Begrippenlijst 23.1-23.3
Ecologie – studie betrekkingen/relaties die organismen met elkaar en met de omgeving hebben
Soort – groep organismen die onderling kan voortplanten en vruchtbare kinderen kan krijgen
Populatie – groep individuen van een soort die in een bepaald gebied een voortplantingsgemeen-
schap vormt
Levensgemeenschap – met welke andere populaties/dieren een dier samenleeft
Ecosysteem – min of meer duidelijk begrensd gebied waarin de abiotische en biotische factoren een
kenmerkende eenheid vormen
Subecosysteem – ecosysteem dat qua soorten niet binnen de grenzen van één ecosysteem valt
Vegetatiegordel – ecosysteem waarvan er enkele op de hele aarde zijn
Biotische factoren – omgeving die leeft of ooit heeft geleefd
Abiotische factoren – omgeving die leeft en nooit zal leven (temperatuur, zuurte van de bodem etc)
Ecologische niveaus – niveaus waarop de ecologie relaties tussen organismen en hun omgeving
bestudeert
Bioom – grote ecosystemen waarin de wereld is verdeeld, bijvoorbeeld toendra’s, steppen etc.
Ecosysteem – begrensd gebied waarin abiotische en biotische factoren een eenheid vormen
Macroklimaat – gemiddelde weersgesteldheid in een bepaald gebied
Microklimaat – klimaat op de plaats en in de buurt van een organisme
Optimum – waarde van een factor waarbij de soort het beste gedijt
Beperkende factor – de factor waarvan de waarde het vers weg ligt van de optimumwaarde
Tolerantiegrenzen – minimum- en maximumwaarden
Etioleren – plantendelen worden slap en bladgroen verdwijnt als gevolg van een tekort aan licht
Exotherm/endotherm – energie opnemend of energie afgevend proces
Intraspecifieke relaties – betrekkingen tussen soortgenoten
Herbivoor – planteneter
Carnivoor – vleeseter
Omnivoor – alleseter
Symbiose – langdurig samenleven van twee of meer organismen
Mutualisme – beide soorten hebben voordeel van symbiose
Parasitisme – symbiose waarbij een van de twee organismen nadeel ondervindt
Commensalisme – een van de organismen heeft voordeel en de ander geen nadeel
Competitie – concurrentie onderling
23.4-23.5
Populatie – een groep planten of dieren van dezelfde soort die binnen een levensgemeenschap een
voortplantingsgemeenschap vormt
Niche – de functie van een planten- of diersoort in een ecosysteem (bv voedselbron etc.)
Habitat – de leefplek van een soort
Populatieonderzoek – onderzoek naar hoe een populatie zich ontwikkelt
Populatiedichtheid – gemiddelde aantal individuen per oppervlakte-eenheid
Beperkende factor – de minst gunstige factor die invloed heeft op de populatiedichtheid
Biologisch evenwicht – als de populatiedichtheid in de loop van de tijd rond een bepaalde zelfde
waarde schommelt
Dynamisch evenwicht – netto verandert er weinig aan de populatiedichtheid terwijl er binnen de po
pulatie wel veel verandert
Plaag – exponentiële groei (J-curve) van een soort ten gevolge van minder vijanden en groot voedsel
aanbod
Ecologie – studie betrekkingen/relaties die organismen met elkaar en met de omgeving hebben
Soort – groep organismen die onderling kan voortplanten en vruchtbare kinderen kan krijgen
Populatie – groep individuen van een soort die in een bepaald gebied een voortplantingsgemeen-
schap vormt
Levensgemeenschap – met welke andere populaties/dieren een dier samenleeft
Ecosysteem – min of meer duidelijk begrensd gebied waarin de abiotische en biotische factoren een
kenmerkende eenheid vormen
Subecosysteem – ecosysteem dat qua soorten niet binnen de grenzen van één ecosysteem valt
Vegetatiegordel – ecosysteem waarvan er enkele op de hele aarde zijn
Biotische factoren – omgeving die leeft of ooit heeft geleefd
Abiotische factoren – omgeving die leeft en nooit zal leven (temperatuur, zuurte van de bodem etc)
Ecologische niveaus – niveaus waarop de ecologie relaties tussen organismen en hun omgeving
bestudeert
Bioom – grote ecosystemen waarin de wereld is verdeeld, bijvoorbeeld toendra’s, steppen etc.
Ecosysteem – begrensd gebied waarin abiotische en biotische factoren een eenheid vormen
Macroklimaat – gemiddelde weersgesteldheid in een bepaald gebied
Microklimaat – klimaat op de plaats en in de buurt van een organisme
Optimum – waarde van een factor waarbij de soort het beste gedijt
Beperkende factor – de factor waarvan de waarde het vers weg ligt van de optimumwaarde
Tolerantiegrenzen – minimum- en maximumwaarden
Etioleren – plantendelen worden slap en bladgroen verdwijnt als gevolg van een tekort aan licht
Exotherm/endotherm – energie opnemend of energie afgevend proces
Intraspecifieke relaties – betrekkingen tussen soortgenoten
Herbivoor – planteneter
Carnivoor – vleeseter
Omnivoor – alleseter
Symbiose – langdurig samenleven van twee of meer organismen
Mutualisme – beide soorten hebben voordeel van symbiose
Parasitisme – symbiose waarbij een van de twee organismen nadeel ondervindt
Commensalisme – een van de organismen heeft voordeel en de ander geen nadeel
Competitie – concurrentie onderling
23.4-23.5
Populatie – een groep planten of dieren van dezelfde soort die binnen een levensgemeenschap een
voortplantingsgemeenschap vormt
Niche – de functie van een planten- of diersoort in een ecosysteem (bv voedselbron etc.)
Habitat – de leefplek van een soort
Populatieonderzoek – onderzoek naar hoe een populatie zich ontwikkelt
Populatiedichtheid – gemiddelde aantal individuen per oppervlakte-eenheid
Beperkende factor – de minst gunstige factor die invloed heeft op de populatiedichtheid
Biologisch evenwicht – als de populatiedichtheid in de loop van de tijd rond een bepaalde zelfde
waarde schommelt
Dynamisch evenwicht – netto verandert er weinig aan de populatiedichtheid terwijl er binnen de po
pulatie wel veel verandert
Plaag – exponentiële groei (J-curve) van een soort ten gevolge van minder vijanden en groot voedsel
aanbod