H1 Betekenis van werk
§1.1 Wat is werk?
Arbeid = alle activiteiten die maatschappelijk en/of economisch nuttig zijn voor degene die ze
verricht, voor zijn of haar omgeving en/of voor de samenleving als geheel.
Betaald werk = werk in loondienst
Onbetaald werk = werk zonder financiële vergoeding
Vrijwilligerswerk = werk zonder vergoeding, maar wel met verzekering
Functies werk voor individu:
Materiële functies: - inkomen
- economische onafhankelijkheid
Immateriële functies: - sociale status
- sociale contacten
- zingeving aan bestaan
- ritme / zinvolle tijdsbesteding
- ontplooiing in werk
Functies werk voor samenleving:
- Welvaartsfunctie (draagt bij aan nationale welvaart en rijkdom)
- Sociale functie (zorgt voor integratie en sociale cohesie in de samenleving)
- Verdelingsfunctie (zorgt voor verdeling van macht en geld)
Vanaf 1983 is werk een sociaal grondrecht
- Sociaal grondrecht = grondrecht waarbij je niet naar de rechter kunt stappen
- Klassiek grondrecht = grondrecht waarbij je wel naar de rechter kunt stappen
Kwaliteit van werk wordt bepaald door vier factoren:
- Arbeidsinhoud (afwisseling / uitdaging / ontplooiing)
- Arbeidsomstandigheden (schoon / gezond / prettig)
- Arbeidsverhoudingen (relaties werkgever-werknemer / werknemers onderling)
- Arbeidsvoorwaarden (salaris / werktijden / verlofregelingen)
§1.2 Arbeidsethos
Arbeidsethos = belang dat mensen hechten aan werk / betekenis die ze aan werk geven.
Arbeidsethos wordt bepaald door de volgende maatschappelijke factoren:
- Mate van welvarendheid
(arm land -> werk nodig om te overleven; rijk land -> pensioen economisch
veroorloofd)
- Omvang van werkloosheid
(veel werkloosheid -> criteria werkzoekenden versoepeld)
- Beschikbaarheid van inkomensvoorzieningen
(rijk genoeg om niet te hoeven werken
- Maatschappelijke druk
Verschillen arbeidsethos in tijd:
- Klassieke oudheid: werk werd als zeer negatief beschouwd, het was meer iets voor
slaven en gevangenen
- Middeleeuwen: christelijke ethiek kreeg overhand, mensen werden aangespoord om
te gaan werken
- Verlichting: werk was nobele zaak, zowel voor jezelf als voor de samenleving
- 20e eeuw: werk werd in verband gebracht met rechten
1
, §1.3 Arbeid en sociale positie
Maatschappelijke positie = de plaats die iemand heeft op de maatschappelijke ladder
Sociale stratificatie = verdeling van de samenleving in groepen en lagen waartussen de
verhouding van sociale ongelijkheid bestaat
Opvattingen over sociale stratificatie:
- Karl Marx
Ongelijkheid wordt veroorzaakt door verschil in bezit van productiemiddelen
Tweedeling bezitters-bezitlozen
- Max Weber
Onderscheid in 3 soorten stratificatie:
o Klasse
o Stand
o Partij
Soorten lopen door elkaar heen
- Functionalisten
Sociale stratificatie is een natuurlijk, geaccepteerd en gewaardeerd gegeven
in de samenleving
Sociale mobiliteit = de mogelijkheid tot stijgen en dalen op de maatschappelijke ladder.
- Intergenerationele mobiliteit = hogere positie dan ouders verwerven
- Intragenerationele mobiliteit = zelf tijdens werkzame leven een grote stijging op
maatschappelijke ladder doormaken
Theorieën over mobiliteit:
- Reproductietheorie
Geringe sociale mobiliteit
Samenleving wordt gedomineerd door machtsverhoudingen tussen
maatschappelijke klassen
Onderwijs een middel van heersende klasse om ongelijkheid te houden
- Meritocratietheorie
Personen veroveren positie in de samenleving op basis van hun persoonlijke
capaciteiten (eigen inzet, verdiensten)
Volgens socioloog Bourdieu zou dit nooit opgaan door taal, gewoonten, etc.
H2 Arbeidsverdeling
Arbeidsverdeling = de werkzaamheden worden op een bepaalde manier over de mensen
veldeelt.
Maatschappelijke arbeidsverdeling = arbeid verdelen over de mensen in de samenleving
(beroepen)
Technische arbeidsverdeling = productieproces opdelen in deeltaken / deelhandelingen
§2.1 De eerste beroepen
Na landbouwrevolutie ontstonden de eerste beroepen, omdat niet iedereen zich meer met
productie van voedsel bezig hoefde te houden.
Inhoud van werk: nieuwe beroepen en ambachten + maatschappelijke arbeidsdeling
Organisatie van werk: werk was dichtbij huis, vanaf 12e eeuw ontstonden er gilden
Arbeidsverhoudingen: grondbezit werd belangrijk en bepaalde je status
2
§1.1 Wat is werk?
