10voorbiologie H. 12
Condensatiereactie: als moleculen binden en een watermolecuul vrijkomt.
Hydrolysereactie: als een molecuul afsplitst waar water bij nodig is.
Assimilatie
Voortgezette assimilatie: als er van glucose ander organische stoffen worden gemaakt.
Het koppelen van ADP en P tot ATP kost energie, en dit los te maken levert energie.
Een molecuul dat als waterstofacceptor fungeert ontvangt bij stofwisselingsprocessen een H-atoom
en vaak ook elektronen. Dit is onder andere NAD (->NADH 2) of NADP+ (-> NADPH2).
ATP-synthase en NADH-dehydrogenase zijn moleculen in het membraan van mitochondria. Het
eerste laat H+-ionen door, waardoor P+ADP tot ATP kunnen vormen. NADH-dehydrogenase splitst
juist H+-ionen van NADH2 af (-> NAD) waardoor een H+-ion vrijkomt. De protonen (H-atomen) zorgen
dus voor de aanmaak van ATP.
Fotosynthese bestaat uit twee stappen:
- Lichtreactie: een foton splitst water zodat een elektron vrijkomt en energie ontvangt. Dit
gebeurt twee keer. Daarna komt het elektron samen bij de twee H-ionen en die binden aan
NADP+ (-> NADPH2). De energie van het elektron is omgezet in ATP en het O-atoom van het
water verlaat de bladgroenkorrel als zuurstof (BINAS 69B);
- Donkerreactie: als alle NADP en ADP omgezet is in NADPH 2 en ATP. Met behulp van CO 2 in de
lucht en de waterstof van NADPH 2 wordt glucose gemaakt. Daardoor komen NADPH 2 en ATP
weer terug.
Naast fotosynthese is er ook chemosynthese: anorganische stoffen worden omgezet in andere
anorganische stoffen en hierbij ontstaat ATP. Hiermee wordt CO 2 en H2O omgezet in glucose.
Gebeurt alleen in zuurstofrijke omgeving.
Aminozuren worden opgebouwd uit glucose en NO 3.
Dissimilatie: bij dissimilatie zijn waterstofacceptoren nodig, waarvan de belangrijkste NAD is. Er zijn
drie stappen:
- Glycolyse: geen zuurstof nodig. Uit één glucose-molecuul ontstaat: 2 pyrodruivenzuur, 2 ATP
en 2 NADH2 ontstaan;
- Citroenzuur-/krebscyclus: eerste breken enzymen het pyrodruivenzuur af, waarbij 1 ATP
wordt gevormd. Pyrodruivenzuur wordt geknipt in azijnzuur en 1 CO2: decarboxylatie. Hierna
gaat het azijnzuur de citroenzuurcyclus in. Waterstof wordt overgedragen of de acceptoren.
Dit ontstaat: 6 NADH2, 2 FADH2 en 2 ATP;
- Oxidatieve fosforylering/ademhalingsketen: de waterstof van NADH 2 en FADH2 wordt
overgedragen op zuurstof->water. Hier komt veel energie bij vrij: 34 ATP. De NAD bindt aan
het H-atoom en draagt elektronen over aan een elektronentransportketen waardoor ATP
wordt gevormd.
Dissimilatie gebeurt ook bij aminozuren, vetten (->vetzuren en glycerol) en koolhydraten (-
>monosachariden).
Bij aerobe dissimilatie: RQ (respiratoir quotient) : aantal CO2-moleculen gedeeld door aantal O2-
moleculen. Hoe lager de waarde, hoe hoger de energetische waarde, bijvoorbeeld:
C6H12O6 + 6 O2 → 6 CO2+ 6 H2O. Dus RQ= 6 CO2/ 6 O2=1
Als eiwitten anaeroob dissimileren, heet dat rotting: hierbij ontstaan verbindingen die stinken. Bij
koolhydraten heet anaerobe dissimilatie gisting, twee soorten:
- Melkzuurgsting: glucose->melkzuur (organische stof die energie bevat), 2 ATP ontstaan;
- Alcoholgisting: glucose->alcohol+2 ATP.
Bij beiden gaat glucose de glycolyse in, daarbij is immers geen zuurstof nodig.
