Hoorcolleges, Werkcolleges en literatuur +
Zelfstudievragen aan het einde van elke thema
(Aan het einde mini samenvatting en zelfgemaakte tentamen om te
oefenen)
Hoorcollege 1A.
Machtsverdeling en Democratisch
De constitutionele kwestie, ben ik autonoom of niet? (of hoe kan ik dat worden)
Recht-> privaatrecht + publiekrecht. Publiekrecht->Strafrecht – constitutioneel recht - Bestuursrecht
Privaatrecht: juridische gelijkheid en gelijkwaardigheid van partijen
Publiekrecht: overheid kan eenzijdig rechtsgevolgen vaststellen
• Overheid: feitelijke handelingen en rechtshandelingen
• Kenmerken: publiekrechtelijke echtshandelingen via eenzijdig bindende besluiten
Beginselen van een democratische rechtstaat:
1. Legaliteitsbeginsel
2. Machtenscheiding
3. Grondrechten
4. Rechterlijke controle + democratiebeginsel
Geschreven en ongeschreven regels
• Beginselen van een democratische rechtstaat
• Grondwet en Statuut ‘organieke wetten’ , constitutionele gewoonten (Organieke wetten zijn wetten die door
de grondwet zijn voorgeschreven en de organisatie van de staat regelen, zoals de Provinciewet, de Gemeentewet en
de Kieswet)
• Samenstelling, inrichting en bevoegdheden van de staat en zijn organen
- Bijv. regering, sg, waterschappen, gemeente en provincie
- Regels waar de overheid zich aan moet houden bij uitvaardigen en handhaven van rechtsnormen
• Grondrechten
De staat: Een organisatievorm waarin over de bevolking binnen een bepaald territorium macht in de zin van
soevereine, hoogste macht wordt uitgeoefend
Theocratische opvatting:
• Vorst is de soeverein
• Regeert in de naam van God
• Is bron van alle recht
• Maar zelf niet aan het recht verbonden
• Enkel gunsten, geen rechten
Natuurecht
• Onveranderlijke, uit natuur voortvloeiende rechtsbeginselen
• Beperken bevoegdheden van vorst
• Mogen alleen ten behoeve van het welzijn van de gemeenschap toegepast worden
• Legitieme vorst vs. Tiran
• Verdorvenheid van de wet, verzet mogelijk
Feodalisme
• Vorst heeft militaire macht en financiële middelen nodig
• Vorst (leenheer) geeft in ruil domeingoederen aan leenmannen/vazallen
, • Wederzijdse rechten en plichten
• Contractuele relatie (Magna Carta (1215, Engeland) → de koning moest zich aan de wet houden. Blijde Inkomst (1356,
Brabant) → ook daar werden rechten van onderdanen vastgelegd.
• Codificatie van gewoonterecht/natuurrecht
Model van absolute staat:
• Reactie op godsdienstenoorlog
• Vorst/koning: interne soevereiniteit
• Absolute soevereiniteit
- Niet van andere machten afhankelijk
- Bevoegdheid tot scheppen nieuw recht
Natuurrechtelijke contractsleer; naar de klassiek/liberale rechtstaat:
Locke
- Mensen als individuen met burgerlijke vrijheden
- Mensen geven deel van natuurlijk vrijheid op aan staat in maatschappelijk contract
- Machtenscheiding
Montesquieu
- De l ’esprit des lois
- Trias politica
Rousseau
- Contrat social
- Volonte generale
Klassiek liberale rechtstaat
• Het recht moet individuele vrijheid beschermen
1. Legaliteitsbeginsel: alle overheid optreden dat inbreuk maakt op vrijheid van burgers moet berusten op
een wettelijke grondslag (wet in formele zin of Gw) en worden uitgeoefend binnen de grenzen van het
recht
2. Machtenscheiding
3. Grondrechten
4. Rechterlijke controle
Hoorcollege 1BC
Constitutioneel recht, machtsverdeling en democratie
De constitutionele kwestie: Demonstraties die de openbare orde verstoren?
Welke organen zijn bevoegd, onder welke voorwaarden bevoegd tot het stellen van in de (Nederlandse) rechtsorde geldende
rechtsnormen?
