Begrippenlijst ethiek hfdst. 1 en 4 t/m 8.
Hoofdstuk 1
Technisch-instrumentele professionaliteit (ook in hfdst. 5): de social worker
beschikt over de juiste kennis, kunde en professionele vaardigheden en is
effectief en efficiënt in het bereiken van zijn doelen.
Waarden: idealen die zijn wezenlijk voor de kwaliteit van leven en van het
beroep.
Normen: op waarden gebaseerde handelingsvoorschriften
Deugden: goede eigenschappen die de handelwijze van de mens/sociaal werker
bepaalt.
Efficiency: de mate waarin de sociaal werken zijn doelen bereikt.
Normatieve professionaliteit (ook in hfdst. 5): bewust zijn van de normen,
waarden en deugden die een rol spelen in zijn handelen en kan deze in een open
dialoog toetsen aan de argumenten van anderen.
Persoonlijke professionaliteit: de sociaal werker is zelf, als persoon, zijn
belangrijkste instrument. Integratie van technisch-instrumentele en normatieve
professionaliteit met persoonlijke competenties.
Professionele wijsheid: kan in gesprek gaan over keuzes, kan ethische vragen
signaleren en hierop reflecteren. Hij kan hier open-minded over in gesprek gaan.
Op basis van deze overwegingen kan hij situaties beoordelen en professioneel
handelen.
Bewust bekwaam: bewust bezig zijn om de competenties van je beroep eigen te
maken.
Morele vragen: vragen over goed en kwaad, over de manier waarop mensen
zouden moeten leven.
Morele opvattingen: antwoorden op de vragen over hoe men zich als mens goed
en verantwoordelijk kan gedragen.
Moraal: het geheel van handelingen en gedragingen die sociaal of
maatschappelijk als gewenst worden gezien. Aan moraal liggen waarden en
normen ten grondslag.
Morele waarden: idealen of overtuigingen van een groep mensen over wat goed
is in het leven.
Morele norm: gedragsregel, richtlijn die aangeeft hoe iemand zou moeten
handelen of hoe gedrag beoordeeld moet worden.
Fatsoensnormen: omgangsregels, conventies, goede manieren, die vastleggen
wat hoort en wat niet hoort. Dit noemen we ook wel kleine ethiek of etiquette.
, Microniveau: individuen, huishoudens
Mesoniveau: het collectief: groepen, wijken, gemeenschappen
Macroniveau: samenleving, beleid
Verantwoordelijkheid (ook hfdst. 6): de plicht om te zorgen dat iets goed gaat en
het vermogen en de bereidheid om je te verantwoorden, om uit te leggen
waarom je bepaalde keuzes hebt gemaakt.
Taakverantwoordelijkheid: afspraken die binnen een organisatie gemaakt zijn met
betrekking tot de verantwoordelijkheid voor taken.
Deugdverantwoordelijkheid: verantwoordelijkheid die niet is gebaseerd op
vastgelegde afspraken, maar op normen en waarden, op een morele plicht die de
betrokkene heeft.
Juridische normen: wettelijke regels
Intuïtieve moraal: achtergrond van moreel gedrag in het dagelijks leven. Mensen
baseren morele keuzes op hun overtuigingen over wat goed en verantwoordelijk
gedrag is. De keuzes zijn vaak intuïtief, dat wil zeggen dat je iets aanvoelt zonder
er over na te denken.
Hechtingsmoraal: regelt hoe we omgaan met de mensen met wie we verbonden
zijn. Hier gaat het over hechting en empathie.
Geweldmoraal: jezelf en je naasten te beschermen tegen bedreigingen.
Reinigingsmoraal: om jouw wereld zuiver te houden.
Samenwerkingsmoraal: hoe je samen werkt met anderen.
Ethiek: een systematische reflectie op morele vragen, op basis van rationele
argumenten.
Descriptieve ethiek: beschrijvende ethiek: algemene beschrijving van wat
mensen op een bepaald moment als ‘het goede’ aanwijzen en van de normen en
waarden die zij hanteren.
Prescriptieve ethiek: voorschrijvende ethiek: formulering van een voorkeur voor
bepaalde normen en waarden en van hoe mensen behoren te handelen.
Normatieve ethiek: het gaat niet om hoe mensen zich feitelijk gedragen of
denken, maar om hoe mensen zich zouden moeten gedragen.
Beroepsethiek (ook hfdst. 5): specifieke morele regels voor een bepaalde
beroepsgroep.
Beroepscode (ook hfdst. 5): vastgelegde waarden en normen van een beroep die
als leidraad dienen voor een goede beroepsuitoefening.
Meta-ethiek: ethiek die fundamentele morele vraagstukken bestudeert:
overdenking van de begrippen uit de ethiek.
