Het aansprakelijkheidsrecht regelt onder welke voorwaarden je een ander met succes kunt aanspreken voor de
door jou geleden schade en het geeft ook regels over welke schade wel en niet voor vergoeding in aanmerking
komt.
De plaats van het aansprakelijkheidsrecht in het verbintenissenrecht
Het aansprakelijkheidsrecht maakt deel uit van het verbintenissenrecht, dat wordt geregeld in Boek 6 van het
BW. Het verbintenissenrecht omvat de regels betreffende verbintenissen. Een verbintenis is een
vermogensrechtelijke rechtsverhouding tussen twee of meer personen krachtens welke de een tot een prestatie
verplicht is (schuldenaar), terwijl de ander (schuldeiser) tot die prestatie is gerechtigd.
Verbintenissen kunnen in beginsel slechts voortvloeien uit de wet of uit een overeenkomst. Grondslagen voor
verbintenissen uit de wet zijn onrechtmatige daad (titel 6.3 BW), zaakwaarneming, onverschuldigde betaling en
ongerechtvaardigde verrijking (titel 6.4 BW). De verbintenissen die voortvloeien uit titel 6.4 BW (de
zogenaamde rechtmatige daden) blijven in deze cursus buiten beschouwing.
Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad doet een verbintenis tot schadevergoeding ontstaan. Deze
verbintenis heeft twee kanten: enerzijds de rechtsplicht (van de veroorzaker/dader) tot de betaling van
schadevergoeding en anderzijds het subjectieve vermogensrecht (van de benadeelde/slachtoffer) tot het
ontvangen van schadevergoeding.
Kennisclip: de plaats van het aansprakelijkheidsrecht in het verbintenissenrecht
Het aansprakelijkheidsrecht valt onder het privaatrecht, omdat het regels geeft voor de verhoudingen tussen
burgers of bedrijven onderling. Het privaatrecht kan worden onderverdeeld in het vermogensrecht en het
personenrecht. Het personenrecht geeft regels met betrekking tot natuurlijke personen, mensen van vlees en
bloed dus. Denk hierbij aan regels over de naam van een natuurlijk persoon of over het huwelijk tussen twee
personen. Het vermogensrecht bevat alle regels over rechten en verplichtingen die op geld waardeerbaar zijn.
Het vermogensrecht kan onderverdeeld worden in het goederenrecht en het verbintenissenrecht. Het
goederenrecht bevat regels die zien op de rechten die verbonden zijn aan zaken en vermogensrechten. Denk
bijvoorbeeld aan regels rondom het eigendom van een fiets. Het verbintenissenrecht bevat regels die de
rechten en plichten van partijen bij een verbintenis regelen. Enerzijds kan het gaan om verbintenissen uit
overeenkomst, zoals de verbintenissen die ontstaan uit een koopovereenkomst, de verbintenis tot betaling van
de koopprijs door de koper en de verbintenis tot levering van een verkochte zaak door de verkoper. Die regels
vind je terug in het contractenrecht.
,Anderzijds kan het ook gaan om verbintenissen uit de wet, waarbij geen sprake is van een overeenkomst. Denk
daarbij aan de ene automobilist die schade toebrengt aan de andere automobilist. Dat zijn de verbintenissen
die worden geregeld door het aansprakelijkheidsrecht.
Het aansprakelijkheidsrecht is dus onderdeel van het verbintenissenrecht. Een verbintenis is een
vermogensrechtelijke rechtsverhouding tussen twee of meer personen krachtens welke de een tot een prestatie
verplicht is (schuldenaar), terwijl de ander (schuldeiser) tot die prestatie is gerechtigd.
Het contractenrecht en het aansprakelijkheidsrecht geven regels over de twee belangrijkste bronnen van
verbintenissen: de overeenkomst en de onrechtmatige daad. Een opmerkelijk verschil tussen deze twee
rechtsfiguren heeft betrekking op de vorm. De meeste verbintenissen scheppen de overeenkomsten voor twee
verbintenissen in het leven die bovendien elkaars spiegelbeeld zijn. Stel, ik verkoop mijn wettenbundel voor 50
euro. Dan is de koopovereenkomst de bron van twee verbintenissen. De ene is de verbintenis tot levering voor
de verkoper, voor mij dus. Bij deze verbintenis is de koper de schuldeiser en ben ik als verkoper de schuldenaar.