De plaats en kenmerken van het constitutioneel recht:
• Organisatie van de overheid
• Relatie overheid-burger
• Eenzijdig bindende besluiten (publiekrechtelijke rechtshandeling)
Het constitutioneel recht regelt wie de macht heeft, hoe die wordt gebruikt,
en welke rechten burgers hebben tegenover de overheid.
Ontwikkeling klassiek-liberale rechtstaat
• Theocratie, natuurrecht, feodalisme, absolute staat->
• Individu zijn vrijheden/rechten centraal
Oftewel (Zie Burkens 2022):
• De burger is in beginsel vrij
• Maar: complexiteit veel regelgeving nodig
• Belang van aanvaardbaarheid, kan niet door expliciete instemming met elke wet of regel
,In de klassiek-liberale rechtsstaat staat de vrijheid van de burger voorop,
maar om samen te leven zijn wetten nodig die door de meeste mensen aanvaard worden.
Beginselen van democratische rechtstaat:
• Legaliteitsbeginsel
• Machtenscheiding
• Grondrechten
• Rechterlijke controle
Legaliteitsbeginsel: Alle overheidsoptreden dat inbreuk maakt op de vrijheid van burgers moeten berusten op een wettelijke
grondslag
• Vrijheid is de hoofdregel, beperking de uitzondering
• Beperkingen is positief recht
• ‘Wet’: Eisen aan oorsprong (wetgevend orgaan) + inhoud (rechtszekerheid en -gelijkheid)
De overheid mag jouw vrijheid alleen beperken als dat duidelijk in een wet staat
en die wet is geldig, duidelijk en eerlijk.
Democratie en rechtstaat blijven in ontwikkeling
• Klassiek-liberale rechtstaat, democratische rechtstaat, sociale rechtstaat-> uitdagingen
• De rechtstaat is geen rustig bezit, geen huis waarin we onbezorgd kunnen gaan slapen. ‘Willem Witteveen’
(Horizontale) Machtenscheiding:
• Waarborgt vrijheid burgers door verdeling overheidsmacht over meerdere overheidsambten -> niet in een hand
• Vgl. Locke en Montesquieu
• 3 Functies: wetgevende, uitvoerende (bestuur) en rechtsprekende
• Verschillende varianten steeds in ontwikkeling
Geen zuivere machtenscheiding
• Wetgevende macht in de handen van regering en SG
• Uitvoerende macht: zelfstandige bevoegdheid materiele wet- en regelgeving via AMvB Art 89
- Algemene maatregelen van bestuur bij koninklijk besluit vastgesteld
- Voorschriften, door straffen te handhaven, worden daarin alleen gegeven krachtens de wet, de wet bepaalt de
op te leggen straffen.
• Rechterlijke macht: onafhankelijk maar benoemd door de regering (art. 117 lid 1 Gw) en gebonden aan het recht.
Ook art. 188 lid 1 Gw:
- De leden van de Hoge raad der Nederlanden worden benoemd uit voordracht van 3 personen, opgemaakt door
de Tweede kamer der Staten-Generaal
• Machtenscheiding -> machtsevenwicht
In Nederland zijn de drie machten niet strikt gescheiden:
• Regering + parlement maken samen wetten.
• Regering voert uit en maakt soms regels.
• Rechters zijn onafhankelijk, maar benoemd door de regering.
Er is een machtsevenwicht, geen strikte scheiding.
Checks and balances, controle:
• Rechterlijke macht: controleert wetgever, toetst of lagere wetgeving in overeenstemming is met hoger recht, of besluiten in
overeenstemming zijn met legaliteitsvereiste
• Staten-Generaal: controleren regering bijv. moties (art. 67 Gw, RvO II art. 68 Gw)
• (Politieke) ministeriele verantwoordelijkheid (art. 42 lid 2 Gw) -> vertrouwensregel: Kamer die geen vertrouwen meer heeft in
het kabinet f individuele bewindslieden kan motie van wantrouwen aannemen en dwingen tot aftreden
-De wetgever maakt de regels,
- Het bestuur voert ze uit,
- En de rechter controleert of alles eerlijk en volgens de wet gebeurt.
