Inhoudsopgave
Inleiding 2
Hoofdstuk 1: Van alledaags bewijs naar bewijs in strafzaken 3
Hoofdstuk 2: Bewijsmiddelen zijn niet het bewijs 5
Hoofdstuk 3: De rechter als wetenschapper 8
Hoofdstuk 4: Interpreteren van scenario’s en bewijs 10
Hoofdstuk 5: Bewijsfouten en forensisch technisch bewijs 14
Hoofdstuk 6: Eenvoudige waarheidsbevinding 18
Hoofdstuk 7: Gezichten, getuigen en geuren21
Hoofdstuk 8: Bekentenissen: de goede en de slechte verdachte 25
Hoofdstuk 9: Rekenen met bewijs 28
Hoofdstuk 10: De schemabouwers 33
Hoofdstuk 11: Wat met bewijs kan worden gedaan 35
Hoofdstuk 12: De wetenschappelijke rechter 40
1
, Inleiding
Binnen elke strafzaak zijn telkens 2 vragen het belangrijkste:
1. Is de verdachte schuldig?
2. Welke straf krijgt hij?
Slecht politieonderzoek en rechterlijke dwaling kan tot gevolg hebben dat een persoon ten
onrechte wordt bestraft. Maar er bestaan geen zaken met absoluut bewijs. In geval van twijfel,
moet de rechter vrijspreken.
De gemaakte fouten van rechters is tweedelig:
1. Er worden nu eenmaal overal fouten gemaakt waar wordt gewerkt.
2. Je mag het rechters niet te zwaar rekenen, want in het overgrote merendeel van de
zaken gaat het goed.
In het Nederlands bewijssysteem staat genoteerd wanneer een rechter op grond van een
minimumaantal wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging is gekomen. In de praktijk zijn
rechters erg vrij.
2
, Hoofdstuk 1: Van alledaags bewijs naar bewijs in strafzaken
In het alledaags leven zijn wij geneigd genoegen te nemen met zwak bewijs. Vooral bewijs
van-horen-zeggen.
Het strafrecht heeft een maatschappelijke functie: het moet de burgers, of ze nu schuldig of
onschuldig zijn, beschermen tegen de almacht van de staat. Zonder de regels van de
Wetboeken, kan de overheid zijn gang gaan met bestraffen etc.
Rechtsbescherming verlenen is derhalve een belangrijke taak van de rechter.
De bewijsbeslissing moet zo zijn ingericht dat bescherming wordt geboden tegen een
onterechte vervolging door de staat.
1. De eerste regel daarbij is dat de staat moet bewijzen dat de verdachte het misdrijf
pleegde.
2. Aan het strafrechtelijk bewijs worden hogere eisen gesteld dan aan bewijs in het
dagelijks leven.
De minimumbewijsregel
Er moet een minimum aan bewijs zijn voordat de rechter mag veroordelen, om te voorkomen
dat personen onterecht worden bestraft. Er moeten ten minste twee bronnen zijn op grond
waarvan de schuld van de verdachte kan worden aangenomen. Het aanvullende tweede bewijs
hoeft niet veel voor te stellen.
Tegenwoordig stelt de Hoge Raad hogere eisen aan het bewijsminimum.
Schakelbewijs = als eenmaal een strafbaar feit bewezen is geacht, kan dat worden gebruikt om
de verdachte opnieuw voor een soortgelijk misdrijf te veroordelen. Bijvoorbeeld: twee
overvallen op dezelfde manier gepleegd in de buurt.
Een uitzondering op de bewijsminimumregel is dat de verklaring van een enkele
opsporingsambtenaar voldoende bewijs vormt en dat daarnaast geen tweede bewijsmiddel is
vereist.
Bewijsregels elders
In andere landen zijn er veel regels en wordt vaak met een jury naast de rechter gewerkt.
De Nederlandse regels gaan niet over de toelating van bewijs, maar over welk bewijs bij de
beslissing van de rechter een rol mag spelen en hoe de rechter zijn beslissing bewijstechnisch
moet verantwoorden.
3
, Drie benaderingen: statistiek, verhalen en argumenten
Deze onderwerpen komen later in het boek nog terug. Alle drie schieten te kort bij het helpen
van de rechter om zijn beslissing te nemen. Daar wordt nu veel onderzoek naar gedaan. Ook
met AI proberen ze de rechtswetenschappen te toetsen.
De statistische benadering gaat ervan uit dat het bewijs en dus uiteindelijk de rechterlijke
beslissing op een meer of minder getalsmatige manier kan worden gewaardeerd.
Bij de verhaalsbenadering wordt voorgesteld dat bewijzen het vertellen en waarderen van
verhalen is. Voorstanders beargumenteerden dat de verhalenaanpak de enige manier is waarop
mensen over bewijs kunnen rederneren. En hoe dat bewijzen langs verhaallijnen verloopt.
Of je neemt argumenten als uitgangspunt. In die methode worden argumenten systematisch in
schema’s ondergebracht om hun waarde en onderlinge verhoudingen te onderzoeken. Vaak
door middel van argumentatieschema’s.
4