MEMO H. 14
14.1 In 1863 schafte Nederland de slavernij af in Suriname, waarbij er meer vrijheid ontstond.
Vrijheid wordt gewaarborgd door vrijheidsrechten. Door het christendom werd de slavernij in
Europa afgeschaft. In de middeleeuwen waren er echter wel onvrijen: horigen waren door
grondgebruik aan hun heer verplicht hem te beschermen en lijfeigenen waren aan hun heer
verbonden. In de late middeleeuwen ontstonden steden met stadsbestuurders die bepaalde
bevoegdheden kregen, en burgers waren vrij. In het 17 e-eeuwse Amsterdam waren er
burgers/poorters (zij hadden veel rechten en waren gelijk), inwoners en vreemden. Ook de
economische vrijheid was een grote trekpleister in Amsterdam. Baruch Benedictus de Spinoza was
een bekende jood in Amsterdam die over de vrijheid van meningsuiting filosofeerde. Willem van
Oranje stond ook vrijheid voor. In de Unie van Utrecht (1579) stond dat iemands geloof geen
consequentie voor zijn behandeling mag hebben. Toch werden katholieken nog wel achtergesteld.
In 1798 ontstond een zeer democratische Grondwet, maar Napoleon vond het bestuur niet effectief
genoeg. In 1848 gaf de koning toe aan de wensen van het parlement en stelde een Grondwet op met
allerlei vrijheden erin verankerd. In 1878 rondde Aletta Jacobs als eerste vrouw de universiteit af. Ze
had nu bijna gelijke rechten en plichten met mannen, maar mocht niet stemmen. Gebruikmakend
van de vrijheid van drukpers had ze grote invloed op het denken van andere Nederlanders tot in
1919 vrouwen ook kiesrecht kregen. Door bemoeizuchtige vorsten en kerken wilde men vanaf de 15 e
eeuw al meer vrijheid. De invloed van de kerk nam af en in de 17 e en 18e eeuw ging de ratio centraal
staan.
In de Opstand zwoeren de Nederlanders in 1581 hun vorst af. Thomas Hobbes stelde in 1651 dat de
mens maximale vrijheid moet hebben, maar wel een sterke vorst nodig heeft omdat de mens van
nature slecht is. Daarom mag de burger niet in opstand komen tegen de vorst. John Locke vond juist
dat het parlement de wetgevende macht moest hebben en de vorst niet. Een vorst kon alleen
bestaan als hij zich aan het contract met de burgers hield.
14.2 Nederland was eind 18e eeuw een Republiek. Door de ideeën van de Verlichting ging men
verlangen naar meer vrijheid en democratie en centralisatie van de macht, omdat de gewesten elk
nog veel macht hadden. De voorman van deze patriotten was Joan Derk van der Capellen tot den
Pol. Hij riep de mensen op om op te komen voor hun rechten en vrijheden en vervolgens werden er
allerlei organisaties opgericht waarin men nadacht over meer inspraak. Een revolutie in 1787
mislukte echter. Met de komst van de Fransen in 1795 werd de Republiek afgeschaft en werden de
idealen van de Franse Revolutie doorgevoerd: gelijkheid, scheiding van kerk en staat en het invoeren
van een eenheidsstaat. In 1796 werd een parlement gekozen, maar radicale democraten pleegden
een staatsgreep en stelden zelf een grondwet op waardoor iedereen gelijkheid kreeg. In 1806 werd
Lodewijk Bonaparte koning van Nederland en in 1810 Napoleon zelf. In 1813 werden de Fransen
verdreven en kwam de zoon van stadhouden Willem V (koning Willem I) naar Nederland en zwoer hij
trouw aan de nieuwe grondwet, waarin onder andere het ontwerp van de Staten-Generaal stond. De
Tweede Kamer werd echter gekozen door censuskiesrecht en de leden van de Eerste Kamer werden
benoemd door de koning. In 1815 ontstond de Republiek der Nederlanden, maar er waren veel
tegenstellingen tussen Noord en Zuid. De koning regeerde veel per Koninklijk Besluit, en benoemde
zelf ministers. Het parlement had dus nog weinig inspraak. In 1830 riepen de Belgen een eigen staat
uit en de koning stapte op.
