Tentamen jeugdrecht en civiel
recht
Jeugdrecht begrepen:
H6.4
H11
H12
H13
H14
H15
H16
H17
Jeugdrecht in de praktijk:
H1
H2
H3
H4
H5
H6
,Jeugdrecht begrepen
H6.4 en 11 t/m 17
Hoofdstuk 6.4: Dwangopname
Als opname noodzakelijk is, maar de patiënt blijft weigeren, kent de Wet BOPZ
twee procedures voor een dwangopname:
1. Inbewaringstelling:
Onmiddellijke opname noodzakelijk. Wordt opgelegd door de
burgemeester van de gemeente waar de patiënt zich bevindt.
2. Rechterlijke machtiging:
Tot 12 jaar is toestemming van de ouders bepalend.
Vanaf 12 jaar: toestemming van ouders niet voldoende. Er is dan
een inbewaringstelling of rechterlijke matiging nodig.
Hoofdstuk 11: Strafrecht
Het strafrecht bepaalt welke gedragingen strafbaar zijn en welke sancties
daarvoor kunnen worden opgelegd. Het doel van het strafrecht is het
beschermen van de rechtsorde en het beveiligen van de samenleving tegen
gedrag dat schadelijk is voor anderen of de maatschappij.
Het strafrecht is één van de rechtsgebieden binnen het Nederlandse
rechtssysteem. Samen met het burgerlijk recht, staatsrecht en bestuursrecht
vormt het de kern van ons juridische stelsel.
Het burgerlijk recht regelt de onderlinge verhoudingen tussen burgers,
bijvoorbeeld over eigendom, contracten en familie.
Het staatsrecht beschrijft hoe de overheid is georganiseerd en welke
bevoegdheden haar instellingen hebben.
Het bestuursrecht gaat over de relatie tussen burger en overheid,
bijvoorbeeld bij vergunningen, subsidies en bezwaarprocedures.
Het strafrecht stelt gedragingen strafbaar die een inbreuk vormen op de
rechtsorde, zoals diefstal, mishandeling of fraude.
Het strafrecht bestaat uit twee delen: het materieel strafrecht en het formeel
strafrecht.
Het materieel strafrecht, vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht, beschrijft
welke gedragingen verboden zijn, welke straffen en maatregelen kunnen worden
opgelegd en welke algemene bepalingen voor alle strafbare feiten gelden.
Het formeel strafrecht, opgenomen in het Wetboek van Strafvordering, regelt hoe
strafbare feiten en verdachten mogen worden opgespoord en vervolgd. Het
bevat bepalingen over de bevoegdheden van politie en justitie, de rechten van
de verdachte en zijn advocaat, en de gang van zaken tijdens het strafproces.
Kort samengevat: het materieel strafrecht bepaalt wat strafbaar is en het formeel
strafrecht bepaalt hoe dat wordt gehandhaafd.
Een belangrijk uitgangspunt binnen het strafrecht is het legaliteitsbeginsel. Dit
houdt in dat niemand gestraft mag worden voor een daad die niet bij wet
strafbaar is gesteld. In de wet staat: “Geen feit is strafbaar dan uit kracht van
,een daaraan voorafgaande wettelijke strafbepaling.”
Dit beginsel bevat drie kernpunten:
1. Alleen gedragingen die in de wet staan, kunnen strafbaar zijn.
2. Een handeling mag niet achteraf strafbaar worden verklaard.
3. Strafbaarheid mag niet worden afgeleid uit gewoonte of analogie; de
betekenis van een strafbepaling mag dus niet worden opgerekt zodat er
gedrag onder valt dat er eigenlijk niet onder hoort.
Het legaliteitsbeginsel is ook vastgelegd in artikel 1 van het Wetboek van
Strafvordering: “Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet
voorzien.” Dat betekent dat de overheid zich tijdens het gehele strafproces strikt
aan de wet moet houden.
