Anaeroob alactisch ATP-CP (creatinefosfaat)
Anaeroob lactisch melkzuursysteem – glycolyse (glycogeen – glucose)
Aeroob oxidatieve systeem (glycogeen en vetzuren)
• Wat zijn vijf kenmerken van spiervezels van type 1, 2B, 2A?
Type I; aeroob, duursporter, veel mitochondien, veel myoglobine, veel haarvaten, slow
twitch, slow oxidative, rode spiervezels (myoglobine), 50%
Type IIA; fast twitch, fast oxidative, 25%, witte spiervezels, combi van type I en II
Type IIB/X; fast twitch, fast glycolytic, 25%, witte spiervezels, kracht, anaeroob, veel
anaerobe enzymen, veel opslag glycogeen, veel atp en creatinefosfaat, weinig myoglobine,
haarvaten en mitochondrien.
• Wat is de relatie tussen het spiervezeltype en het gewenste energiesysteem?
Type I -> aeroob – mitochondrien
Type II -> anaeroob
• Wat gebeurt er met substraatgebruik bij een bepaalde intensiteit in getraind
uithoudingsvermogen in vergelijking met ongetrainde personen?
Lichte intensiteit = vetverbranding
Hoge intensiteit = koolhydraatverbranding
Getraind iemand kan meer koolhydraten en vetten verbranden – door meer mitochondrien –
meer ATP – meer spiersamentrekkingen
• Wat zijn centrale aanpassingen aan chronische duurtraining?
Lagere hartslag
Hoger slagvolume
Hoger VO2 max
Hartminuutvolume stijgt
Meer haarvaten
• Wat zijn perifere aanpassingen aan chronische duurtraining?
Bloedcirculatie stijgt
Zuurstofopname stijgt
• Wat zijn de 4 trainingsprincipes en wat betekenen ze?