Beginselen van de rechtstaat + democratiebeginsel
• Gelijkheid voor de wet
• Representatieve democratie o.b.v. algemene, directe verkiezingen
- Terugdringen rol van koning
- Regering onder controle parlement: politieke ministersiele verantwoordelijkheid (1848) vetrouwensregel
, - Rechtstreekse verkiezingen Tweede Kamer (1848) o.b.v. census
- 1917 : algemeen mannenkiesrecht (lijstenstelsel met enkelvoudig voorkeurstem en evenredige
vertegenwoordiging)
- 1919: algemeen vrouwenkiesrecht
De democratie en rechtsstaat zorgen ervoor dat iedereen gelijk is,
het volk via verkiezingen invloed heeft en de regering verantwoording moet afleggen aan het parlement.
Democratische uitdagingen
Democratisch rechtstaat:
• Actief en passief kiesrecht
• Overige politieke grondrechten
• Pluriforme media
• Openbaarheid van bestuur en besluitvorming
Maar dus ook sociale rechtstaat:
• Verzorgingsstaat- bestaanszekerheid
• Minimumvoorwaarden voor reële kansgelijkheid
De democratische rechtsstaat beschermt vrijheid en inspraak en de sociale rechtsstaat zorgt voor zekerheid en gelijke kansen voor iedereen.
Onderdeel van grote uitdagingen:
• Hypercomplexe samenleving
• Particratie
• Versplintering (evenredige vertegenwoordiging kiesdrempel= kiesdeler)
• Fake news post-truth politics
• Populisme
• Representatie: kloof tussen burger en politiek
Particratie: Partijen krijgen veel macht, terwijl de individuele kiezer of volksvertegenwoordiger minder invloed heeft.
Door evenredige vertegenwoordiging komen veel kleine partijen in de Kamer (geen kiesdrempel, alleen kiesdeler) → moeilijker om stabiele
regeringen te vormen.
Populisme: Politici spelen in op onvrede en emoties van het volk, soms tegen de bestaande instellingen in.
ZElFSTUDIEVRAGEN
1. Wat zijn de basisprincipes van de idee van de klassiek-liberale rechtsstaat?
2. Waarin onderscheidt zich de sociale rechtsstaat van de klassiek-liberale en de
democratische rechtsstaat?
3. Wat is een rigide grondwet? Wat is een flexibele grondwet?
4. Hoe kunt u het beginsel van de machtsverdeling in verband brengen met de
positie van de rechterlijke macht?
5. Wat zijn enkele voor- en nadelen van de verschillende kiesstelsels?
6. Wat wordt bedoeld met lijstenstelsel en personenstelsel in kiesstelsels?
7. Welke eisen stelt het democratieprincipe?
8. Wat wordt bedoeld met actief kiesrecht? Wat wordt bedoeld met passief
kiesrecht?
1. Het recht moet individuele vrijheid beschermen, legaliteitsbeginsel, machtenscheiding, grondrechten en rechterlijke controle
2. Klassiek-liberale rechtstaat: focus op vrijheid en bescherming tegen de overheid, Democratische: focus op burgerinvloed via verkiezingen, Sociale rechtstaat: focus op
zekerheid en gelijke kansen, zoals inkomen, zorg en onderwijs.
3. Rigide grondwet: Vaak moeilijk te veranderen, speciale procedure vereist. Flexibele grondwet: kan eenvoudig worden aangepast via normale wetgevingsprocedures
4. Machtsverdeling (trias politica): wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht gescheiden. Rechterlijke macht: Controleert of de wetten en besluiten van de overheid
binnen de wet en rechtstaat zijn. Onafhankelijk, maar rechters worden wel benoemd door de overheid.
5. Evenredige vertegenwoordiging- voordeel (alle stemmen tellen evenveel mee ook van kleine partijen) nadeel (veel partijen soms instabiele regering) Districtenstelsel-
voordeel (vaak duidelijke meerderheidsregering) nadeel (stemmen van kleine partijen tellen minder mee)
6. Lijstenstelsel – stemmen op een partij; volgorde op de lijst bepaalt wie er zetels krijgen
7. Algemeen kiesrecht – vrije en eerlijke verkiezingen – pluriformiteit- burgerinvloed en vertegenwoordiging – politieke grondrechten
8. Actief kiesrecht: recht om te stemmen bij verkiezingen Passief kiesrecht: Recht om verkiesbaar te zijn en elf gekozen te worden