HC Week 1
Definitie
Criminalistiek is terugredeneren.
NFI
- Het NFI heeft geen opsporingsbevoegdheden of -taken
- Het NFI heeft geen toezichthoudende rol op het OM, de politie of andere opdrachtgevers
- Het NFI is een onafhankelijke dienstverlener
- Aanvragers zijn vrij om een forensische dienstverlener te kiezen
- Kerntaken:
o Onderzoek in strafzaken (70%)
o Research & Development (15%)
o Centrum van kennis en expertise (15%)
Forensische disciplines
Forensische wetenschap omvat disciplines die:
- Niet natuurwetenschappelijk zijn, zoals rechtspsychologie en forensische accountancy;
- Die niet (hoofdzakelijk) op waarheidsvinding gericht zijn, zoals forensische psychologie en
psychiatrie
Criminalistische processen:
- Identificatie: bepalen van de samenstelling van sporen (bv drugs)
- Classificatie: bepaal klasse, type spoor (haren, vezels)
- Individualisatie: unieke bron van sporen bepalen (vingerafdrukken)
- Associatie: bepaal relevant contact, bv tussen twee voorwerpen (vezels, glas, mes)
- Reconstructie: bepalen hoe het gebeurde: aard en plaats van de gebeurtenissen in tijd en
ruimte (moord, explosie)
Klassieke principes
Locard’s Exchange Principle; Transfer Principle:
- Every contact leaves a trace (Edmond Locard (1877-1966); verdachte slachtoffer
- Niemand kan handelen met de intensiteit die vereist is voor de criminele activiteit, zonder
meerdere sporen achter te laten. Soms heeft de dader de sporen van zijn activiteit op de
plaats van de misdaad achtergelaten, en soms heeft hij op zijn lichaam of op zijn kleding de
bewijzen van zijn verblijf of van zijn activiteit meegedragen.
Divisibility of Matter (Keith Inman & Norah Rudin): materie splitst zich in kleinere componenten
wanneer er voldoende kracht op wordt uitgeoefend. De componenten krijgen eigenschappen die
ontstaan door het proces van deling zelf en behouden de fysisch-chemische eigenschappen van het
grotere geheel.
Principe van uniciteit: “Nature never repeats itself” (Kirk, 1963): “According to an old axiom, nature
never reproduces herself exactly”. Robertson & Vigneaux (1995): Objects may be indistinguishable,
but they are never identical. Wittgenstein (1961): Alle objecten zijn uniek. Twee objecten kunnen
niet dezelfde positie in tijd en ruimte innemen. Geen twee objecten zijn identiek, zelf als we ze niet
kunnen onderscheiden.
, Buhmann: kijken naar twee foto’s en makkelijk kunnen vergelijken d.m.v. stippenpatronen.
Bertillon (1853-1914): Antropometrie/Bertillonnage lengte van het lichaam, lengte en breedte
van de schedel, grootte van het rechteroor en de linkervoet. Het herkennen en identificeren van een
recidivist lukte voor het eerst in 1883 door vergelijking van metingen met geregistreerde
antropometrische gegevens. Gaf ook ruimte voor eerste vingerafdrukken (nog geen vingersporen!!).
Aristoteles (384-322 v.C.): Syllogisme, deductie:
- Major-premisse (alle mensen zijn sterfelijk)
- Minor-premisse (Grieken zijn mensen)
- Conclusie (dus Grieken zijn sterfelijk)
- Alle mensen zijn sterfelijk, Grieken zijn mensen, dus Grieken zijn sterfelijk.
Individualisatie principe: “Dat kan geen toeval zijn”. Bepaling van de unieke gemeenschappelijke
bron van het bekende en onbekende materiaal (referentie en spoor). Wanneer twee items zoveel
gemeenschappelijke kenmerken hebben en zo’n betekenis hebben dat ze niet gelijktijdig toevallig
kunnen voorkomen, en er geen onverklaarbare verschillen zijn, dan kan worden geconcludeerd dat
ze hetzelfde zijn, of uit dezelfde bron afkomstig.
