Algemeen
Het Europese recht is onder te verdelen in primair, secundair en so law.
Primair: De verdragen (Verdrag van de Europese Unie (VEU), en Verdrag betre ende de werking
van de Europese Unie (VWEU))
Secundair: Wetgeving EU; richtlijnen, verordeningen en besluiten
- Bijvoorbeeld Moeder/Dochterrichtlijn, ATAD
Het Europese recht hee een speciale plaats binnen het rechtssysteem en hee een eigen
rechtsorde die voorgaat op de nationale wet- en regelgeving (voorrang), zo blijkt uit Costa/ENEL.
Nederland hee een gematigd monistisch stelsel wat betekent dat zij directe werking hebben
indien de bepaling:
a. Rechten toekent aan de individu
b. Voldoende nauwkeurig is
c. Onvoorwaardelijk is
a. Er mogen wel voorwaarden worden gesteld, zolang deze maar voldoende zijn ingevuld.
Geen omgekeerde directe werking; de overheid(in het belastingrecht de inspecteur) kan niet een
beroep doen op EU-recht jegens de burger. Dit is om de burger te beschermen tegen de overheid;
de overheid moet implementeren. Als de overheid de RL niet goed hee geïmplementeerd mag de
overheid haar burger niet aan de EU richtlijn houden. Dit speelt met name in strafzaken.
Echter, er is een belangrijke uitzondering: Deense Bene cial Ownership (26/02/2019) zaken -
overheid moet een beroep doen op het EU beginsel betre ende verbod op misbruik van recht
(belastingontwijking), zelfs als er geen anti-misbruik bepaling in het nationale recht staat(het
HvJEU maakt hier dus een uitzondering op het verbod op geen omgekeerde directe werking).
Pagina 1 van 10
  ft ft fiff ft ft ftff
, Verdragsvrijheden
Het is Primair recht. Het zijn fundamentele rechten die iedereen binnen Europa hee . Het gaat
om:
Algemene reis en verblijfsrecht (Unieburger)
- Je mag gaan en staan waar je wil
Vrije verkeer van goederen
Vrije verkeer van personen
- Dit is een economische vrijheid
- Recht van vestiging
- Vrije verkeer van werknemers
Vrij verkeer van diensten
Vrij verkeer van kapitaal en betalingen (Ook met niet-EU landen)
Het Europees Hof van Justitie (HvJEU) maakt gebruik van een beslissingsschema om te bepalen of
iemand een beroep kan doen op de vrijheden:
Stap 1: Toegang tot de EU-verdragsvrijheden
a. Personele reikwijdte
a. Je moet een Unieburger zijn (zie artikel 20 VWEU)
b. Territoriale reikwijdte
a. Er moet een grensoverschrijdend element zijn -> puur interne situaties vallen niet onder
het bereik van de vrijheden. Dit betekent ook dat onderdanen nadeliger mogen worden
behandeld dan niet-onderdanen (zie in dit verband HvJEU Hurd en HvJEU Van Hilten)
c. Materiële reikwijdte
a. Welke fundamentele vrijheid is van toepassing?
a. De subjectieve intentie is hier niet relevant, er wordt enkel gekeken naar de objectieve
feiten.
Stap 2: Is er een belemmering of quasi-belemmering?
Om te spreken van indirecte discriminatie moet er sprake zijn van:
a. Vergelijkbare gevallen die ongelijk horen behandeld; of
b. Niet-vergelijkbare gevallen die gelijk worden behandeld
Pagina 2 van 10
  ft