Het jeugdstrafrecht is bedoeld voor jongeren van 12 tot 18 jaar, maar kan in
sommige gevallen ook worden toegepast op jongvolwassenen tot 23 jaar,
bijvoorbeeld als hun ontwikkeling nog niet volledig volwassen is. De regels van
het jeugdstrafrecht bieden jongeren extra bescherming omdat zij nog niet
dezelfde verantwoordelijkheid kunnen dragen als volwassenen.
Kenmerkend voor het jeugdstrafrecht zijn enkele beschermende waarborgen:
De jeugdige krijgt automatisch een advocaat toegewezen.
De ouders hebben toegang tot hun kind wanneer het wordt vastgehouden.
Een rechtszaak tegen een minderjarige wordt meestal achter gesloten
deuren behandeld om de privacy te beschermen.
Het jeugdstrafrecht heeft dus niet alleen een bestraffende, maar ook een
opvoedende en herstellende functie: het richt zich op gedragsverandering en
heropvoeding, zodat jongeren leren verantwoordelijkheid te nemen en opnieuw
goed kunnen functioneren in de maatschappij.
Hoofdstuk 12 – Materieel strafrecht
Het materieel strafrecht vormt de kern van het strafrecht. Het beschrijft welke
gedragingen strafbaar zijn, welke straffen opgelegd kunnen worden en onder
welke voorwaarden iemand strafbaar is. Dit alles is vastgelegd in het Wetboek
van Strafrecht.
Het Wetboek van Strafrecht
Het Wetboek van Strafrecht bestaat uit drie delen:
Boek 1 – Algemene bepalingen
Bevat regels die voor alle strafbare feiten gelden, zoals:
Een overzicht van de straffen en maatregelen die een rechter kan
opleggen.
Bijzondere bepalingen die gelden voor jeugdige verdachten.
Regels over poging, deelnemingsvormen (zoals medeplegen of uitlokken)
en strafuitsluitingsgronden (zoals noodweer of ontoerekenbaarheid).
, Boek 2 – Misdrijven
Hierin staan de zwaardere strafbare feiten, zoals diefstal, mishandeling,
vernieling en oplichting.
Dit zijn rechtsdelicten: ze tasten de rechtsorde aan en worden behandeld door
de rechtbank.
Boek 3 – Overtredingen
Hierin staan lichtere strafbare feiten, zoals baldadigheid of het betreden van
verboden terrein.
Dit zijn wetsdelicten en worden behandeld door de kantonrechter.
Strafbepaling
Een strafbepaling bevat een nauwkeurige omschrijving van het gedrag dat
strafbaar is, én de maximumstraf die daarvoor geldt.
Een strafbepaling bestaat uit drie onderdelen:
Delictsomschrijving: beschrijving van het verboden gedrag.
Kwalificatie: de naam van het delict (soms ontbreekt dit).
Sanctienorm: de maximale straf die kan worden opgelegd.
De delictsomschrijving is opgebouwd uit bestanddelen, oftewel de noodzakelijke
onderdelen die samen het strafbare feit vormen.
Voorbeeld bij diefstal:
“Enig goed”
“Dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort”
“Wegneemt”
“Met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling”
Alleen wanneer de dader alle bestanddelen vervult, is hij strafbaar.
Daarnaast gelden nog twee voorwaarden voor strafbaarheid, ook
wel elementen genoemd:
Wederrechtelijkheid: het gedrag is in strijd met het recht.
Schuld: de dader kan verantwoordelijk worden gehouden voor zijn gedrag.
De strafbare poging
Een poging tot misdrijf is ook strafbaar, maar alleen onder bepaalde
voorwaarden:
Er moet sprake zijn van een voornemen om het strafbare feit te plegen. De
dader moet echt de bedoeling hebben gehad het delict uit te voeren.
Er moet een uitvoeringshandeling zijn geweest: de dader is begonnen met
de uitvoering van het delict. Alleen voorbereidingshandelingen, zoals het
kopen van gif, zijn niet voldoende.
