- Cultuur
Sociaal handelen hee, al-jd een culturele component en een situa/onele component. Een
sociale handeling hee, fundamentele componenten:
1. Een sociale handeling is doelgericht en dus gewild.
2. De middelen in de gegeven situa-e zijn toegankelijk en manipuleerbaar.
3. De condi-es in de situa-e zijn gegeven voorwaarden en omstandigheden, dus niet
manipuleerbaar.
4. De sociale handeling dient te voldoen aan de norma-eve standaarden.
Cultuur = opvaEngen over wat is (overtuigingen) en wat hoort (waarden en normen) die
onze handelingen sturen. Symbolen, met een bepaalde betekenis, representeren de
opvaEngen binnen een cultuur.
Clifford Geertz: “Cultuur is een overgeleverd geheel van betekenissen die vervat zijn in
symbolen; een geheel van opvaEngen uitgedrukt in de symbolen via welke mensen met
elkaar communiceren, hun kennis van en houdingen tegenover het leven ontwikkelen en
doorgeven.”
Weber: ‘Verstehen’ = de betekenis/reden van een handeling begrijpen om de effecten
van de handeling te kunnen verklaren. > maar iedereen kijkt al-jd vanuit zijn eigen
cultuur en is dus biased.
Garfinkel: Etnomethodologie = methode die (normale) mensen gebruiken om elkaars
gedrag te interpreteren en tot wederzijdse verwach-ngen te komen. Het gaat om hoe
mensen tot een bepaalde voorstelling van de werkelijkheid en gedeelde
verwach-ngen komen. > nauw verwant met het symbolisch interac-onisme, omdat er
gekeken wordt naar individuen die normen naleven.
Mead en Blumer zien normen als de uitkomst van interac-e en zijn van oordeel dat
normen worden gerespecteerd, omdat ze in de interac-e worden geproduceerd.
Sociale leertheorie:
Ons gedrag wordt beïnvloed door mensen om ons heen, omdat we mensen om ons heen
gebruiken om een idee te krijgen van de werkelijkheid. Via andere mensen krijg je informa-e
over hoe je je moet gedragen. Door middel van observa-e, imita-e of uitleg leer je.
Welke informa-e je overneemt hangt van:
- De populariteit van de ander.
- De zichtbaarheid van de ander.
- De status van de ander.
- Je eigen vatbaarheid.
Sociale controletheorie:
Gedrag wordt beïnvloed door de verwachte sociale sanc-es en beloningen. Als de
verwach-ngen hoog zijn, is de kans op normconformiteit groot. De sociale omgeving voert
controle uit op het vertoonde gedrag. Of iemand zich conform gedraagt hangt af van:
- De condi-es waarin iemand wel of geen sanc-es of beloningen verwacht.
- Of het gedrag zichtbaar is.
- Hoe zwaar de sociale sanc-e of beloning is.
Ook als er geen verwachte sanc-e of beloning is gedragen mensen zich naar de norm,
vanwege het internaliseren van de normen.
, Internalisa/e = de cultuur wordt eigen. Er is sprake van interne sanc-es en
beloningen. Door iemand vaak bloot te stellen aan normen en waarden worden ze er
bewust van en worden ze geïnternaliseerd.
Posi/eve conformiteit = iemand gaat hetzelfde denken of hetzelfde gedrag vertonen als de
rest van de groep.
Nega/eve conformiteit = iemand gaat de gedachten of het gedrag van de rest van de groep
de andere kant op ontwikkelen.
Informa/eve sociale invloed = informa-e, vergaard door een ander, wordt gezien als bewijs
van de realiteit en dus als de waarheid (sociale leertheorie).
Norma/eve sociale invloed = mensen willen goedkeuring van anderen en gedragen zich naar
de norm die wordt gesteld (sociale controletheorie).
Normen worden gezien als een oplossing voor het probleem van collec-eve goederen en
worden gebruikt om ac-es van individuen te coördineren.
Norbert Elias onderzocht gedragsstandaarden en het civilisa-eproces. De
gedragsstandaarden in de maatschappij zijn over de -jd steeds fatsoenlijker
geworden. De civilisa-e begin bij de hogere klasse en werkte door tot lagere klassen.
Hogere klassen wilden zich distan-ëren van de lagere klassen, waardoor er steeds
meer aanpassingen aan de normen kwamen.
- Ongelijkheid
Ongelijkheid is meer dan alleen verschil in economisch bezit.
Sociale ongelijkheid = verschillen in controle en het genot van begeerde goederen, diensten,
rechten, gevoelens en ervaringen.
Bij sociale stra/fica/e wordt er gekeken naar hoe ongelijkheid vorm krijgt in de samenleving:
de indeling van mensen op basis van status of macht.
Het ongelijkheidsvraagstuk: Wie krijgt wat en waarom?
• Wie onderscheiden we?
• Wat krijgen ze?
• Waarom krijgen ze dit?
Wat:
Volgens Marx en Engels betre, de hulpbronnen vooral economische hulpbronnen. Alle
vormen van ongelijkheid hebben een economische basis. De belangrijkste vorm van
stra-fica-e is op basis van economisch bezit (arbeiders vs beziders).
