Inhoudsopgave
Inleiding in de psychopathologie.....................................................................1
H2: Schizofreniespectrum en andere psychotische stoornissen......................................2
H3: Stemmingsstoornissen: depressie en bipolaire stoornis...........................................5
H4: Angststoornissen...................................................................................................... 8
H5: Obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen.................................................11
H6: Trauma- en stressorgerelateerde stoornissen........................................................14
H7: Dissociatieve stoornissen.......................................................................................17
H8: Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen.........................................20
H9: Voedings- en eetstoornissen...................................................................................23
H10: Slaap-waakstoornissen......................................................................................... 26
H11: Stoornissen rond seksualiteit en sekse.................................................................29
H12: Disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen..........................32
H13: Persoonlijkheidsstoornissen..................................................................................35
H14: Neurocognitieve stoornissen................................................................................38
H15: Middelgerelateerde en verslavingsstoornissen.....................................................41
H16: Psychische stoornissen bij ouderen......................................................................44
Ontwikkelingspsychopathologie bij kinderen en jongeren...............................47
H2: Het perspectief van de ontwikkelingspsychopathologie.........................................47
H3: Biologische perspectieven op ontwikkelingspsychopathologie...............................49
H4: Cognitieve en leertheoretische perspectieven.......................................................52
H5: Emotionele en sociale ontwikkeling en de rol van hechting...................................55
H6: Gezin, opvoeding en sociale context......................................................................58
H7: Ontwikkeling van gedragsproblemen.....................................................................60
H8: Angststoornissen bij kinderen en jongeren.............................................................63
H9: Stemmingsstoornissen bij kinderen en jongeren....................................................66
H10: ADHD en aandachtstekortstoornissen..................................................................69
H11: Autismespectrumstoornissen (ASS)......................................................................72
H12: Eet- en voedingsstoornissen bij kinderen en jongeren.........................................75
H13: Middelengebruik en verslavingsgedrag bij jongeren.............................................78
H14: Trauma, mishandeling en verwaarlozing..............................................................81
H15: Suïcidaliteit en zelfbeschadiging bij jongeren.......................................................84
H16: Preventie en behandeling in de ontwikkelingspsychopathologie..........................87
Inleiding in de psychopathologie
Hoofdstukken 2 t/m 16.
,H2: Schizofreniespectrum en andere psychotische stoornissen
De DSM-5 onderscheidt vijf stoornissen binnen het schizofreniespectrum: schizofrenie,
schizofreniforme stoornis, kortdurende psychotische stoornis, schizo-affectieve stoornis en
waanstoornis. Al deze stoornissen worden gekenmerkt door een verstoorde waarneming van
de werkelijkheid en afwijkend denken of gedrag.
Schizofrenie is de bekendste en meest onderzochte stoornis in dit spectrum. Het gaat om
een langdurige en ernstige aandoening waarbij iemand last heeft van psychotische
symptomen en het dagelijks functioneren verslechtert. De klachten moeten minimaal zes
maanden aanwezig zijn. De schizofreniforme stoornis lijkt sterk op schizofrenie, maar duurt
korter (tussen één en zes maanden). Een kortdurende psychotische stoornis duurt minder
dan een maand. Een waanstoornis betekent dat iemand volledig overtuigd is van iets wat
niet klopt met de werkelijkheid, zonder dat er andere psychotische kenmerken zijn. De
schizo-affectieve stoornis is een combinatie van psychotische verschijnselen en
stemmingsstoornissen, zoals een depressieve of manische episode.
Symptomen
Schizofrenie is een heterogene stoornis: het beeld verschilt van persoon tot persoon. De
verschijnselen zijn te verdelen in vier groepen.
1. Affectieve symptomen
Deze hebben te maken met stemming en emotie. Mensen voelen zich vaak somber
of angstig en kunnen een vlak affect hebben: weinig gezichtsuitdrukking, monotone
stem, weinig oogcontact.
Voorbeeld: iemand vertelt over iets verdrietigs zonder enige emotie te tonen.
2. Somatische symptomen
Dit zijn lichamelijke verschijnselen, zoals slaapproblemen, veranderde eetlust of
seksuele klachten. Hallucinaties vallen hier ook onder, omdat ze via de zintuigen
worden ervaren.
Voorbeeld: iemand hoort stemmen die hem opdrachten geven of commentaar
leveren.
3. Gedragsmatige symptomen
Het gedrag is vaak vreemd of onsamenhangend.
Neologismen: zelfbedachte woorden gebruiken
Echolalie: woorden van anderen herhalen
Echopraxie: bewegingen van anderen nadoen
Negativisme: weigeren iets te doen of juist het tegenovergestelde doen
Voorbeeld: iemand die automatisch de gebaren van de ander nadoet of op elke vraag
het tegenovergestelde antwoord geeft.
4. Cognitieve symptomen
Deze hebben te maken met denken en concentratie. Mensen zijn vaak verward,
denken traag of hebben moeite met logisch redeneren. Wanen vallen hieronder:
overtuigingen die niet overeenkomen met de werkelijkheid.
Voorbeeld: iemand gelooft dat de politie zijn gedachten kan lezen of dat hij signalen
via de televisie ontvangt.
