Begrippenlijst ODG
Sociale interventies: ingrepen om sociale problemen op te lossen
Scientific management: arbeidsproces opdelen in deelhandelingen (Taylor)
Social engineering: tests en technieken die sociale wetenschappers gebruiken
Interpretatiekader: maken maatschappelijke kwesties hanteerbaar. Hoe en wat je ziet.
Interventie logica (Frits van Wel): praktijk gerelateerde paradigma’s (wereldbeelden).
4 partijen bij interventies:
1. Maatschappelijke autoriteiten
2. Onderzoekers
3. Interventie specialisten
4. ‘objecten’ van interventies
4 elementen van interventielogica:
1. Object
2. Oorzaken
3. Doel
4. Middel
Triomfalistisch: geen paradigmawisseling, maar onwetenschappelijk wordt vervangen door
wetenschappelijk.
Constructivisme: waarheid verandert. Geen echte verandering of waarheid alleen strijd om
waarheid.
Rationele fictie: interventies hebben een rationele structuur maar zijn ook door mensen
bedacht. Handig denkraam, maar niet de volledige werkelijkheid.
Evidence-based practice: interventies gebaseerd op hard, wetenschappelijk bewijs.
Practice-based practice: interventies gebaseerd op praktijk kennis en ervaringen.
Eminence-based practice: interventies worden gebaseerd op autoriteit of reputatie van
experts.
Randomised controlled trials: gerandomiseerd onderzoek met een controle groep.
Naturalistic decision making: hoe maken mensen besluiten in complexe natuurlijke situaties?
Praktijk gerichte en ervaring gestuurde besluitvorming.
Sociale patroonherkenning: je herkent snel en intuïtief patronen en regels in sociaal gedrag,
zonder bewust te analyseren.
Dreyfus: experts volgen niet alleen protocollen en regels, maar handelen ook vanuit ervaringen
en inzichten. 5 fasen van vaardigheden verwerking (skill aquisation):
1. Beginner
2. Gevordende beginner
3. Competente actor
4. Bedreven actor
5. Virtuoos
Sociale interventies: ingrepen om sociale problemen op te lossen
Scientific management: arbeidsproces opdelen in deelhandelingen (Taylor)
Social engineering: tests en technieken die sociale wetenschappers gebruiken
Interpretatiekader: maken maatschappelijke kwesties hanteerbaar. Hoe en wat je ziet.
Interventie logica (Frits van Wel): praktijk gerelateerde paradigma’s (wereldbeelden).
4 partijen bij interventies:
1. Maatschappelijke autoriteiten
2. Onderzoekers
3. Interventie specialisten
4. ‘objecten’ van interventies
4 elementen van interventielogica:
1. Object
2. Oorzaken
3. Doel
4. Middel
Triomfalistisch: geen paradigmawisseling, maar onwetenschappelijk wordt vervangen door
wetenschappelijk.
Constructivisme: waarheid verandert. Geen echte verandering of waarheid alleen strijd om
waarheid.
Rationele fictie: interventies hebben een rationele structuur maar zijn ook door mensen
bedacht. Handig denkraam, maar niet de volledige werkelijkheid.
Evidence-based practice: interventies gebaseerd op hard, wetenschappelijk bewijs.
Practice-based practice: interventies gebaseerd op praktijk kennis en ervaringen.
Eminence-based practice: interventies worden gebaseerd op autoriteit of reputatie van
experts.
Randomised controlled trials: gerandomiseerd onderzoek met een controle groep.
Naturalistic decision making: hoe maken mensen besluiten in complexe natuurlijke situaties?
Praktijk gerichte en ervaring gestuurde besluitvorming.
Sociale patroonherkenning: je herkent snel en intuïtief patronen en regels in sociaal gedrag,
zonder bewust te analyseren.
Dreyfus: experts volgen niet alleen protocollen en regels, maar handelen ook vanuit ervaringen
en inzichten. 5 fasen van vaardigheden verwerking (skill aquisation):
1. Beginner
2. Gevordende beginner
3. Competente actor
4. Bedreven actor
5. Virtuoos