De cel bestaat uit een buitenlaag: het plasmamembraan, waarbinnen een aantal organellen zich
bevinden in het cytoplasma. Voorbeelden van organellen zijn; De kern (nucleus), mitochondriën,
ribosomen, lysosomen, het endoplasmatisch reticulum, het Golgi-apparaat en het cytoskelet;
Plasmamembraan;
bestaat uit twee lagen fosfolipiden (vetachtige stoffen) met daarin eiwit- en suikermoleculen.
Eiwitmoleculen steken door het membraan, wat voor een doorgang zorgt voor stoffen die niet in vet
oplossen;
Fosfolipiden moleculen hebben een kop en een staart.
De kop heeft een elektrische lading en is hydrofiel (wateraantrekkend)
De staart heeft geen lading en is hydrofoob (waterafstotend)
Kern;
Het grootste orgaan van de cel; en bevat een kernmembraan, een membraan die lijkt op de
plasmamembraan maar die kleine poriën bevat waardoor bepaalde stoffen van en naar de kern
kunnen vanuit het cytoplasma (de celinhoud met uitzondering van de kern)
- De kern bevat genetisch materiaal; 46 chromosomen, bestaande uit DNA
Binnen de kern bevindt zich een nagenoeg ronde structuur die de nucleolus heet, die betrokken is bij
de productie (synthese) en samenstelling van de elementen van ribosomen;
(de nucleolus maakt RNA aan – een soort van blauwprint – dat vanuit de kern naar het ER
wordt gestuurd; en wat aankomt bij de ribosomen hoe ze bepaalde eiwitten moeten maken. RNA is
een halve streng van DNA, maar bevat in plaats van C G A en T C G A en U
Mitochondriën;
Ze worden wel de energiecentrale van de cel genoemd; Ze zijn betrokken bij de aërobe respiratie, het
proces waardoor chemische energie in de cel beschikbaar wordt. Dat gebeurt doordat uit ATP
energie vrijkomt als de cel het afbreekt. De aanmaak van ATP is het meest efficiënt in de laatste
fasen van de aërobe respiratie, een proces waarbij zuurstof nodig is. Energie
ATP (T = triple) wordt ADP (hierbij komt energie en een p vrij)
ADP (D= double) wordt ATP (hierbij is energie en een p nodig)
(Bijvoorbeeld; ATP zit bv. In een spier en wordt omgezet naar ADP – hierbij komt energie vrij –
waardoor de spier kan samentrekken en bewegen)
, Ribosomen;
Dit zijn miniscule granula (korrels) bestaande uit RNA en eiwit; Ze maken eiwitten uit aminozuren en
gebruiken het RNA als mal. Als ze vrij of in kleine clusters in het cytoplasma voorkomen, maken ze
eiwitten voor gebruik binnen de cel. Ribosomen kunnen ook aan de buitenkant op de kernmembraan
zitten of op ruw endoplasmatisch reticulum. In dat geval maken ze eiwitten voor transport naar
buiten de cel;
Maken eiwitten
ribosomen op het ER eiwitten voor buiten de cel
ribosomen los in cytoplasma eiwitten voor in de cel
Endoplasmatisch reticulum (ER)
ER is een grote reeks geschakelde vliezige kanaaltjes in het cytoplasma. Er zijn 2 soorten: glad en ruw
- Glad ER maakt lipiden en Steroïdhormonen. Ook is het betrokken bij de ontgiftiging van
bepaalde geneesmiddelen.
- Ruw ER is beslagen met ribosomen. Daar worden eiwitten aangemaakt, waarvan sommige
naar buiten de cel worden geëxporteerd.
Golgi-apparaat;
Bestaat uit stapels dicht opgevouwen platte membraneuze zakjes. Het komt in elke cel voor, maar
het is groter als een cel eiwitten aanmaakt en exporteert. De eiwitten gaan in transportvesikels van
het ER naar het golgi-apparaat waar ze worden ‘’ingepakt’’ in membraangebonden blaasjes
genaamd: secretoire granula; Deze blaasjes worden opgeslagen en als er vraag is naar de eiwitten,
gaan ze naar de plasmamembraan en fuseren ermee.
Pakt eiwitten in voor transport
Kortom: in de nucleolus (bol in de kern) wordt RNA gemaakt (blauwprint voor het maken van eiwitten
deze worden gestuurd naar het ER (bevat ribosomen) de ribosomen maken de eiwitten deze
worden via het ER getransporteerd naar het golgi-apparaat in het golgi-apparaat worden de
eiwitten opgeslagen en als er vraag naar is uitgezonden;
Lysosomen;
Zijn een bepaald soort secretoir blaasje met vliezige wanden, die het Golgi-apparaat maakt. Ze
bevatten verschillende enzymen die zorgen voor de afbraak van fragmenten van organellen en grote
moleculen (zoals bijvoorbeeld RNA, DNA, koolhydraten, eiwitten) tot kleinere partikels;
Deze afbraakproducten worden ofwel hergebruikt door de cel ofwel verwijderd als afvalstof.
(In witte bloedcellen bevatten de lysosomen enzymen die lichaamsvreemd materiaal verteren, zoals
microben)