Positieve en negatieve symptomen
Er wordt onderscheid gemaakt tussen positieve en negatieve symptomen.
, Positieve symptomen: verschijnselen die bij gezonde mensen niet voorkomen, zoals
hallucinaties, wanen en verward gedrag.
Negatieve symptomen: gedragingen of functies die juist verdwijnen of verminderen,
zoals initiatief, motivatie, plezier of emotionele expressie.
Voorbeeld: iemand hoort stemmen (positief symptoom) maar trekt zich terug uit sociale
contacten en lijkt emotieloos (negatief symptoom).
Typen wanen
Er zijn verschillende soorten wanen:
Erotomane waan: de overtuiging dat een bekend persoon verliefd op iemand is.
Waan van grootheid: het geloof dat men uitzonderlijke talenten of macht bezit.
Jaloerse waan: overtuigd zijn dat de partner ontrouw is.
Achtervolgingswaan: denken dat anderen tegen je samenzweren of je willen
schaden.
Somatische waan: geloven dat er iets ernstig mis is met het lichaam, zoals parasieten
onder de huid.
Diagnostische instrumenten
Er bestaan verschillende meetinstrumenten die helpen bij het vaststellen en volgen van
schizofrenie.
CAPE (Community Assessment of Psychic Experiences): meet of iemand
psychotische ervaringen heeft in het dagelijks leven.
CAARMS (Comprehensive Assessment of At-Risk Mental States): beoordeelt of
iemand een verhoogd risico heeft op het ontwikkelen van een psychose.
PQ (Prodromal Questionnaire): screent op vroege signalen van een psychose.
PSYRATS (Psychotic Symptom Rating Scales): meet de ernst van hallucinaties en
wanen, zoals hoe vaak iemand stemmen hoort.
PANSS (Positive and Negative Syndrome Scale): beoordeelt positieve, negatieve en
algemene symptomen.
SDS (Schedule for the Deficit Syndrome): richt zich vooral op negatieve symptomen,
zoals verlies van motivatie.
CAN (Camberwell Assessment of Need): brengt in kaart welke zorg iemand nodig
heeft.
HoNOS (Health of the Nation Outcome Scales): meet het algemene functioneren en
of er vooruitgang is tijdens behandeling.
Voorbeeld: een psycholoog gebruikt de PANSS om te bepalen of de medicatie helpt de
hallucinaties te verminderen.
Oorzaken
De oorzaken van schizofrenie zijn complex en hangen samen met biologische,
psychologische en sociale factoren.
Biologische factoren
Erfelijkheid speelt een grote rol; eerstegraads familieleden hebben een verhoogd risico. Een
oudere vader (ouder dan 50 jaar) verhoogt de kans. Afwijkingen in de hersenen, vooral in de
frontale schors, komen vaak voor. De dopaminehypothese stelt dat te veel dopamineactiviteit
leidt tot psychotische symptomen.
Psychologische factoren
Volgens de cognitieve benadering is de informatieverwerking verstoord. De persoon probeert
, betekenis te geven aan ongewone ervaringen, wat kan leiden tot verkeerde conclusies.
Voorbeeld: iemand hoort geluiden op straat en denkt dat de politie hem afluistert.
Psychosociale factoren
Vroege trauma’s zoals mishandeling of misbruik verhogen het risico, net als stressvolle
gebeurtenissen zoals het uit huis gaan of het verliezen van werk.
Behandeling
De behandeling bestaat uit drie onderdelen.
Biologische behandeling
Antipsychotica zijn de belangrijkste vorm van behandeling.
Typische antipsychotica (eerste generatie) werken goed tegen positieve symptomen,
maar geven vaak bewegingsstoornissen (zoals trillen of spierstijfheid).
Atypische antipsychotica (tweede generatie) geven minder motorische bijwerkingen,
maar kunnen leiden tot gewichtstoename en verhoogde eetlust.
Wanneer andere middelen onvoldoende werken, kan clozapine worden ingezet. In
sommige gevallen wordt elektroconvulsietherapie (ECT) toegepast bij hardnekkige
symptomen.
Psychologische behandeling
Cognitieve gedragstherapie helpt patiënten omgaan met restsymptomen. Ze leren gedachten
onderzoeken en relativeren.
Voorbeeld: iemand leert dat stemmen niet altijd opdrachten zijn, of gebruikt neuriën om de
stemmen te overstemmen.
Psychosociale behandeling
De omgeving speelt een belangrijke rol. Gezinsinterventies verminderen stress en helpen
terugval voorkomen. Hallucinatie-integratieve therapie leert omgaan met stemmen. Ook
sociale vaardigheidstraining en een vaste dagstructuur verbeteren het functioneren.
Prognose
Schizofrenie kan op elke leeftijd ontstaan, maar vaak tussen het 16e en 30e levensjaar. Als
de stoornis al vóór het 18e jaar begint, spreekt men van early-onset schizofrenie. Deze vorm
verloopt meestal ernstiger. De meeste patiënten herstellen gedeeltelijk met medicatie en
therapie, maar terugval komt vaak voor, vooral bij stress of het stoppen van medicatie.