Maatschappijwetenschappen hoofdstuk 1 ™ 10 samenvatting.
1.1 Identiteit
Een referentiekader is het geheel van kennis, ideeën, ervaringen en overtuigingen van waaruit een
persoon denkt en handelt. Dit noemen we ook wel de ´sociale bril´.
Je identiteit is het beeld dat iemand van zichzelf heeft (het zelfbeeld), het beeld dat hij uitdraagt en
mensen voorhoudt, en het beeld dat iemand als kenmerkend en blijvend beschouwd voor zijn eigen
persoon en dat is afgeleid van de groep waar hij bij hoort.
1.2 Kans en variabele
Kans = de waarschijnlijkheid dat een bepaalde gebeurtenis zal optreden
Variabele = een kenmerk van een actor of samenleving dat kan variëren.
vb. leeftijd, gewicht, iq, woonplaats, inkomen, opleiding.
1.3 Socialisatie
Socialisatie = het proces van overdracht en verwerving van de cultuur van de groep en de
samenleving waar mensen toe behoren. Dit is ook wel het proces van leren samenleven.
Er zijn bijzondere vormen van socialisatie:
1. Politieke socialisatie
2. Landelijke socialisatie
Ook zijn er verschillende soorten socialisatie:
1. Enculturatie, dit is het aanleren van de cultuur waarin je geboren wordt.
2. Acculturatie, dit is het aanleren van de cultuur die nieuw voor je is.
1.4 Conceptueel model
De invloed van variabelen op elkaar kan worden weergegeven in een conceptueel model, deze zijn
nodig om een onderzoek beter te laten verlopen:
variabele -------------------------- invloed ---------------------------> variabele
1.5 Tegendraads
Er zijn 2 soorten opvoedingsstijlen:
1. De participatieve opvoedingsstijl. Hier krijgen kinderen vaker positieve sancties van hun
ouders die zelfstandigheid belangrijk vinden.
2. De repressieve opvoedingsstijl. Kinderen krijgen negatieve sancties van hun ouders die
zelfstandigheid niet zo heel belangrijk vinden. Vaak worden ze ook afhankelijk van hun
ouders op lange termijn.
, 2.2 Groepsvorming
Er zijn 4 soorten type bindingen:
1. Affectieve bindingen. Dit zijn bindingen op basis van emotie.
2. Cognitieve bindingen. Dit zijn bindingen op het gebied van kennis.
3. Economische bindingen. Dit zijn bindingen op het gebied van werk en geld.
4. Politieke bindingen. Dit zijn bindingen op het gebied van wat moet worden geregeld.
Cognitieve, economische en politieke bindingen kunnen tegelijkertijd ook affectief zijn.
In een groep is spreek je meestal van sociale controle: Dat is wanneer anderen jou ertoe brengen (of
dwingen) je te houden aan de normen van de groep. Je kunt dit onderverdelen in:
- Informele sociale controle: Als anderen je ertoe brengen of dwingen je te houden aan de
normen van de groep, dit is niet officieel vastgelegd en niet gebonden aan regels.
- Formele sociale controle: Als mensen vanuit hun beroep of functie je op de regels wijzen.
Outgroup = mensen die niet bij de groep horen
Wanneer behoort men tot de outgroup?
- Omdat ze er niet bij kunnen horen.
- Omdat ze er niet bij willen horen.
- Omdat ze er niet bij mogen horen.
Stereotypen = vaststaande gegeneraliseerde beelden en ideeën over een groep mensen.
Vooroordelen = vooringenomen meningen over een groep mensen.
2.3 Indicatoren en categorieën.
Om in een onderzoek een variabele meetbaar te maken moet een indicator benoemd worden: Een
indicator is een meetbaar fenomeen dat een signalerende functie heeft en een aanwijzing geeft over
de mate van kwaliteit.
vb. De variabele ´opleidingsniveau´ kan onderzocht worden door iemands hoogst afgeronde
opleiding te onderzoeken.
Sociale categorieën → groepen bestaand uit mensen die bepaalde kenmerken delen maar geen
waarden en normen met elkaar hebben.
2.3 Sociale cohesie
Sociale cohesie = het aantal en de kwaliteit van de bindingen die mensen in een ruimer sociaal
kader met elkaar hebben.
Wat houdt de samenleving bijeen?
- Gedeelde waarden en normen: saamhorigheidsbesef (gevoel van erbij horen).
- Wederzijdse afhankelijkheid.
