Grondslagen: Evolutionaire Psychologie (PB1422) 2025
Hoofdstuk 1 en 2;
Vraag 1
Wat is het belangrijkste uitgangspunt van de evolutionaire psychologie?
A. Menselijk gedrag wordt volledig bepaald door sociale en culturele invloeden.
B. De menselijke geest is een product van natuurlijke selectie en kan worden
begrepen in evolutionaire termen.
C. De menselijke geest is uniek en losgekoppeld van biologische evolutie.
D. Gedrag is volledig aangeleerd en niet erfelijk.
1. → B
De evolutionaire psychologie beschouwt de menselijke geest als een product van
natuurlijke selectie.
Vraag 2
Wat bedoelt men met ultieme vragen binnen de evolutionaire psychologie?
A. Ze verklaren hoe gedrag zich ontwikkelt tijdens het leven.
B. Ze gaan over de functie en evolutionaire oorsprong van gedrag.
C. Ze richten zich op directe fysiologische oorzaken van gedrag.
D. Ze beschrijven de rol van leerprocessen in gedrag.
2. → B
Ultieme vragen richten zich op de functie en evolutionaire oorsprong van gedrag
(waarom iets bestaat).
Vraag 3
Wat was volgens Jean-Baptiste Lamarck een belangrijk mechanisme van
evolutie?
A. Natuurlijke selectie en erfelijke variatie.
B. Verwerving van eigenschappen door gebruik of niet-gebruik, die vervolgens
erfelijk worden.
C. Genetische mutaties die willekeurig optreden.
D. Overerving van eigenschappen door seksuele selectie.
3. → B
Lamarck dacht dat verworven eigenschappen erfelijk zijn — een idee dat later
onjuist bleek.
Vraag 4
Wat hield Darwins idee van differentiële reproductie in?
A. Alleen de sterkste individuen overleven.
B. Individuen met bepaalde erfelijke eigenschappen laten meer nakomelingen
achter dan anderen.
C. Soorten passen zich willekeurig aan hun omgeving aan.
D. Erfelijke variatie verdwijnt door vermenging.
4. → B
Differentiële reproductie betekent dat individuen met voordelige eigenschappen
meer nakomelingen krijgen.
,Vraag 5
Wat ontdekte Mendel met zijn kruisingsexperimenten met erwtenplanten?
A. Eigenschappen worden altijd gemengd overgeërfd.
B. Erfelijke eigenschappen worden discreet overgedragen via vaste eenheden
(genen).
C. Verworven eigenschappen kunnen worden doorgegeven.
D. Alleen dominante eigenschappen worden geërfd.
5. → B
Mendel ontdekte dat eigenschappen discreet worden overgedragen via erfelijke
eenheden (genen).
Vraag 6
Wat was de belangrijkste fout van het blendmodel dat vóór Mendel populair was?
A. Het ging uit van dominante en recessieve genen.
B. Het veronderstelde dat erfelijke eigenschappen steeds vermengden, waardoor
variatie verdween.
C. Het negeerde omgevingsinvloeden.
D. Het hield geen rekening met seksuele voortplanting.
6. → B
Het blendmodel ging uit van vermenging, waardoor erfelijke variatie verdween —
iets wat Mendel weerlegde.
Vraag 7
Wie introduceerde de term eugenetica en wat was het doel ervan?
A. Charles Darwin – om te verklaren waarom natuurlijke selectie werkt.
B. Francis Galton – om de menselijke populatie te verbeteren via selectieve
voortplanting.
C. Sigmund Freud – om de invloed van opvoeding te benadrukken.
D. William James – om psychologische adaptaties te bestuderen.
7. → B
Francis Galton, Darwins neef, introduceerde eugenetica om de menselijke
populatie te “verbeteren” via selectie.
Vraag 8
Wat is het verschil tussen positieve en negatieve eugenetica?
A. Positieve eugenetica stimuleert voortplanting van “goede” eigenschappen;
negatieve probeert die van “ongewenste” te beperken.
B. Positieve eugenetica is wetenschappelijk, negatieve niet.
C. Positieve eugenetica richt zich op cultuur, negatieve op genen.
D. Positieve eugenetica betreft mensen, negatieve dieren.
8. → A
Positieve eugenetica = stimuleren van “gewenste” voortplanting;
Negatieve eugenetica = beperken van “ongewenste” voortplanting.
Vraag 9
Wat hield het Scala Naturae-concept van Aristoteles in?
A. Een hiërarchische ordening van alle levensvormen van laag naar hoog.
B. Een evolutionair model gebaseerd op natuurlijke selectie.
,C. Een model dat de eenheid van mens en dier benadrukte.
D. Een theorie over culturele evolutie.
9. → A
Aristoteles’ Scala Naturae plaatste organismen in een vaste hiërarchie van
eenvoudig naar complex.
Vraag 10
Welke filosoof geloofde dat het leven voortkwam uit een enkel levend filament?