Er mag geen gewillige terugtred zijn: de poging is alleen strafbaar als het
misdrijf mislukt door omstandigheden van buitenaf, niet omdat de dader
zelf besluit te stoppen.
recht
Jeugdrecht begrepen:
H6.4
H11
H12
H13
H14
H15
H16
H17
Jeugdrecht in de praktijk:
H1
H2
H3
H4
H5
H6
,Jeugdrecht begrepen
H6.4 en 11 t/m 17
Hoofdstuk 6.4: Dwangopname
Als opname noodzakelijk is, maar de patiënt blijft weigeren, kent de Wet BOPZ
twee procedures voor een dwangopname:
1. Inbewaringstelling:
Onmiddellijke opname noodzakelijk. Wordt opgelegd door de
burgemeester van de gemeente waar de patiënt zich bevindt.
2. Rechterlijke machtiging:
Tot 12 jaar is toestemming van de ouders bepalend.
Vanaf 12 jaar: toestemming van ouders niet voldoende. Er is dan
een inbewaringstelling of rechterlijke matiging nodig.
Hoofdstuk 11: Strafrecht
Het strafrecht bepaalt welke gedragingen strafbaar zijn en welke sancties
daarvoor kunnen worden opgelegd. Het doel van het strafrecht is het
beschermen van de rechtsorde en het beveiligen van de samenleving tegen
gedrag dat schadelijk is voor anderen of de maatschappij.
Het strafrecht is één van de rechtsgebieden binnen het Nederlandse
rechtssysteem. Samen met het burgerlijk recht, staatsrecht en bestuursrecht
vormt het de kern van ons juridische stelsel.
Het burgerlijk recht regelt de onderlinge verhoudingen tussen burgers,
bijvoorbeeld over eigendom, contracten en familie.
Het staatsrecht beschrijft hoe de overheid is georganiseerd en welke
bevoegdheden haar instellingen hebben.
Het bestuursrecht gaat over de relatie tussen burger en overheid,
bijvoorbeeld bij vergunningen, subsidies en bezwaarprocedures.
Het strafrecht stelt gedragingen strafbaar die een inbreuk vormen op de
rechtsorde, zoals diefstal, mishandeling of fraude.
Het strafrecht bestaat uit twee delen: het materieel strafrecht en het formeel
strafrecht.
Het materieel strafrecht, vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht, beschrijft
welke gedragingen verboden zijn, welke straffen en maatregelen kunnen worden
opgelegd en welke algemene bepalingen voor alle strafbare feiten gelden.
Het formeel strafrecht, opgenomen in het Wetboek van Strafvordering, regelt hoe
strafbare feiten en verdachten mogen worden opgespoord en vervolgd. Het
bevat bepalingen over de bevoegdheden van politie en justitie, de rechten van
de verdachte en zijn advocaat, en de gang van zaken tijdens het strafproces.
Kort samengevat: het materieel strafrecht bepaalt wat strafbaar is en het formeel
strafrecht bepaalt hoe dat wordt gehandhaafd.
Een belangrijk uitgangspunt binnen het strafrecht is het legaliteitsbeginsel. Dit
houdt in dat niemand gestraft mag worden voor een daad die niet bij wet
strafbaar is gesteld. In de wet staat: “Geen feit is strafbaar dan uit kracht van
,een daaraan voorafgaande wettelijke strafbepaling.”
Dit beginsel bevat drie kernpunten:
1. Alleen gedragingen die in de wet staan, kunnen strafbaar zijn.
2. Een handeling mag niet achteraf strafbaar worden verklaard.
3. Strafbaarheid mag niet worden afgeleid uit gewoonte of analogie; de
betekenis van een strafbepaling mag dus niet worden opgerekt zodat er
gedrag onder valt dat er eigenlijk niet onder hoort.
Het legaliteitsbeginsel is ook vastgelegd in artikel 1 van het Wetboek van
Strafvordering: “Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet
voorzien.” Dat betekent dat de overheid zich tijdens het gehele strafproces strikt
aan de wet moet houden.
