Begrippen H. 2 en 3
Anthonie van Leeuwenhoek – gebruikte heel vroeg de lichtmicroscoop
Celtheorie – een theorie over de vorm en functie van een cel
Organellen – Alle celstructuren die door een membraan omgeven zijn
Celkern – bevat de genen
Genen – bevat erfelijke informatie en bestaat uit DNA
Kernporiën – openingen in het kernmembraan voor stoffen om de kern binnen te komen of te
verlaten
Chromatine – DNA in combinatie met speciale eiwitten
Chromosomen – worden zichtbaar als de celkern gaat delen
Kernlichaampje – de kern van de celkern
Celmembraan – omgeeft de ‘ingewanden’ van de cel
Fosfolipiden – een laag vetmoleculen van het celmembraan
Hydrofoob – waterafstotend
Hydrofiel – waterminnend
Membraanporiën – eiwitmoleculen die stoffentransport naar en uit de cel verzorgen
Mitochondriën – leveren energie aan de cel
ATP – in deze vorm wordt energie vastgelegd
Energie – wordt geproduceerd door mitochondriën
Koolstofdioxide – CO2 afvalstof na verbranding
Water – H2O afvalstof na verbranding
Mitochondriaal DNA – Het DNA in mitochondriën
Endoplasmatisch reticulum – ER, netwerk van membramen
Ruw ER – heeft veel ribosomen, eiwitten transporteren
Glad ER – geen ribosomen aanmaak van koolhydraten en vetten/ontgiftiging cel
Ribosomen – bestaan uit eiwitmoleculen met r-RNA en produceren eiwitten
Golgi-systeem – membraansysteem, en selecteert eiwitten of ze binnen moeten blijven, of uit de cel
moeten
Lysosomen – blaasjes omgeven door membranen, bevatten enzymen die betrokken zijn bij afbraak
van grote moleculen
Endocytose – het in de cel sluiten van deeltjes
Apoptose – geprogrammeerde celdood
Cytoplasmastroming – de vormverandering van de cel en de verplaatsing van celorganellen door de
microtubuli
Cytoskelet – het systeem van microtubuli dat de cel zijn vorm geeft
Motoreiwitten – vervoeren sommige onderdelen binnen de cel langs de microtubuli
Plastiden – bestaan uit chromoplasten en leukoplasten
Chromoplasten – gekleurde plastiden en geven een kleur aan de cel
Leukoplasten – kleurloze plastiden slaan stoffen op
Amyloplasten – zetmeelkorrels. Leukoplasten die zetmeel opslaan
Chloroplasten – bladgroenkorrels, doen de fotosynthese
Chlorofyl – pigment in chloroplasten. Lichtabsorptie voor fotosynthese
Vacuolen – vochtblaasjes
Tonoplast – het membraan van een grote centrale vacuole van volgroeide plantencellen
Anthonie van Leeuwenhoek – gebruikte heel vroeg de lichtmicroscoop
Celtheorie – een theorie over de vorm en functie van een cel
Organellen – Alle celstructuren die door een membraan omgeven zijn
Celkern – bevat de genen
Genen – bevat erfelijke informatie en bestaat uit DNA
Kernporiën – openingen in het kernmembraan voor stoffen om de kern binnen te komen of te
verlaten
Chromatine – DNA in combinatie met speciale eiwitten
Chromosomen – worden zichtbaar als de celkern gaat delen
Kernlichaampje – de kern van de celkern
Celmembraan – omgeeft de ‘ingewanden’ van de cel
Fosfolipiden – een laag vetmoleculen van het celmembraan
Hydrofoob – waterafstotend
Hydrofiel – waterminnend
Membraanporiën – eiwitmoleculen die stoffentransport naar en uit de cel verzorgen
Mitochondriën – leveren energie aan de cel
ATP – in deze vorm wordt energie vastgelegd
Energie – wordt geproduceerd door mitochondriën
Koolstofdioxide – CO2 afvalstof na verbranding
Water – H2O afvalstof na verbranding
Mitochondriaal DNA – Het DNA in mitochondriën
Endoplasmatisch reticulum – ER, netwerk van membramen
Ruw ER – heeft veel ribosomen, eiwitten transporteren
Glad ER – geen ribosomen aanmaak van koolhydraten en vetten/ontgiftiging cel
Ribosomen – bestaan uit eiwitmoleculen met r-RNA en produceren eiwitten
Golgi-systeem – membraansysteem, en selecteert eiwitten of ze binnen moeten blijven, of uit de cel
moeten
Lysosomen – blaasjes omgeven door membranen, bevatten enzymen die betrokken zijn bij afbraak
van grote moleculen
Endocytose – het in de cel sluiten van deeltjes
Apoptose – geprogrammeerde celdood
Cytoplasmastroming – de vormverandering van de cel en de verplaatsing van celorganellen door de
microtubuli
Cytoskelet – het systeem van microtubuli dat de cel zijn vorm geeft
Motoreiwitten – vervoeren sommige onderdelen binnen de cel langs de microtubuli
Plastiden – bestaan uit chromoplasten en leukoplasten
Chromoplasten – gekleurde plastiden en geven een kleur aan de cel
Leukoplasten – kleurloze plastiden slaan stoffen op
Amyloplasten – zetmeelkorrels. Leukoplasten die zetmeel opslaan
Chloroplasten – bladgroenkorrels, doen de fotosynthese
Chlorofyl – pigment in chloroplasten. Lichtabsorptie voor fotosynthese
Vacuolen – vochtblaasjes
Tonoplast – het membraan van een grote centrale vacuole van volgroeide plantencellen