14.1 In 1863 schafte Nederland de slavernij af in Suriname, waarbij er meer vrijheid ontstond.
Vrijheid wordt gewaarborgd door vrijheidsrechten. Door het christendom werd de slavernij in
Europa afgeschaft. In de middeleeuwen waren er echter wel onvrijen: horigen waren door
grondgebruik aan hun heer verplicht hem te beschermen en lijfeigenen waren aan hun heer
verbonden. In de late middeleeuwen ontstonden steden met stadsbestuurders die bepaalde
bevoegdheden kregen, en burgers waren vrij. In het 17 e-eeuwse Amsterdam waren er
burgers/poorters (zij hadden veel rechten en waren gelijk), inwoners en vreemden. Ook de
economische vrijheid was een grote trekpleister in Amsterdam. Baruch Benedictus de Spinoza was
een bekende jood in Amsterdam die over de vrijheid van meningsuiting filosofeerde. Willem van
Oranje stond ook vrijheid voor. In de Unie van Utrecht (1579) stond dat iemands geloof geen
consequentie voor zijn behandeling mag hebben. Toch werden katholieken nog wel achtergesteld.
In 1798 ontstond een zeer democratische Grondwet, maar Napoleon vond het bestuur niet effectief
genoeg. In 1848 gaf de koning toe aan de wensen van het parlement en stelde een Grondwet op met
allerlei vrijheden erin verankerd. In 1878 rondde Aletta Jacobs als eerste vrouw de universiteit af. Ze
had nu bijna gelijke rechten en plichten met mannen, maar mocht niet stemmen. Gebruikmakend
van de vrijheid van drukpers had ze grote invloed op het denken van andere Nederlanders tot in
1919 vrouwen ook kiesrecht kregen. Door bemoeizuchtige vorsten en kerken wilde men vanaf de 15 e
eeuw al meer vrijheid. De invloed van de kerk nam af en in de 17 e en 18e eeuw ging de ratio centraal
staan.
In de Opstand zwoeren de Nederlanders in 1581 hun vorst af. Thomas Hobbes stelde in 1651 dat de
mens maximale vrijheid moet hebben, maar wel een sterke vorst nodig heeft omdat de mens van
nature slecht is. Daarom mag de burger niet in opstand komen tegen de vorst. John Locke vond juist
dat het parlement de wetgevende macht moest hebben en de vorst niet. Een vorst kon alleen
bestaan als hij zich aan het contract met de burgers hield.
14.2 Nederland was eind 18e eeuw een Republiek. Door de ideeën van de Verlichting ging men
verlangen naar meer vrijheid en democratie en centralisatie van de macht, omdat de gewesten elk
nog veel macht hadden. De voorman van deze patriotten was Joan Derk van der Capellen tot den
Pol. Hij riep de mensen op om op te komen voor hun rechten en vrijheden en vervolgens werden er
allerlei organisaties opgericht waarin men nadacht over meer inspraak. Een revolutie in 1787
mislukte echter. Met de komst van de Fransen in 1795 werd de Republiek afgeschaft en werden de
idealen van de Franse Revolutie doorgevoerd: gelijkheid, scheiding van kerk en staat en het invoeren
van een eenheidsstaat. In 1796 werd een parlement gekozen, maar radicale democraten pleegden
een staatsgreep en stelden zelf een grondwet op waardoor iedereen gelijkheid kreeg. In 1806 werd
Lodewijk Bonaparte koning van Nederland en in 1810 Napoleon zelf. In 1813 werden de Fransen
verdreven en kwam de zoon van stadhouden Willem V (koning Willem I) naar Nederland en zwoer hij
trouw aan de nieuwe grondwet, waarin onder andere het ontwerp van de Staten-Generaal stond. De
Tweede Kamer werd echter gekozen door censuskiesrecht en de leden van de Eerste Kamer werden
benoemd door de koning. In 1815 ontstond de Republiek der Nederlanden, maar er waren veel
tegenstellingen tussen Noord en Zuid. De koning regeerde veel per Koninklijk Besluit, en benoemde
zelf ministers. Het parlement had dus nog weinig inspraak. In 1830 riepen de Belgen een eigen staat
uit en de koning stapte op.