- Klassenkenmerken zijn algemene kenmerken die een groep objecten onderscheiden van een
universum van diverse objecten. In een vergelijkingsproces dienen klassenkenmerken een
zeer nuttig doel om een groot aantal items te screenen door die items uit te sluiten die niet
de kenmerken delen die alle leden van die groep gemeen hebben. Klassenkenmerken
kunnen mogen geen uniciteit vaststellen. Op basis van klassenkenmerken kom je niet bij 1
unieke bron terecht.
- Individuele kenmerken, daarentegen, zijn die uitzonderlijke kenmerken die de uniciteit van
een object kunnen bepalen. Erkend moet worden dat een individueel kenmerk, op zichzelf
genomen, niet per se uniek hoeft te zijn. De uniciteit van een object kan worden bepaald
door een samenspel van individuele kenmerken. Een kras op het oppervlak van een kogel is
bijvoorbeeld geen unieke gebeurtenis; het is een rangschikking van de krassen op de kogel
die deze als uniek markeert.
- Traditionele individualisatie:
1. Vergelijk spoor met referentiemateriaal
2. Zoek naar overeenkomsten
3. Zoek naar verschillen
4. Bepaal of verschillen verklaarbaar zijn, d.w.z. niet in strijd zijn met een gemeenschappelijke
oorsprong
5. Bepaal of de overeenkomsten voldoende groot zijn om van een (waarschijnlijke)
individualisatie te spreken
- Maar wat is “voldoende groot”?
- We kunnen nooit een unieke gemeenschappelijke oorsprong bepalen zonder alle andere
kandidaten te observeren en uit te sluiten
Osborn (1910): om te bewijzen dat twee documenten door dezelfde hand zijn geschreven, moet
worden aangetoond dat er toevalligheden in voorkomen die niet toevallig kunnen zijn.
Vingerafdrukken
Bij het analyseren van vingerafdrukken wordt gekeken naar de lijntjes in de afdruk, minutiae.
Belangrijke punten die genoteerd worden, zijn: einden, splitsingen, twee splits, twee eindes.
Definitie
Criminalistiek is terugredeneren.
NFI
- Het NFI heeft geen opsporingsbevoegdheden of -taken
- Het NFI heeft geen toezichthoudende rol op het OM, de politie of andere opdrachtgevers
- Het NFI is een onafhankelijke dienstverlener
- Aanvragers zijn vrij om een forensische dienstverlener te kiezen
- Kerntaken:
o Onderzoek in strafzaken (70%)
o Research & Development (15%)
o Centrum van kennis en expertise (15%)
Forensische disciplines
Forensische wetenschap omvat disciplines die:
- Niet natuurwetenschappelijk zijn, zoals rechtspsychologie en forensische accountancy;
- Die niet (hoofdzakelijk) op waarheidsvinding gericht zijn, zoals forensische psychologie en
psychiatrie
Criminalistische processen:
- Identificatie: bepalen van de samenstelling van sporen (bv drugs)
- Classificatie: bepaal klasse, type spoor (haren, vezels)
- Individualisatie: unieke bron van sporen bepalen (vingerafdrukken)
- Associatie: bepaal relevant contact, bv tussen twee voorwerpen (vezels, glas, mes)
- Reconstructie: bepalen hoe het gebeurde: aard en plaats van de gebeurtenissen in tijd en
ruimte (moord, explosie)
Klassieke principes
Locard’s Exchange Principle; Transfer Principle:
- Every contact leaves a trace (Edmond Locard (1877-1966); verdachte slachtoffer
- Niemand kan handelen met de intensiteit die vereist is voor de criminele activiteit, zonder
meerdere sporen achter te laten. Soms heeft de dader de sporen van zijn activiteit op de
plaats van de misdaad achtergelaten, en soms heeft hij op zijn lichaam of op zijn kleding de
bewijzen van zijn verblijf of van zijn activiteit meegedragen.
Divisibility of Matter (Keith Inman & Norah Rudin): materie splitst zich in kleinere componenten
wanneer er voldoende kracht op wordt uitgeoefend. De componenten krijgen eigenschappen die
ontstaan door het proces van deling zelf en behouden de fysisch-chemische eigenschappen van het
grotere geheel.