Arbeid = alle activiteiten die maatschappelijk en/of economisch nuttig zijn voor degene die ze
verricht, voor zijn of haar omgeving en/of voor de samenleving als geheel.
Betaald werk = werk in loondienst
Onbetaald werk = werk zonder financiële vergoeding
Vrijwilligerswerk = werk zonder vergoeding, maar wel met verzekering
Functies werk voor individu:
Materiële functies: - inkomen
- economische onafhankelijkheid
Immateriële functies: - sociale status
- sociale contacten
- zingeving aan bestaan
- ritme / zinvolle tijdsbesteding
- ontplooiing in werk
Functies werk voor samenleving:
- Welvaartsfunctie (draagt bij aan nationale welvaart en rijkdom)
- Sociale functie (zorgt voor integratie en sociale cohesie in de samenleving)
- Verdelingsfunctie (zorgt voor verdeling van macht en geld)
Vanaf 1983 is werk een sociaal grondrecht
- Sociaal grondrecht = grondrecht waarbij je niet naar de rechter kunt stappen
- Klassiek grondrecht = grondrecht waarbij je wel naar de rechter kunt stappen
Kwaliteit van werk wordt bepaald door vier factoren:
- Arbeidsinhoud (afwisseling / uitdaging / ontplooiing)
- Arbeidsomstandigheden (schoon / gezond / prettig)
- Arbeidsverhoudingen (relaties werkgever-werknemer / werknemers onderling)
- Arbeidsvoorwaarden (salaris / werktijden / verlofregelingen)
§1.2 Arbeidsethos
Arbeidsethos = belang dat mensen hechten aan werk / betekenis die ze aan werk geven.
Arbeidsethos wordt bepaald door de volgende maatschappelijke factoren:
- Mate van welvarendheid
(arm land -> werk nodig om te overleven; rijk land -> pensioen economisch
veroorloofd)
- Omvang van werkloosheid
(veel werkloosheid -> criteria werkzoekenden versoepeld)
- Beschikbaarheid van inkomensvoorzieningen
(rijk genoeg om niet te hoeven werken
- Maatschappelijke druk
Verschillen arbeidsethos in tijd:
- Klassieke oudheid: werk werd als zeer negatief beschouwd, het was meer iets voor
slaven en gevangenen
- Middeleeuwen: christelijke ethiek kreeg overhand, mensen werden aangespoord om
te gaan werken
- Verlichting: werk was nobele zaak, zowel voor jezelf als voor de samenleving
- 20e eeuw: werk werd in verband gebracht met rechten
1
, §1.3 Arbeid en sociale positie
Maatschappelijke positie = de plaats die iemand heeft op de maatschappelijke ladder
Sociale stratificatie = verdeling van de samenleving in groepen en lagen waartussen de
verhouding van sociale ongelijkheid bestaat
Opvattingen over sociale stratificatie:
- Karl Marx
Ongelijkheid wordt veroorzaakt door verschil in bezit van productiemiddelen
Tweedeling bezitters-bezitlozen
- Max Weber
Onderscheid in 3 soorten stratificatie:
o Klasse
o Stand
o Partij
Soorten lopen door elkaar heen
- Functionalisten
Sociale stratificatie is een natuurlijk, geaccepteerd en gewaardeerd gegeven
in de samenleving
Sociale mobiliteit = de mogelijkheid tot stijgen en dalen op de maatschappelijke ladder.
- Intergenerationele mobiliteit = hogere positie dan ouders verwerven
- Intragenerationele mobiliteit = zelf tijdens werkzame leven een grote stijging op
maatschappelijke ladder doormaken
Theorieën over mobiliteit:
- Reproductietheorie
Geringe sociale mobiliteit
Samenleving wordt gedomineerd door machtsverhoudingen tussen
maatschappelijke klassen
Onderwijs een middel van heersende klasse om ongelijkheid te houden
- Meritocratietheorie
Personen veroveren positie in de samenleving op basis van hun persoonlijke
capaciteiten (eigen inzet, verdiensten)
Volgens socioloog Bourdieu zou dit nooit opgaan door taal, gewoonten, etc.
H2 Arbeidsverdeling
Arbeidsverdeling = de werkzaamheden worden op een bepaalde manier over de mensen
veldeelt.
Maatschappelijke arbeidsverdeling = arbeid verdelen over de mensen in de samenleving
(beroepen)
Technische arbeidsverdeling = productieproces opdelen in deeltaken / deelhandelingen
§2.1 De eerste beroepen
Na landbouwrevolutie ontstonden de eerste beroepen, omdat niet iedereen zich meer met
productie van voedsel bezig hoefde te houden.
Inhoud van werk: nieuwe beroepen en ambachten + maatschappelijke arbeidsdeling
Organisatie van werk: werk was dichtbij huis, vanaf 12e eeuw ontstonden er gilden
Arbeidsverhoudingen: grondbezit werd belangrijk en bepaalde je status
2