Condensatiereactie: als moleculen binden en een watermolecuul vrijkomt.
Hydrolysereactie: als een molecuul afsplitst waar water bij nodig is.
Assimilatie
Voortgezette assimilatie: als er van glucose ander organische stoffen worden gemaakt.
Het koppelen van ADP en P tot ATP kost energie, en dit los te maken levert energie.
Een molecuul dat als waterstofacceptor fungeert ontvangt bij stofwisselingsprocessen een H-atoom
en vaak ook elektronen. Dit is onder andere NAD (->NADH 2) of NADP+ (-> NADPH2).
ATP-synthase en NADH-dehydrogenase zijn moleculen in het membraan van mitochondria. Het
eerste laat H+-ionen door, waardoor P+ADP tot ATP kunnen vormen. NADH-dehydrogenase splitst
juist H+-ionen van NADH2 af (-> NAD) waardoor een H+-ion vrijkomt. De protonen (H-atomen) zorgen
dus voor de aanmaak van ATP.
Fotosynthese bestaat uit twee stappen:
- Lichtreactie: een foton splitst water zodat een elektron vrijkomt en energie ontvangt. Dit
gebeurt twee keer. Daarna komt het elektron samen bij de twee H-ionen en die binden aan
NADP+ (-> NADPH2). De energie van het elektron is omgezet in ATP en het O-atoom van het
water verlaat de bladgroenkorrel als zuurstof (BINAS 69B);
- Donkerreactie: als alle NADP en ADP omgezet is in NADPH 2 en ATP. Met behulp van CO 2 in de
lucht en de waterstof van NADPH 2 wordt glucose gemaakt. Daardoor komen NADPH 2 en ATP
weer terug.
Naast fotosynthese is er ook chemosynthese: anorganische stoffen worden omgezet in andere
anorganische stoffen en hierbij ontstaat ATP. Hiermee wordt CO 2 en H2O omgezet in glucose.
Gebeurt alleen in zuurstofrijke omgeving.
Aminozuren worden opgebouwd uit glucose en NO 3.
Dissimilatie: bij dissimilatie zijn waterstofacceptoren nodig, waarvan de belangrijkste NAD is. Er zijn
drie stappen:
- Glycolyse: geen zuurstof nodig. Uit één glucose-molecuul ontstaat: 2 pyrodruivenzuur, 2 ATP
en 2 NADH2 ontstaan;
- Citroenzuur-/krebscyclus: eerste breken enzymen het pyrodruivenzuur af, waarbij 1 ATP
wordt gevormd. Pyrodruivenzuur wordt geknipt in azijnzuur en 1 CO2: decarboxylatie. Hierna
gaat het azijnzuur de citroenzuurcyclus in. Waterstof wordt overgedragen of de acceptoren.
Dit ontstaat: 6 NADH2, 2 FADH2 en 2 ATP;
- Oxidatieve fosforylering/ademhalingsketen: de waterstof van NADH 2 en FADH2 wordt
overgedragen op zuurstof->water. Hier komt veel energie bij vrij: 34 ATP. De NAD bindt aan
het H-atoom en draagt elektronen over aan een elektronentransportketen waardoor ATP
wordt gevormd.
Dissimilatie gebeurt ook bij aminozuren, vetten (->vetzuren en glycerol) en koolhydraten (-
>monosachariden).
Bij aerobe dissimilatie: RQ (respiratoir quotient) : aantal CO2-moleculen gedeeld door aantal O2-
moleculen. Hoe lager de waarde, hoe hoger de energetische waarde, bijvoorbeeld:
C6H12O6 + 6 O2 → 6 CO2+ 6 H2O. Dus RQ= 6 CO2/ 6 O2=1
Als eiwitten anaeroob dissimileren, heet dat rotting: hierbij ontstaan verbindingen die stinken. Bij
koolhydraten heet anaerobe dissimilatie gisting, twee soorten:
- Melkzuurgsting: glucose->melkzuur (organische stof die energie bevat), 2 ATP ontstaan;
- Alcoholgisting: glucose->alcohol+2 ATP.
Bij beiden gaat glucose de glycolyse in, daarbij is immers geen zuurstof nodig.