Principe van uniciteit: “Nature never repeats itself” (Kirk, 1963): “According to an old axiom, nature
never reproduces herself exactly”. Robertson & Vigneaux (1995): Objects may be indistinguishable,
but they are never identical. Wittgenstein (1961): Alle objecten zijn uniek. Twee objecten kunnen
niet dezelfde positie in tijd en ruimte innemen. Geen twee objecten zijn identiek, zelf als we ze niet
kunnen onderscheiden.
, Buhmann: kijken naar twee foto’s en makkelijk kunnen vergelijken d.m.v. stippenpatronen.
Bertillon (1853-1914): Antropometrie/Bertillonnage lengte van het lichaam, lengte en breedte
van de schedel, grootte van het rechteroor en de linkervoet. Het herkennen en identificeren van een
recidivist lukte voor het eerst in 1883 door vergelijking van metingen met geregistreerde
antropometrische gegevens. Gaf ook ruimte voor eerste vingerafdrukken (nog geen vingersporen!!).
Aristoteles (384-322 v.C.): Syllogisme, deductie:
- Major-premisse (alle mensen zijn sterfelijk)
- Minor-premisse (Grieken zijn mensen)
- Conclusie (dus Grieken zijn sterfelijk)
- Alle mensen zijn sterfelijk, Grieken zijn mensen, dus Grieken zijn sterfelijk.
Individualisatie principe: “Dat kan geen toeval zijn”. Bepaling van de unieke gemeenschappelijke
bron van het bekende en onbekende materiaal (referentie en spoor). Wanneer twee items zoveel
gemeenschappelijke kenmerken hebben en zo’n betekenis hebben dat ze niet gelijktijdig toevallig
kunnen voorkomen, en er geen onverklaarbare verschillen zijn, dan kan worden geconcludeerd dat
ze hetzelfde zijn, of uit dezelfde bron afkomstig.
- Klassenkenmerken zijn algemene kenmerken die een groep objecten onderscheiden van een
universum van diverse objecten. In een vergelijkingsproces dienen klassenkenmerken een
zeer nuttig doel om een groot aantal items te screenen door die items uit te sluiten die niet
de kenmerken delen die alle leden van die groep gemeen hebben. Klassenkenmerken
kunnen mogen geen uniciteit vaststellen. Op basis van klassenkenmerken kom je niet bij 1
unieke bron terecht.
- Individuele kenmerken, daarentegen, zijn die uitzonderlijke kenmerken die de uniciteit van
een object kunnen bepalen. Erkend moet worden dat een individueel kenmerk, op zichzelf
genomen, niet per se uniek hoeft te zijn. De uniciteit van een object kan worden bepaald
door een samenspel van individuele kenmerken. Een kras op het oppervlak van een kogel is
bijvoorbeeld geen unieke gebeurtenis; het is een rangschikking van de krassen op de kogel
die deze als uniek markeert.
- Traditionele individualisatie:
1. Vergelijk spoor met referentiemateriaal
2. Zoek naar overeenkomsten
3. Zoek naar verschillen
4. Bepaal of verschillen verklaarbaar zijn, d.w.z. niet in strijd zijn met een gemeenschappelijke
oorsprong
5. Bepaal of de overeenkomsten voldoende groot zijn om van een (waarschijnlijke)
individualisatie te spreken
- Maar wat is “voldoende groot”?
- We kunnen nooit een unieke gemeenschappelijke oorsprong bepalen zonder alle andere
kandidaten te observeren en uit te sluiten
Osborn (1910): om te bewijzen dat twee documenten door dezelfde hand zijn geschreven, moet
worden aangetoond dat er toevalligheden in voorkomen die niet toevallig kunnen zijn.
Vingerafdrukken
Bij het analyseren van vingerafdrukken wordt gekeken naar de lijntjes in de afdruk, minutiae.
Belangrijke punten die genoteerd worden, zijn: einden, splitsingen, twee splits, twee eindes.