De tweede is de verbintenis tot betaling van een koopprijs, door de koper. Bij deze verbintenis is de koper de
schuldenaar en ben ik als verkoper de schuldeiser. Maar vergelijk dit eens met de onrechtmatige daad. Stel mijn
buurman schopt een bal door mijn voorruit. In zo een geval is mijn buurman verplicht mijn schade te
vergoeden, terwijl op mij geen enkele verplichting rust. Hier is er maar één verbintenis, namelijk de verbintenis
tot betaling van schadevergoeding.
Er is ook inhoudelijk verschil tussen de twee rechtsfiguren. Overeenkomsten worden vrijwillig aangegaan, dat
wil zeggen dat beide partijen vrijwillig verplichtingen op zich nemen die tegenover elkaar staan. De
rechtsgevolgen van de overeenkomst worden in beginsel door de overeenkomst bepaald. De partijen hebben
die immers wel bewust gekozen. Daar zijn natuurlijk grenzen aan. De inhoud mag immers niet in strijd zijn met
de wet, de openbare orde of de goede zede. Maar het beginsel staat overeind, het intreden van de
rechtsgevolgen is afhankelijk van de wil van partijen. Bij een onrechtmatige daad is dat anders. Bij een
onrechtmatige daad is het niet de wil van partijen die de rechtsgevolgen bepaalt, maar de wet. En de wet
verbindt aan een onrechtmatige daad het rechtsgevolg dat de dader de schade aan de benadeelde dient te
vergoeden. Hier treden de rechtsgevolgen dus in onafhankelijk van de wil van partijen. Dat brengt ons op de
plaatsbepaling van onrechtmatige daad en de overeenkomst in het verbintenissenrecht.
De overeenkomst en de onrechtmatige daad vallen beide binnen de rechtscategorie van rechtsfeiten.
Rechtsfeiten zijn feiten waaraan het objectieve recht een rechtsgevolg koppelt. Feiten met rechtsgevolgen dus.
Binnen de categorie van de rechtsfeiten wordt er onderscheid gemaakt tussen rechtshandelingen en feitelijke
handelingen. Bij rechtshandelingen gaat het om handelingen met beoogde rechtsgevolgen. De rechtsgevolgen
treden in afhankelijk van de bedoeling van partijen. Onder deze categorie valt dus de overeenkomst.
,Bij feitelijke handelingen gaat het om handelingen waarbij de rechtsgevolgen van rechtswege intreden. Het
objectieve recht verbindt dan aan een bepaald feitencomplex een rechtsgevolg. We spreken van verbintenissen
uit de wet. De belangrijkste grondslag voor verbintenissen uit de wet is de onrechtmatige daad. Ook vormen de
rechtmatige daden grondsagen voor verbintenissen uit de wet. Het gaat hier om de leerstukken
zaakwaarneming, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking.
Het onderscheid tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid
Met aansprakelijkheidsrecht wordt in deze cursus het recht met betrekking tot aansprakelijkheid uit
onrechtmatige daad bedoeld. Om de tegenstelling met aansprakelijkheid wegens niet-nakoming van een
verbintenis uit overeenkomst aan te geven, wordt ook wel gesproken van buitencontractuele
aansprakelijkheid.
Een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst wordt wanprestatie
genoemd en kan leiden tot een vordering tot schadevergoeding. De wet kent hiervoor een eigen regeling (art.
6:74 e.v. BW). Aansprakelijkheid op grond van het niet nakomen van een overeenkomst noemt men
contractuele aansprakelijkheid. Deze problematiek komt aan bod bij de cursus Overeenkomstenrecht en blijft
in deze cursus buiten beschouwing.
Het kan voorkomen dat de gedragingen die aan de wanprestatie ten grondslag liggen tevens een onrechtmatige
daad opleveren. We spreken dan van samenloop van rechtsgronden. De vraag is op welke grondslag een
vordering in dergelijke gevallen mag worden gebaseerd. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de
benadeelde zijn vordering zowel op wanprestatie als op onrechtmatige daad mag baseren (hij mag dus kiezen)
wanneer de gedraging ook onafhankelijk van de contractuele verhouding als (zelfstandige) onrechtmatige daad
is te kwalificeren.