Het jeugdstrafrecht is bedoeld voor jongeren van 12 tot 18 jaar, maar kan in
sommige gevallen ook worden toegepast op jongvolwassenen tot 23 jaar,
bijvoorbeeld als hun ontwikkeling nog niet volledig volwassen is. De regels van
het jeugdstrafrecht bieden jongeren extra bescherming omdat zij nog niet
dezelfde verantwoordelijkheid kunnen dragen als volwassenen.
Kenmerkend voor het jeugdstrafrecht zijn enkele beschermende waarborgen:
De jeugdige krijgt automatisch een advocaat toegewezen.
De ouders hebben toegang tot hun kind wanneer het wordt vastgehouden.
Een rechtszaak tegen een minderjarige wordt meestal achter gesloten
deuren behandeld om de privacy te beschermen.
Het jeugdstrafrecht heeft dus niet alleen een bestraffende, maar ook een
opvoedende en herstellende functie: het richt zich op gedragsverandering en
heropvoeding, zodat jongeren leren verantwoordelijkheid te nemen en opnieuw
goed kunnen functioneren in de maatschappij.
Hoofdstuk 12 – Materieel strafrecht
Het materieel strafrecht vormt de kern van het strafrecht. Het beschrijft welke
gedragingen strafbaar zijn, welke straffen opgelegd kunnen worden en onder
welke voorwaarden iemand strafbaar is. Dit alles is vastgelegd in het Wetboek
van Strafrecht.
Het Wetboek van Strafrecht
Het Wetboek van Strafrecht bestaat uit drie delen:
Boek 1 – Algemene bepalingen
Bevat regels die voor alle strafbare feiten gelden, zoals:
Een overzicht van de straffen en maatregelen die een rechter kan
opleggen.
Bijzondere bepalingen die gelden voor jeugdige verdachten.
Regels over poging, deelnemingsvormen (zoals medeplegen of uitlokken)
en strafuitsluitingsgronden (zoals noodweer of ontoerekenbaarheid).
, Boek 2 – Misdrijven
Hierin staan de zwaardere strafbare feiten, zoals diefstal, mishandeling,
vernieling en oplichting.
Dit zijn rechtsdelicten: ze tasten de rechtsorde aan en worden behandeld door
de rechtbank.
Boek 3 – Overtredingen
Hierin staan lichtere strafbare feiten, zoals baldadigheid of het betreden van
verboden terrein.
Dit zijn wetsdelicten en worden behandeld door de kantonrechter.
Strafbepaling
Een strafbepaling bevat een nauwkeurige omschrijving van het gedrag dat
strafbaar is, én de maximumstraf die daarvoor geldt.
Een strafbepaling bestaat uit drie onderdelen:
Delictsomschrijving: beschrijving van het verboden gedrag.
Kwalificatie: de naam van het delict (soms ontbreekt dit).
Sanctienorm: de maximale straf die kan worden opgelegd.
De delictsomschrijving is opgebouwd uit bestanddelen, oftewel de noodzakelijke
onderdelen die samen het strafbare feit vormen.
Voorbeeld bij diefstal:
“Enig goed”
“Dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort”
“Wegneemt”
“Met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling”
Alleen wanneer de dader alle bestanddelen vervult, is hij strafbaar.
Daarnaast gelden nog twee voorwaarden voor strafbaarheid, ook
wel elementen genoemd:
Wederrechtelijkheid: het gedrag is in strijd met het recht.
Schuld: de dader kan verantwoordelijk worden gehouden voor zijn gedrag.
De strafbare poging
Een poging tot misdrijf is ook strafbaar, maar alleen onder bepaalde
voorwaarden:
Er moet sprake zijn van een voornemen om het strafbare feit te plegen. De
dader moet echt de bedoeling hebben gehad het delict uit te voeren.
Er moet een uitvoeringshandeling zijn geweest: de dader is begonnen met
de uitvoering van het delict. Alleen voorbereidingshandelingen, zoals het
kopen van gif, zijn niet voldoende.
Er mag geen gewillige terugtred zijn: de poging is alleen strafbaar als het
misdrijf mislukt door omstandigheden van buitenaf, niet omdat de dader
zelf besluit te stoppen.