BOURDIEU LES 1
Het gebruiken van verschillende indicatoren van kapitaalsvormen om een
typologie van sociale groepen te maken heet latente klassenanalyse, aangezien
deze klassenanalyse is geïnspireerd op het werk van Bourdieu wordt er ook wel
gesproken van bourdieusiaanse latente-klassenanalyse. De relevantie van een
multidimensionaal klassenperspectief wordt steeds meer onderkend, want
steden worden steeds complexer en daarom zijn alleen sociaaleconomische
indicatoren zoals 'inkomen' niet meer voldoende.
Menging heeft betrekking op de aard van de sociale groepen die in een buurt
wonen en de omvang daarvan. Gentrificatie verwijst naar de sociaaleconomische
opwaardering van buurten, wat vaak gepaard gaat met de verdringing van
oorspronkelijke bewoners.
Bourdieu beschouwde 'kapitaal' als geaccumuleerde arbeid in de breedste zin.
Kapitaal varieert zowel in volume als in compositie. Dus mensen kunnen er meer
of minder van hebben en er kunnen verschillen zitten in de verhoudingen tussen
de verschillende typen kapitaal. Doorgaans worden drie soorten kapitaal
onderscheiden: economisch kapitaal, sociaal kapitaal en cultureel kapitaal.
De relevantie van BLKA wordt duidelijker wanneer we de sociale klassen die uit
BLKA voortkomen beschouwen als ideaaltypen. Ideaaltypen tonen de
kenmerkende karakteristieken van een bepaald fenomeen. We zien ideaaltypen
als representaties van wat een bepaalde klasse kenmerkt. Ideaaltypen hebben
op deze wijze een beschrijvende en familiariserende functie.
Het nut van BLKA toont zich verder wanneer het wordt toegepast in stedelijke
contexten. Steden vormen bij een uitstek een omgeving waar
sociaaleconomische en culturele scheidslijnen door elkaar heen lopen, terwijl het
leven steeds meer wordt gekenmerkt door een hoge mate van mobiliteit en
fluïditeit.
Gentrificatie verwijst naar de sociaaleconomische opwaardering van buurten,
wat vaak gepaard gaat met de verdringing van oorspronkelijke bewoners. Een
vroege of beginnende staat van gentrificatie impliceert dat buurten vooral
bewoners uit lagere sociale klassen bevatten en deels uit de opkomende
middengroep. Marginal gentrifiers bevinden zich vooral in deze laatste groep valt
te redeneren.
Elke groep wordt bij BLKA getypeerd door een bepaald aantal karakteristieke
kenmerken. Individuen kunnen tot een bepaalde groep worden gerekend
wanneer ze overwegend dit soort kenmerken hebben. De grenzen tussen
groepen kunnen we daarbij als fluïde beschouwen, zodat men ook deels een
tussenpositie kan innemen.
,SAMENVATTING VAN LAGAERT EN ROSE
BOURDIEU LES 1
Omdat het lichaam op het eerste zicht zo biologisch en individueel lijkt, werd het
lange tijd gezien als iets dat los staat van de sociale structuren die het leven van
een individu vormgeven en dus een onderwerp dat niks met sociologie te maken
heeft. Bepaalde kenmerken van het individu lijken echter toch samen te vallen
met specifieke lichamelijke kenmerken, lichaamsoriëntaties en voorkeuren voor
lichaamsgerelateerde praktijken.
Daarnaast zijn er aanwijzingen dat geslacht en klasse ook onderling sterk
verstrengeld zijn in relatie tot het lichaam. Zo wordt handenarbeid geassocieerd
met masculiniteit en mentale arbeid wordt gerelateerd aan het inferieure,
vrouwelijke en verwijfde om zo toch een zelfidentiteit te ontwikkelen. Een andere
studie wijst erop dat dat een instrumentele lichaamshouding, gericht op het
fysieke, in combinatie met hypermasculiniteit als gevolg heeft dat mannen uit de
arbeidersklasse minder investeren in hun opleiding.
Bordieu onderscheidt twee verschillende houdingen die men kan aannemen
tegenover het lichaam. Enerzijds kan men het als een middel beschouwen,
waarbij het lichaam louter een instrument is dat gebruikt wordt om een doel te
bereiken dat buiten dat lichaam ligt. Anderzijds kan men het lichaam als een
doel an sich beschouwen. Het lichaam is dan een project waarin tijd, geld en
energie in moet gaan zitten. De eerste houding is volgens Bourdieu kenmerkend
voor de arbeidersklasse. De andere houding is kenmerkend voor de
middenklasse en de klasse daarboven. Deze houdingen tegenover het lichaam
ontstaan uit specifieke levenscondities, manifesteren zich vervolgens in
specifieke voorkeuren met betrekking tot lichaamsgerelateerde praktijken, zoals
sport, kledij, voeding en medicijngebruik.
De hogere klassen hebben via hun cultureel en economisch kapitaal de kennis
en het geld om hun lichaam als een project te beschouwen. Het lichaam is bij
hen veel minder een bron van arbeidskracht en ze kunnen daardoor een meer
reflexieve en autonome relatie tegenover het lichaam aannemen. Deze
lichaamsoriëntatie van de hogere sociale klassen heeft twee dimensies. Enerzijds
kan een groot belang gehecht worden aan het intrinsiek functioneren van het
lichaam, de zogenaamde gezondheidscultus. Dit gezondheidsaspect wordt ook
geassocieerd met de tweede dimensie: het belang dat gehecht wordt aan het
uiterlijk en de presentatie van het lichaam.
Gender is de maatschappelijke invulling die aan het biologische verschil tussen
mannen en vrouwen wordt gegeven. In de genderstudies staat de relatie tussen
het lichamelijke en gender als vanzelfsprekend centraal. Met betrekking tot
vrouwen is de term ‘male gaze’ erg van belang. Vrouwen hun lichamen werden
gezien als een object van de mannelijke blik en de mannelijke lust. Dit constante
bewustzijn bij vrouwen dat hun lichaam wordt gezien als object beperkt vrouwen
in hun lichamelijke handelingen. Vrouwen ervaren dus hun eigen lichaam zoals
, het gezien en beoordeeld wordt door de man. Het esthetische aspect van het
lichaam is hier sterk op de voorgrond.
Intersectionaliteit gaat in op die meervoudige systemen van opressie en
privilege. Verschillende factoren zoals gender, etniciteit en sociale klasse
opereren dus niet tegen elkaar, maar er is sprake van doorkruisende posities,
waarbij geen prioriteit gegeven mag worden aan één specifieke categorie.
Erotisch kapitaal is een combinatie van esthetische, fysieke, sociale en seksuele
aantrekkelijkeid. Vrouwen hebben over het algemeen meer erotisch kapitaal dan
mannen, omdat zij er in investeren.