emotioneel tijdens onze levensloop?
Definitie ontwikkelingspsychologie en pedagogiek
Pedagogiek = de wetenschap van het opvoeden, het proces waarin een kind wordt
gevorm naar de normen en waarden van opvoeders en de samenleving.
Ontwikkelingspsychologie = wetenschap van gedrag en mentale processen, proces van
groei en verandering dat wordt bepaald door de interactie tussen erfelijkheid en
omgeving
Relevantie ontwikkelingspsychologie en pedagogiek voor het sociaal werk
- Je krijgt in je werk te maken met mensen van verschillende leeftijden
- Zij zijn volgens Erikson allemaal met hun eigen specifieke ontwikkelingstaak bezig
- Het helpt om de kwetsbaarheid of problematiek van je cliënten te plaatsen in het
perspectief van hun levensloop
3 krachten van ontwikkeling (nature, nurture en rijping)
Nature = factoren die aangeboren zijn door aanleg/ genen
Nurture = factoren die aangeleerd zijn door sociale omgeving en opvoeden
Rijping = veranderingen die voor een groot deel genetisch geregeld worden en waarop
omgevingsinvloeden een kleine invloed hebben.
Discontinu en continu verloop van ontwikkeling
Continue verandering = geleidelijke ontwikkeling waarbij prestaties op een
bepaald niveau voortvloeien uit die van de vorige niveaus. Continue
verandering is kwantitatief
Discontinue verandering = ontwikkeling in aparte stappen of stadia. Elk
stadium levert gedrag op dat kwalitatief anders is dan gedrag in eerdere
stadia.
Psychosociale ontwikkeling volgens Erikson
Psyche = geest - ons denken, voelen en gedrag
Sociaal = onze interactie met andere mensen
Hoe functioneer je in relatie tot anderen, vrienden, familie en buren? Welke rol neem je
in binnen het gezin, school of werk? Hoe zie jij je plek in de samenleving?
Opgroeien en ouder worden betekent je steeds opnieuw aanpassen aan veranderende
vermogens en verwachtingen van anderen.
, Ontwikkelingstaken en crises in de kindertijd, adolescentie, (jong)volwassenen en
ouderen Erikson
Mensen doorlopen 8 levensfasen, van babytijd tot ouderdom (ontwikkelen van
persoonlijkheid en identiteit) Iedere fase wordt gekenmerkt door een crisis, een
ontwikkelingstaak die typisch is voor díe fase. Als die taak onopgelost blijft of negatief
afgesloten, bemoeilijkt dit de ontwikkeling
Levensfase Ontwikkeltaak of crisis
Babyfase (o – 1,5 jaar) Vertrouwen vs wantrouwen
Peuterleeftijd (1,5 – 3 jaar) Autonomie vs schaamte en twijfel
Kleuterleeftijd (3 – 6 jaar) Initiatief vs schuldgevoel
Basisschoolleeftijd (6 – puberteit) Vlijt (competentie) vs minderwaardigheid
Adolescentie Identiteit vs rolverwarring
Jongvolwassenheid Intimiteit vs isolement
Middelbare leeftijd Generativiteit vs egocentrisme (stagnatie)
Ouderdom Integriteit vs wanhoop
Babytijd – vertrouwen vs wantrouwen
+ Veiligheid, geborgenheid vinden (ontwikkeling veilige hechting)
Peutertijd – autonomie vs schaamte en twijfel
+ Ontwikkeling van zelfstandigheid (eigen ik/individuatie) de wereld verkennen,
dingen ‘zelf doen’ = autonomie
- Te veel kritiek of bescherming leidt tot twijfel aan zichzelf
Kleutertijd – initiatief vs schuldgevoel
+ Ontwikkeling van geweten, eigen initiatieven ontplooien, zelf dingen in gang
zetten (competent omgaan met leeftijdgenoten en omgang met
emoties/frustraties)
- Schuldgevoel - door te hoge eisen en of correcties
Schooltijd – vlijt vs minderwaardigheid
+ Gevoelens van competentie en zelfvertrouwen (vlijt) door successen en
aanmoediging van anderen
- Laag zelfbeeld, minderwaardig voelen door mislukkingen, te veel kritiek of te
hoge eisen.
Adolescentie – identiteit vs rolverwarring
+ Identiteit = een doorleefd samenhangend ik-gevoel dat eenheid aanbrengt in alle
belevingen en jou onderscheidbaar maakt.
- Weinig sociale ondersteuning of te veel/ tegengestelde verwachtingen in
verschillende rollen kan leiden tot rolverwarring