Volgens Weber drie principes van stra-fica-e:
1. Klasse (economische status)
2. Stand (aanzien, status)
3. Par/j (georganiseerde groep)
Volgens Bourdieu drie soorten van kapitaal:
1. Economisch kapitaal: monetaire hulpbronnen.
2. Sociaal kapitaal: hulpbronnen via sociale verbindingen.
Sociaal handelen hee, al-jd een culturele component en een situa/onele component. Een
sociale handeling hee, fundamentele componenten:
1. Een sociale handeling is doelgericht en dus gewild.
2. De middelen in de gegeven situa-e zijn toegankelijk en manipuleerbaar.
3. De condi-es in de situa-e zijn gegeven voorwaarden en omstandigheden, dus niet
manipuleerbaar.
4. De sociale handeling dient te voldoen aan de norma-eve standaarden.
Cultuur = opvaEngen over wat is (overtuigingen) en wat hoort (waarden en normen) die
onze handelingen sturen. Symbolen, met een bepaalde betekenis, representeren de
opvaEngen binnen een cultuur.
Clifford Geertz: “Cultuur is een overgeleverd geheel van betekenissen die vervat zijn in
symbolen; een geheel van opvaEngen uitgedrukt in de symbolen via welke mensen met
elkaar communiceren, hun kennis van en houdingen tegenover het leven ontwikkelen en
doorgeven.”
Weber: ‘Verstehen’ = de betekenis/reden van een handeling begrijpen om de effecten
van de handeling te kunnen verklaren. > maar iedereen kijkt al-jd vanuit zijn eigen
cultuur en is dus biased.
Garfinkel: Etnomethodologie = methode die (normale) mensen gebruiken om elkaars
gedrag te interpreteren en tot wederzijdse verwach-ngen te komen. Het gaat om hoe
mensen tot een bepaalde voorstelling van de werkelijkheid en gedeelde
verwach-ngen komen. > nauw verwant met het symbolisch interac-onisme, omdat er
gekeken wordt naar individuen die normen naleven.
Mead en Blumer zien normen als de uitkomst van interac-e en zijn van oordeel dat
normen worden gerespecteerd, omdat ze in de interac-e worden geproduceerd.
Sociale leertheorie:
Ons gedrag wordt beïnvloed door mensen om ons heen, omdat we mensen om ons heen
gebruiken om een idee te krijgen van de werkelijkheid. Via andere mensen krijg je informa-e
over hoe je je moet gedragen. Door middel van observa-e, imita-e of uitleg leer je.
Welke informa-e je overneemt hangt van:
- De populariteit van de ander.
- De zichtbaarheid van de ander.
- De status van de ander.
- Je eigen vatbaarheid.
Sociale controletheorie:
Gedrag wordt beïnvloed door de verwachte sociale sanc-es en beloningen. Als de
verwach-ngen hoog zijn, is de kans op normconformiteit groot. De sociale omgeving voert
controle uit op het vertoonde gedrag. Of iemand zich conform gedraagt hangt af van:
- De condi-es waarin iemand wel of geen sanc-es of beloningen verwacht.
- Of het gedrag zichtbaar is.
- Hoe zwaar de sociale sanc-e of beloning is.
Ook als er geen verwachte sanc-e of beloning is gedragen mensen zich naar de norm,
vanwege het internaliseren van de normen.
, Internalisa/e = de cultuur wordt eigen. Er is sprake van interne sanc-es en
beloningen. Door iemand vaak bloot te stellen aan normen en waarden worden ze er
bewust van en worden ze geïnternaliseerd.
Posi/eve conformiteit = iemand gaat hetzelfde denken of hetzelfde gedrag vertonen als de
rest van de groep.
Nega/eve conformiteit = iemand gaat de gedachten of het gedrag van de rest van de groep
de andere kant op ontwikkelen.
Informa/eve sociale invloed = informa-e, vergaard door een ander, wordt gezien als bewijs
van de realiteit en dus als de waarheid (sociale leertheorie).
Norma/eve sociale invloed = mensen willen goedkeuring van anderen en gedragen zich naar
de norm die wordt gesteld (sociale controletheorie).
Normen worden gezien als een oplossing voor het probleem van collec-eve goederen en
worden gebruikt om ac-es van individuen te coördineren.
Norbert Elias onderzocht gedragsstandaarden en het civilisa-eproces. De
gedragsstandaarden in de maatschappij zijn over de -jd steeds fatsoenlijker
geworden. De civilisa-e begin bij de hogere klasse en werkte door tot lagere klassen.
Hogere klassen wilden zich distan-ëren van de lagere klassen, waardoor er steeds
meer aanpassingen aan de normen kwamen.
- Ongelijkheid
Ongelijkheid is meer dan alleen verschil in economisch bezit.
Sociale ongelijkheid = verschillen in controle en het genot van begeerde goederen, diensten,
rechten, gevoelens en ervaringen.
Bij sociale stra/fica/e wordt er gekeken naar hoe ongelijkheid vorm krijgt in de samenleving:
de indeling van mensen op basis van status of macht.
Het ongelijkheidsvraagstuk: Wie krijgt wat en waarom?
• Wie onderscheiden we?
• Wat krijgen ze?
• Waarom krijgen ze dit?
Wat:
Volgens Marx en Engels betre, de hulpbronnen vooral economische hulpbronnen. Alle
vormen van ongelijkheid hebben een economische basis. De belangrijkste vorm van
stra-fica-e is op basis van economisch bezit (arbeiders vs beziders).
Volgens Weber drie principes van stra-fica-e:
1. Klasse (economische status)
2. Stand (aanzien, status)
3. Par/j (georganiseerde groep)
Volgens Bourdieu drie soorten van kapitaal:
1. Economisch kapitaal: monetaire hulpbronnen.
2. Sociaal kapitaal: hulpbronnen via sociale verbindingen.