Tijdvak 7 (MEMO en GWP)
Memo
8.1 In de 18e eeuw geloofde men nog wel dat kerkelijke rituelen effect hadden. Voltaire vond dat
niets; hij vond die ideeën dogmatisch (een idee dat zonder bewijs aangenomen wordt). Sinds de
wetenschappelijke revolutie waren dit soort ideeën niet ongewoon. Men had namelijk meer
vertrouwen gekregen in rationalisme, empirisme en het eigen verstand. Dit is de periode van de
Verlichting. Men geloofde sterk in het eigen verstand en men wilde alles wetenschappelijk bewezen
hebben. Daardoor was de verlichting een periode van veel wetenschappelijk debat en onderzoek.
Door het rationalisme kwam de Bijbel en de godsdienst onder druk te staan. Velen bleven echter wel
in God geloven, en soms in de vorm van ‘horlogemaker’: God schiep de wereld en doet er nu niks
meer mee (deïsme). Ook ontstond er het cultuurrelativisme: men ging wereldwijde religies en
gewoonten op gelijkwaardige manier met elkaar vergelijken -> christendom is niet meer superieur ->
meer religieuze tolerantie. Men ging ook het verstand boven de christelijke richtlijnen stellen. Ethiek
zou een universele richtlijn zijn, en niet door een religie geïnspireerd zijn. Een morele, Verlichte
richtlijn was: behandel een ander niet anders dan je zelf behandeld zou willen worden.
Er waren drie ideeën over het bestuur van de samenleving:
- John Locke: burgers en regering sluiten contract (sociaal contract), de burgers kunnen dat
laten vervallen;
- Jean-Jacques Rousseau: volkssoevereiniteit: de regering is de gezamenlijke wil van de
burgers -> burgers kunnen hun macht weer terugnemen;
- Montesquieu: scheiding der machten (trias politica): één groep maakt de wetten, één voert
die uit en de derde controleert of de burgers zich aan die wetten houden.
Ook de ideeën over rechtspraak en geschiedenis werden sterk gerationaliseerd.
8.2 Frederik veranderde Pruisen drastisch toen hij koning werd. Veel andere koningen richtten
hun land ook efficiënter in -> meer geld over om oorlogen te voeren. Frederik handelde vanuit
verlicht absolutisme: hervormingen doorvoeren om de samenleving te verbeteren volgens verlichte
ideeën. Hij liet echter wel de sociale verhoudingen (verschil tussen adel en lijfeigenen etc.) van de
feodaliteit bestaan. Keizer Jozef II van Oostenrijk schafte wel de lijfeigenschap in zij land af.
Deze groepen kwamen in opstand tegen alle hervormingen die doorgevoerd werden:
- Adel: door het afschaffen van privileges en lijfeigenschap verloren zij hun macht;
- Kerk: de heersende Roomse kerk wilde niet dat de godsdienstvrijheden werden ingevoerd;
- Boeren: zij waren vaak conservatieve gelovigen en volgden de kerk in haar opvattingen.
Die verlichte ideeën brachten enerzijds vooruitgang (betere scholing en rechtspraak) en anderzijds
onzekerheid.
Burgers vormden hun eigen mening over verlichte ideeën (publieke opinie), hoewel die vaak niet
door de vorst erkend werden. Deze denkbeelden konden zich snel verspreiden door de populariteit
van tijdschriften, koffiehuizen en salons. In 1784 werd in de Republiek het Nut opgericht; dit
genootschap dacht dat een goede ‘opvoeding’ van de burgers zou leiden tot economische groei.
Doordat beslissingen in het Nut democratisch werden gnomen, ervoeren burgers de waarde van
democratie.
Memo
8.1 In de 18e eeuw geloofde men nog wel dat kerkelijke rituelen effect hadden. Voltaire vond dat
niets; hij vond die ideeën dogmatisch (een idee dat zonder bewijs aangenomen wordt). Sinds de
wetenschappelijke revolutie waren dit soort ideeën niet ongewoon. Men had namelijk meer
vertrouwen gekregen in rationalisme, empirisme en het eigen verstand. Dit is de periode van de
Verlichting. Men geloofde sterk in het eigen verstand en men wilde alles wetenschappelijk bewezen
hebben. Daardoor was de verlichting een periode van veel wetenschappelijk debat en onderzoek.
Door het rationalisme kwam de Bijbel en de godsdienst onder druk te staan. Velen bleven echter wel
in God geloven, en soms in de vorm van ‘horlogemaker’: God schiep de wereld en doet er nu niks
meer mee (deïsme). Ook ontstond er het cultuurrelativisme: men ging wereldwijde religies en
gewoonten op gelijkwaardige manier met elkaar vergelijken -> christendom is niet meer superieur ->
meer religieuze tolerantie. Men ging ook het verstand boven de christelijke richtlijnen stellen. Ethiek
zou een universele richtlijn zijn, en niet door een religie geïnspireerd zijn. Een morele, Verlichte
richtlijn was: behandel een ander niet anders dan je zelf behandeld zou willen worden.
Er waren drie ideeën over het bestuur van de samenleving:
- John Locke: burgers en regering sluiten contract (sociaal contract), de burgers kunnen dat
laten vervallen;
- Jean-Jacques Rousseau: volkssoevereiniteit: de regering is de gezamenlijke wil van de
burgers -> burgers kunnen hun macht weer terugnemen;
- Montesquieu: scheiding der machten (trias politica): één groep maakt de wetten, één voert
die uit en de derde controleert of de burgers zich aan die wetten houden.
Ook de ideeën over rechtspraak en geschiedenis werden sterk gerationaliseerd.
8.2 Frederik veranderde Pruisen drastisch toen hij koning werd. Veel andere koningen richtten
hun land ook efficiënter in -> meer geld over om oorlogen te voeren. Frederik handelde vanuit
verlicht absolutisme: hervormingen doorvoeren om de samenleving te verbeteren volgens verlichte
ideeën. Hij liet echter wel de sociale verhoudingen (verschil tussen adel en lijfeigenen etc.) van de
feodaliteit bestaan. Keizer Jozef II van Oostenrijk schafte wel de lijfeigenschap in zij land af.
Deze groepen kwamen in opstand tegen alle hervormingen die doorgevoerd werden:
- Adel: door het afschaffen van privileges en lijfeigenschap verloren zij hun macht;
- Kerk: de heersende Roomse kerk wilde niet dat de godsdienstvrijheden werden ingevoerd;
- Boeren: zij waren vaak conservatieve gelovigen en volgden de kerk in haar opvattingen.
Die verlichte ideeën brachten enerzijds vooruitgang (betere scholing en rechtspraak) en anderzijds
onzekerheid.
Burgers vormden hun eigen mening over verlichte ideeën (publieke opinie), hoewel die vaak niet
door de vorst erkend werden. Deze denkbeelden konden zich snel verspreiden door de populariteit
van tijdschriften, koffiehuizen en salons. In 1784 werd in de Republiek het Nut opgericht; dit
genootschap dacht dat een goede ‘opvoeding’ van de burgers zou leiden tot economische groei.
Doordat beslissingen in het Nut democratisch werden gnomen, ervoeren burgers de waarde van
democratie.