A. Thales
B. Empedocles
C. Erasmus Darwin
D. Plato
10. → C
Erasmus Darwin (Darwin
1. Wat is het centrale uitgangspunt van de evolutionaire psychologie?
A. De menselijke geest is een product van natuurlijke selectie dat zich heeft
aangepast aan overlevingsproblemen.
B. Menselijk gedrag is volledig cultureel bepaald.
C. De menselijke geest is onafhankelijk van biologische processen.
D. De menselijke geest verandert niet door evolutionaire invloeden.
✅ Antwoord: A
➡️ De evolutionaire psychologie past de principes van natuurlijke selectie toe op
de menselijke geest en ziet mentale mechanismen als adaptaties.
2. Wat wordt bedoeld met proximate vragen?
A. Ze verklaren de evolutionaire functie van gedrag.
B. Ze richten zich op culturele invloeden op gedrag.
C. Ze verklaren de directe, onmiddellijke oorzaken van gedrag.
D. Ze onderzoeken de langetermijnvoordelen van gedrag.
✅ Antwoord: C
➡️ Proximate (nabije) verklaringen gaan over de mechanismen hoe gedrag
ontstaat (zoals hormonen, hersenactiviteit of leerprocessen).
3. Welke van de volgende uitspraken beschrijft het denken van Lamarck?
A. Eigenschappen die door gebruik of niet-gebruik worden verworven, zijn erfelijk.
B. Eigenschappen ontstaan door willekeurige mutaties en selectie.
C. Erfelijke eigenschappen worden discreet overgedragen via genen.
D. Natuurlijke selectie zorgt ervoor dat alleen de sterkste overleven.
✅ Antwoord: A
➡️ Lamarck dacht dat verworven eigenschappen (zoals spierkracht) doorgegeven
konden worden, wat later onjuist bleek.
4. Wat is een voorbeeld van differentiële reproductie?
A. Individuen met voordelige kenmerken krijgen meer nakomelingen dan
anderen.
B. Alle individuen krijgen een gelijke kans op voortplanting.
C. Variatie in een populatie verdwijnt door vermenging.
D. Alleen mutaties bepalen overlevingskansen.
✅ Antwoord: A
, ➡️ Differentiële reproductie betekent dat sommige individuen, dankzij hun
erfelijke eigenschappen, meer voortplantingssucces hebben.
5. Wat toonde Mendel met zijn erwtenplant-experimenten aan?
A. Eigenschappen worden discreet overgeërfd via vaste eenheden.
B. Eigenschappen worden continu gemengd.
C. Erfelijkheid is volledig afhankelijk van omgevingsinvloeden.
D. Alleen dominante eigenschappen worden overgedragen.
✅ Antwoord: A
➡️ Mendel ontdekte de basis van genetica: overerving via discrete eenheden
(genen), niet via vermenging.
6. Wat was het doel van Francis Galtons eugenetica?
A. De menselijke populatie verbeteren door selectieve voortplanting.
B. Aantonen dat gedrag volledig door de omgeving wordt bepaald.
C. Verklaren waarom adaptaties ontstaan.
D. Onderzoeken hoe instincten erfelijk zijn.
✅ Antwoord: A
➡️ Galton wilde menselijke erfelijke kwaliteiten “verbeteren” door voortplanting
van “goede” eigenschappen te bevorderen.
7. Wat onderscheidt positieve van negatieve eugenetica?
A. Positieve stimuleert voortplanting van gewenste eigenschappen, negatieve
beperkt die van ongewenste.
B. Positieve is ethisch verantwoord, negatieve niet.
C. Positieve richt zich op dieren, negatieve op mensen.
D. Positieve is gebaseerd op natuurlijke selectie, negatieve op culturele selectie.
✅ Antwoord: A
➡️ Positieve eugenetica = aanmoediging van voortplanting bij gezonde
individuen; negatieve = beperking bij “ongewenste” individuen.
8. Wat is de Scala Naturae van Aristoteles?
A. Een hiërarchische ladder van levensvormen van eenvoudig tot complex.
B. Een evolutionair model dat soorten verklaart via natuurlijke selectie.
C. Een genetische verklaring voor verwantschap.
D. Een sociale ordening van menselijke culturen.
✅ Antwoord: A
➡️ Aristoteles zag de natuur als een hiërarchische keten waarin elk organisme
een vaste plaats had.
9. Wie stelde dat alle levende wezens afstammen van een “levend filament”?
A. Erasmus Darwin
B. Plato
C. Empedocles
D. Thales
✅ Antwoord: A
➡️ Erasmus Darwin, de grootvader van Charles Darwin, dacht dat al het leven
één gemeenschappelijke oorsprong had.
10. Wat was de belangrijkste bijdrage van Charles Darwin aan de wetenschap?
A. De theorie van natuurlijke selectie als verklaring voor evolutie.
B. Het idee dat soorten onveranderlijk zijn.
C. De ontdekking van DNA.
D. De ontwikkeling van de erfelijkheidswetten.