Kennisclip: het onderscheid tussen contractuele en buitencontractuele aansprakelijkheid
Contractuele aansprakelijkheid ontstaat wanneer iemand een verbintenis uit overeenkomst niet nakomt. Denk
aan een leverancier die niet op tijd levert of een aannemer die gebrekkig werk aflevert. Een toerekenbare
tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst wordt ook wel wanprestatie genoemd.
Wanprestatie kan leiden tot een vordering tot schadevergoeding (art. 6:74 BW e.v.).
De wet kent ook verschillende gevallen waarin iemand een ander tot betaling tot schadevergoeding kan
aanspreken, zonder dat er sprake hoeft te zijn van een contractuele relatie. De aansprakelijkheid vloeit dan niet
voort uit de overeenkomst, maar uit de wet. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat je een ladder laat vallen die
terecht komt op je buurvrouw. We spreken in dit soort gevallen van buitencontractuele aansprakelijkheid. De
belangrijkste grondslag voor buitencontractuele aansprakelijkheid is de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).
Denk ook aan aansprakelijkheid die voortvloeit uit de kwalitatieve aansprakelijkheidsgrondslagen, zoals
art. 6:173 en 6:185 BW.
Aansprakelijkheid kan dus zowel worden gebaseerd op overeenkomst als op onrechtmatige daad. Kunnen beide
vormen van aansprakelijkheid zich tegelijkertijd voordoen? Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat je een
cateraar inhuurt voor het verzorgen van een maaltijd voor jullie huwelijksfeest. De cateraar komt op de grote
dag niet opdagen, zodat je bruiloft in de soep loopt. Er is hier overduidelijk sprake van een wanprestatie. De
cateraar is de verplichting om een maaltijd te leveren niet nagekomen. Aansprakelijkheid kan hier dus worden
gebaseerd op de overeenkomst. Zou je hier niet ook een vordering kunnen instellen op grond van
onrechtmatige daad? Je zou namelijk kunnen beargumenteren dat het maatschappelijk onbetamelijk is om een
contractuele afspraak niet na te komen. De aansprakelijkheid zou ook kunnen worden gevestigd op grond van
onrechtmatige daad, omdat er in strijd zou zijn gehandeld met de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm.
Het gaat hier dus om de situatie dat op één gebeurtenis meerdere rechtsregels van toepassing kunnen zijn. We
spreken dan van samenloop. Bij samenloop van rechtsregels is het uitgangspunt dat het toepasselijk regels
cumulatief, dus naast elkaar van toepassing zijn. De benadeelde mag dan zelf de rechtsgrond kiezen waarop hij
zijn vordering baseert. Dat is alleen anders als de wet een bepaalde rechtsgrond dwingend voorschrijft of
onvermijdelijk meebrengt. In geval van samenloop tussen wanprestatie en onrechtmatige daad brengt het
systeem van de wet mee dat sprake is van zo een uitzondering. De reden hiervoor is, is dat de regeling die ziet
op wanprestatie kan worden gezien als een bijzondere regeling ten opzichte van de regeling die ziet op
, onrechtmatige daad. De wanprestatie regeling werkt daardoor exclusief ten opzichte van de onrechtmatige
daad regeling. Er is hier dus geen keuzevrijheid. Voor het bruidspaar uit de casus betekent dit dat zij een
schadevergoeding vordering alleen kunnen baseren op wanprestatie. Dit enkel niet nakomen van contractuele
verplichting is, zoals we hebben gezien, onvoldoende voor een geslaagd beroep op onrechtmatige daad.