- Dwang: opgelegde vorm van binding.
1.1 Identiteit
Een referentiekader is het geheel van kennis, ideeën, ervaringen en overtuigingen van waaruit een
persoon denkt en handelt. Dit noemen we ook wel de ´sociale bril´.
Je identiteit is het beeld dat iemand van zichzelf heeft (het zelfbeeld), het beeld dat hij uitdraagt en
mensen voorhoudt, en het beeld dat iemand als kenmerkend en blijvend beschouwd voor zijn eigen
persoon en dat is afgeleid van de groep waar hij bij hoort.
1.2 Kans en variabele
Kans = de waarschijnlijkheid dat een bepaalde gebeurtenis zal optreden
Variabele = een kenmerk van een actor of samenleving dat kan variëren.
vb. leeftijd, gewicht, iq, woonplaats, inkomen, opleiding.
1.3 Socialisatie
Socialisatie = het proces van overdracht en verwerving van de cultuur van de groep en de
samenleving waar mensen toe behoren. Dit is ook wel het proces van leren samenleven.
Er zijn bijzondere vormen van socialisatie:
1. Politieke socialisatie
2. Landelijke socialisatie
Ook zijn er verschillende soorten socialisatie:
1. Enculturatie, dit is het aanleren van de cultuur waarin je geboren wordt.
2. Acculturatie, dit is het aanleren van de cultuur die nieuw voor je is.
1.4 Conceptueel model
De invloed van variabelen op elkaar kan worden weergegeven in een conceptueel model, deze zijn
nodig om een onderzoek beter te laten verlopen:
variabele -------------------------- invloed ---------------------------> variabele
1.5 Tegendraads
Er zijn 2 soorten opvoedingsstijlen:
1. De participatieve opvoedingsstijl. Hier krijgen kinderen vaker positieve sancties van hun
ouders die zelfstandigheid belangrijk vinden.
2. De repressieve opvoedingsstijl. Kinderen krijgen negatieve sancties van hun ouders die
zelfstandigheid niet zo heel belangrijk vinden. Vaak worden ze ook afhankelijk van hun
ouders op lange termijn.
, 2.2 Groepsvorming
Er zijn 4 soorten type bindingen:
1. Affectieve bindingen. Dit zijn bindingen op basis van emotie.
2. Cognitieve bindingen. Dit zijn bindingen op het gebied van kennis.
3. Economische bindingen. Dit zijn bindingen op het gebied van werk en geld.
4. Politieke bindingen. Dit zijn bindingen op het gebied van wat moet worden geregeld.
Cognitieve, economische en politieke bindingen kunnen tegelijkertijd ook affectief zijn.
In een groep is spreek je meestal van sociale controle: Dat is wanneer anderen jou ertoe brengen (of
dwingen) je te houden aan de normen van de groep. Je kunt dit onderverdelen in:
- Informele sociale controle: Als anderen je ertoe brengen of dwingen je te houden aan de
normen van de groep, dit is niet officieel vastgelegd en niet gebonden aan regels.
- Formele sociale controle: Als mensen vanuit hun beroep of functie je op de regels wijzen.
Outgroup = mensen die niet bij de groep horen
Wanneer behoort men tot de outgroup?
- Omdat ze er niet bij kunnen horen.
- Omdat ze er niet bij willen horen.
- Omdat ze er niet bij mogen horen.
Stereotypen = vaststaande gegeneraliseerde beelden en ideeën over een groep mensen.
Vooroordelen = vooringenomen meningen over een groep mensen.
2.3 Indicatoren en categorieën.
Om in een onderzoek een variabele meetbaar te maken moet een indicator benoemd worden: Een
indicator is een meetbaar fenomeen dat een signalerende functie heeft en een aanwijzing geeft over
de mate van kwaliteit.
vb. De variabele ´opleidingsniveau´ kan onderzocht worden door iemands hoogst afgeronde
opleiding te onderzoeken.
Sociale categorieën → groepen bestaand uit mensen die bepaalde kenmerken delen maar geen
waarden en normen met elkaar hebben.
2.3 Sociale cohesie
Sociale cohesie = het aantal en de kwaliteit van de bindingen die mensen in een ruimer sociaal
kader met elkaar hebben.
Wat houdt de samenleving bijeen?
- Gedeelde waarden en normen: saamhorigheidsbesef (gevoel van erbij horen).
- Wederzijdse afhankelijkheid.
- Dwang: opgelegde vorm van binding.