Hoofdstuk 1 Voorgeschiedenis
- William Jones (1746-1794): Grondlegger historische taalkunde, ‘taalfamilie’
- August Schleicher (1821-1868): Ontwerper stamboomtheorie
o Talen zijn organismen waaruit nieuwe soorten ontstaan (dochters)
- Johannes Schmidt (1843-1901): Opsteller golftheorie
o Geografische verbreiding van talige elementen door overname (steen in
water gooien: hoe verder weg, hoe minder krachtig de golven)
- (Oer-)Indo-Europees = hoofddialect
- Marija Gimbutas (1921-1994): Ontwerper koerganhypothese (standaardtheorie)
verbreiding Indo-Europese volken
o Koergan = grafheuvel
1. Indo-Europese oorsprong in Oekraïne; Sredny Stog-cultuur
2. Indo-Germaanse cultuur -> koergan-/jamnacultuur
3. Indo-Germanen verspreidden cultuur over Noord-Europa
(kogelamforencultuur)
4. Cultuur mengde met aanwezige bevolkingsgroepen (Trechterbekervolk)
5. Verdere verspreiding Indo-Germanen -> enkelgraf-/touwbekercultuur
- Oud-Europese relicten = autochtone woorden uit eerdere taalstadia die opgenomen
zijn in nieuwe taal
- Substraat/erfwoorden = taal die oorspronkelijk werd gesproken in een gemeenschap
waarbinnen nu een andere omgangstaal wordt gebruikt
Taalverschillen
- Satemisering satemtalen (satem = honderd): /’k/ -> /š/, centrumtalen behielden /k/
- Klankveranderingsregel
- Prototalen uit Indo-Germaans als hoofddialecten
Oergermaans
- Keltische woorden overgenomen door Germanen (ambacht, ijzer)
- Rijn als grensrivier tussen Romeinen en Germanen, ondanks dat alsnog handel,
intensieve contacten en overname technieken
- Cognaten = woorden met dezelfde afstamming
o Korte ŏ -> â, lange ã -> ō
o ŭ -> syllabedragende consonanten -> loop[m]
- Rasmus Rask (1787-1832): stelselmatige verwantschap
- Jacob Grimm (1785-1863): Wet van Grimm (Eerste Germaanse taalverschuiving)
o Oorspronkelijke stemloze explosieven werden fricatieven
o Stemhebbende explosieven werden stemloos
o Stemhebbende geaspireerde explosieven werden fricatieven
- Deen Karl Verner (1846-1896): Wet van Verner
, o Wanneer woordaccent niet op onmiddellijk voorafgaande syllabe ligt, wordt
de consonant in een fricatief stemhebbend (z i.p.v. s)
- Grammatischer Wechsel: de Wet van Verner manifesteert zich ook in alternerende
vormen van hetzelfde woord
- Rotacisme = verandering van /z/ in /r/
- Ausnahmslosigkeitsgedachte: principe van uitzonderingsloosheid
o Regels waaruit talen waren opgebouwd werden verondersteld algemeen te
zijn, waardoor wetten vrij van uitzonderingen werden geacht
- Geminaten = dubbele/lange medeklinkers
Ablaut = klinkerverwisseling
- Kwalitatieve ablaut = kwaliteit van de klinker
- Kwantitatieve ablaut = meer of minder van de klinker
- Veroorzakers: morfologisch, fonologisch
Wisselende vocalen in hoofdvormen
- Infinitief en tegenwoordige tijd
- Verleden tijd enkelvoud
- Verleden tijd meervoud
- Voltooid deelwoord
Zwakke werkwoordklassen
- Aantonende wijs (indicatief)
- Aanvoegende wijs (conjunctief)
- Gebiedende wijs (imperatief)
- Lijdende vorm
Gemeengermaans
- /h/ < /X/
- /n/ -> /X/
- Bijzondere veranderingen vocalen
o I/j-umlaut
o U-umlaut
o A-umlaut
- Diftong ei -> monoftong /i:/ (bijten, grijpen)
Oud-Noord-Germaans; Inscripties in runentekens, Oernoordse fase
Oost-Germaanse Gotisch
- Zelfstandig naamwoord wordt ingedeeld in stamklassen; vocaal-/consonantstammen
- Woord = stam + uitgang; stam = [[wortel] + [stamvormend element: V, C of ‘nul’]]
- Kortstammig = wortelsyllaben met korte vocaal als kern gevolgd door consonant
- O-stammen (vrouwelijk)
- I-stammen (mannelijk of vrouwelijk)
, - U-stammen (mannelijk of vrouwelijk)
- Woord = stam + evt. optatiefteken + uitgang; stam = wortel + themavocaal
Hoofdstuk 2 Van Oud-West-Germaans naar Oud- en Middelnederlands (0-1200 n. Chr.)
400 n. Chr. Ineenstorting West-Romeinse rijk -> trek diverse bevolkingsgroepen
‘oudste zin’ +/- 1100: Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu uuat onbidan
we nu (alle vogels zijn nesten begonnen, behalve jij en ik. Wat wachten we nu?)
Oud-West-Germaans, wijzigingen
- Korte vocalen in open lettergreep
Syncopewet van Sievers: verdwijnen van de korte i
I-umlaut
- Lange klinkers
/e:/
- Diftongen: eo, iu, ai, au
Eo -> io iu -> iü ai -> ei au -> ou
- Consonanten
/z/ -> /r/ /X/ -> /h/ /Xw/ -> hw /ngu/ -> /ng/
Medeklinkerverdubbeling bij j, r en l (tt, kk etc.)
Ingvaeoonse kenmerken
1. /Ɛ:/ -> /e:/
2. Ontronding
3. N-deletie en Ersatzdehnung
4. Hoogduitse klankverschuiving: /k/ -> /(k)X/ /t/ -> /(t)s/ /p/ -> /pf/
- Isoglosse: grenslijn tussen onderscheiden realiseringen van een taalklankverschuiving
5. I- of j-umlaut van lange vocalen
Oudnederlands, wijzigingen vocalen
1. Ontronding en ronding: /y/ -> /i/
2. Fronting van /u/
3. Vocaalversmelting na verlies van intervocalische /h/
4. Diftongering van ô > uo en ê > ië en samenval van ĭŏ met ië
5. Monoftongering van /iy/ tot /y/
6. Monoftongering van ŏǔ tot ô en van ěĭ tot ê
7. Verlaging van ǔ tot ŏ
8. Vocaalreductie
9. Rekking in open lettergreep: latere analogische gelijkmaking
10. Spontane palatalisatie van /u:/ -> /y:/
11. Wijzigingen voor /r/ en /w/