Op het voorgaande is een belangrijke uitzondering van toepassing. In sommige bijzondere gevallen is
samenloop tussen wanprestatie en onrechtmatige daad toch mogelijk. De benadeelde kan dan toch kiezen op
welke rechtsgrond hij zijn vordering baseert. Dat mag alleen wanneer de gedraging onafhankelijk van de tussen
partijen bestaande contractuele verhouding een zelfstandige onrechtmatige daad oplevert. Bijvoorbeeld, Paul
en Anna hebben een overeenkomst gesloten waarin zij hebben geregeld dat Paul is toegestaan door de tuin van
Anna te lopen. Na enige tijd sluit Anna de tuin zodanig af, dat Paul niet meer door de tuin kan lopen. Paul lijdt
schade, omdat hij hierdoor te laat komt op zijn werk. In deze situatie kan een vordering uitsluitend worden
gebaseerd op wanprestatie. Het afsluiten van een eigen tuin is op zichzelf niet onrechtmatig. Dat het in dit geval
jegens Paul niet geoorloofd is om dat te doen, vloeit uitsluitend voort uit de contractuele verplichting die is
aangegaan.
Een ander voorbeeld, heeft Sanne een kostbare jurk van Lieke in bruikleen. In een milddadige bui knipt Sanne
een groot gat in de jurk. In deze situatie kan Lieke een vordering tot schadevergoeding zowel baseren op
wanprestatie als op onrechtmatige daad. Ook los van de contractuele relatie tussen Sanne en Lieke, is het
onrechtmatig om andermans spullen te vernielen.
Doelen en functies van het aansprakelijkheidsrecht
Wat kunnen en willen we met het aansprakelijkheidsrecht bereiken? Is dat (alleen) het vergoeden van schade
als gevolg van een normschending? Of dient het aansprakelijkheidsrecht ook voor de handhaving van andere
normen door de beïnvloeding van het gedrag van (potentiële) veroorzakers? Of is de doelstelling nog ruimer, en
valt daar ook onder de bescherming van emotionele belangen van benadeelden, zoals het bieden van
genoegdoening, de erkenning van leed, en het boven tafel krijgen van de werkelijke toedracht van de
gebeurtenis die daartoe aanleiding gaf? En als dit de belangrijkste doelstellingen zijn, zijn er dan aanwijzingen
of juist contra-indicaties om aan te nemen dat het aansprakelijkheidsrecht erin slaagt die doelstellingen te
realiseren?
De discussie over de doelstellingen van het aansprakelijkheidsrecht hangt samen met de rechtvaardiging van
aansprakelijkheid. Van oudsher wordt aansprakelijkheid gerechtvaardigd door corrigerende rechtvaardigheid,
dat wil zeggen, door herstel van de benadeelde in de oorspronkelijke situatie na een inbreuk. Omdat
schadevergoeding doorgaans in geld wordt uitgekeerd, komt dat neer op herstel van de benadeelde in diens
vermogenspositie. Door sommigen wordt betoogd dat het aansprakelijkheidsrecht ook tegemoet zou moeten
komen aan emotionele belangen van benadeelden. Dat vraagt om andere remedies dan het enkel bieden van
een geldelijke compensatie. Bij het aansprakelijkheidsrecht als handhavingsinstrument dienen zich weer andere
vragen aan. Is het aansprakelijkheidsrecht wel geschikt als instrument voor de handhaving van recht, dat wil
zeggen, voor het beïnvloeden van gedrag? Deze vraag raakt niet zozeer aan de legitimiteit als wel aan de
effectiviteit van het aansprakelijkheidsrecht.
De begrippen schuldaansprakelijkheid, kwalitatieve aansprakelijkheid en risicoaansprakelijkheid
We spreken van schuldaansprakelijkheid wanneer de aansprakelijkheid voor andermans schade is gebaseerd
op een verwijtbare gedraging. Aansprakelijkheid voor andermans schade kan ook zijn gebaseerd op een
omstandigheid die voor risico van de aansprakelijke behoort te komen. We spreken dan van
risicoaansprakelijkheid.
De aansprakelijkheid voor eigen handelen is geregeld in art. 6:162 BW. Het gaat daar om aansprakelijkheid voor
verwijtbaar handelen (schuldaansprakelijkheid), maar in sommige gevallen kunnen gedragingen ook buiten
schuld worden toegerekend (zie art. 6:162 lid 3 BW, waarover uitgebreid leereenheid 3). In art. 6:162 BW is dus
zowel een schuld-element als een risico-element terug te vinden.
De aansprakelijkheid voor eigen handelen zoals geregeld in art. 6:162 BW komt in deze cursus aan bod in
leereenheid 2.