Hoofdstuk 1
Technisch-instrumentele professionaliteit (ook in hfdst. 5): de social worker
beschikt over de juiste kennis, kunde en professionele vaardigheden en is
effectief en efficiënt in het bereiken van zijn doelen.
Waarden: idealen die zijn wezenlijk voor de kwaliteit van leven en van het
beroep.
Normen: op waarden gebaseerde handelingsvoorschriften
Deugden: goede eigenschappen die de handelwijze van de mens/sociaal werker
bepaalt.
Efficiency: de mate waarin de sociaal werken zijn doelen bereikt.
Normatieve professionaliteit (ook in hfdst. 5): bewust zijn van de normen,
waarden en deugden die een rol spelen in zijn handelen en kan deze in een open
dialoog toetsen aan de argumenten van anderen.
Persoonlijke professionaliteit: de sociaal werker is zelf, als persoon, zijn
belangrijkste instrument. Integratie van technisch-instrumentele en normatieve
professionaliteit met persoonlijke competenties.
Professionele wijsheid: kan in gesprek gaan over keuzes, kan ethische vragen
signaleren en hierop reflecteren. Hij kan hier open-minded over in gesprek gaan.
Op basis van deze overwegingen kan hij situaties beoordelen en professioneel
handelen.
Bewust bekwaam: bewust bezig zijn om de competenties van je beroep eigen te
maken.
Morele vragen: vragen over goed en kwaad, over de manier waarop mensen
zouden moeten leven.
Morele opvattingen: antwoorden op de vragen over hoe men zich als mens goed
en verantwoordelijk kan gedragen.
Moraal: het geheel van handelingen en gedragingen die sociaal of
maatschappelijk als gewenst worden gezien. Aan moraal liggen waarden en
normen ten grondslag.
Morele waarden: idealen of overtuigingen van een groep mensen over wat goed
is in het leven.
Morele norm: gedragsregel, richtlijn die aangeeft hoe iemand zou moeten
handelen of hoe gedrag beoordeeld moet worden.
Fatsoensnormen: omgangsregels, conventies, goede manieren, die vastleggen
wat hoort en wat niet hoort. Dit noemen we ook wel kleine ethiek of etiquette.
, Microniveau: individuen, huishoudens
Mesoniveau: het collectief: groepen, wijken, gemeenschappen
Macroniveau: samenleving, beleid
Verantwoordelijkheid (ook hfdst. 6): de plicht om te zorgen dat iets goed gaat en
het vermogen en de bereidheid om je te verantwoorden, om uit te leggen
waarom je bepaalde keuzes hebt gemaakt.
Taakverantwoordelijkheid: afspraken die binnen een organisatie gemaakt zijn met
betrekking tot de verantwoordelijkheid voor taken.
Deugdverantwoordelijkheid: verantwoordelijkheid die niet is gebaseerd op
vastgelegde afspraken, maar op normen en waarden, op een morele plicht die de
betrokkene heeft.
Juridische normen: wettelijke regels
Intuïtieve moraal: achtergrond van moreel gedrag in het dagelijks leven. Mensen
baseren morele keuzes op hun overtuigingen over wat goed en verantwoordelijk
gedrag is. De keuzes zijn vaak intuïtief, dat wil zeggen dat je iets aanvoelt zonder
er over na te denken.
Hechtingsmoraal: regelt hoe we omgaan met de mensen met wie we verbonden
zijn. Hier gaat het over hechting en empathie.
Geweldmoraal: jezelf en je naasten te beschermen tegen bedreigingen.
Reinigingsmoraal: om jouw wereld zuiver te houden.
Samenwerkingsmoraal: hoe je samen werkt met anderen.
Ethiek: een systematische reflectie op morele vragen, op basis van rationele
argumenten.
Descriptieve ethiek: beschrijvende ethiek: algemene beschrijving van wat
mensen op een bepaald moment als ‘het goede’ aanwijzen en van de normen en
waarden die zij hanteren.
Prescriptieve ethiek: voorschrijvende ethiek: formulering van een voorkeur voor
bepaalde normen en waarden en van hoe mensen behoren te handelen.
Normatieve ethiek: het gaat niet om hoe mensen zich feitelijk gedragen of
denken, maar om hoe mensen zich zouden moeten gedragen.
Beroepsethiek (ook hfdst. 5): specifieke morele regels voor een bepaalde
beroepsgroep.
Beroepscode (ook hfdst. 5): vastgelegde waarden en normen van een beroep die
als leidraad dienen voor een goede beroepsuitoefening.
Meta-ethiek: ethiek die fundamentele morele vraagstukken bestudeert:
overdenking van de begrippen uit de ethiek.