Vijf miljoen jaar geleden eerste mensen, evolueerde vanuit principe,
rechtop lopen was beter voor overzicht en snelheid.
o = evolutie, zeer langzame ontwikkeling van soorten waarbij
aanpassing aan omgeving een belangrijke rol speelt.
o Dit waren homo habilis en homo erectus.
Moderne mens (Homo Sapiens) ontstond 250k jaar geleden in Oost-
Afrika, 43k jaar geleden verspreidde deze zich naar Europa.
o In EU leefde ook al de Neanderthaler, deze was kleiner en
zwaarder, is 33k jaar geleden uitgestorven.
Verschil van homo sapiens met voorouders (dieren) was de
gesproken taal, de complexe communicatie.
o Met doorgeven van kennis via communicatie kon collectief
worden geleerd met kennis van voorgangers.
o Ander verschil was de symbolische wijze van denken, ze
deden aan grafgiften etc. (laat zien wat homo sapiens mooi
vonden)
De Neanderthalers/Homo sapiens waren jager-verzamelaars,
leefden als nomaden in kleine groepen.
o Eenvoudige hutten/tenten, gingen vanuit hier op jacht naar
eten en verzamelden vruchten en zaden.
Des te meer natuurlijke bronnen, des te groter de groep.
o Als er in een gebied te veel mensen waren maar te weinig
bronnen, bewogen deze groepen naar andere gebieden.
Soms gebeurde het ook dat groepen zich opsplitsten.
o Klimaat had grote invloed op plek van leven, in EU was er nog
een ijstijd, in centraal EU waren er leefbare omstandigheden,
daar kon gejaagd worden.
o Maakten gereedschappen van dierenbotten en vuursteen.
Vanwege laatste wordt prehistorische periode het
Paleothicum genoemd (Oude Steentijd).
, Neolithische revolutie: overgang naar dat landbouw belangrijkste
middel van bestaan werd i.p.v. jagen en verzamelen.
o Kwam volgens wetenschappers door toenemende kennis,
groeiende bevolking en gunstiger klimaat.
Rond 20k v.Chr, werd MO natter/warmer, hierdoor was
hier veel voedsel, met als resultaat dat rondtrekken
onnodig was, er ontstaan steden en dorpen.
o Rond 12k v.Chr kwam er koudere/drogere periode aan,
overvloed eten in MO nam af.
In Vruchtbare halve maan ontdekten mensen hoe ze zelf
vruchten konden verbouwen.
Noodzaak door grote bevolking en weinig dieren,
hierdoor ontstond akkerbouw.
Veeteelt ontstond ook, mensen gingen dieren fokken.
o Gevolgen hiervan waren erg groot, daarom spreken we hier
van de landbouwrevolutie, of neolithische (nieuwe
steentijd), benaming voor deel van prehistorie waar landbouw
belangrijkste middel bestaan was.
Rond 5k v.Chr. trok landbouwrevolutie ook naar West-EU.
o Sommige archeologen denken dat landbouw was
geïntroduceerd door mensen uit MO.
Door landbouw groeide bevolking, door overbevolking
trokken boeren naar EU, waar ze kennis landbouw
meenamen.
o Overal waar landbouw kwam waren grote gevolgen, mensen
gingen sedentair leven, niet meer tijdelijk maar permanent.
Dorpen en steden ontstonden.
Landbouwwerktuigen werden bedacht.
Aardewerk werd gemaakt (potten)
Hierin kon landbouw resultaat bewaard worden.
Konden meer bezitten dan nomaden, bezit betekende
macht een aanzien.
Was nog geen sprake van grote sociale verschillen
in landbouwsamenlevingen
o Deze overgang duurde duizenden jaren, van jagen naar
landbouw.