Positieve gezondheid
Machteld Huber introduceerde het concept positieve gezondheid.
Hier wordt niet alleen gekeken naar de ziektes die iemand
heeft, maar ook naar het mentale, sociale en emotionele deel.
Dimensies
1. Lichaamsfuncties: je kunt alles nog met je lichaam, van
binnen en buiten functioneert alles goed.
Je gezond voelen, fitheid, klachten en pijn, slapen, eten,
conditie, bewegen.
2. Mentaal welbevinden: goed na kunnen denken
Onthouden, concentreren, communiceren, vrolijk zijn, jezelf
accepteren, omgaan met verandering, gevoel van controle.
3. Zingeving: motivatie om te leven
Zinvol leven, levenslust, idealen willen bereiken,
vertrouwen hebben, accepteren, dankbaarheid, blijven leren.
4. Kwaliteit van leven:
Genieten, gelukkig zijn, lekker in je vel zitten, balans, je
veilig voelen, hoe je woont, rondkomen met je geld.
5. Meedoen/participatie: meedoen met sociale activiteiten
Sociale contacten, serieus genomen worden, samen leuke
dingen doen, steun van anderen, erbij horen, zinvolle dingen
doen, interesse in de maatschappij.
6. Dagelijks functioneren: alledaagse dingen kunnen doen,
slapen, eten, communiceren.
Zorgen voor jezelf, je grenzen kennen, kennis van
gezondheid, omgaan met tijd, omgaan met geld, kunnen werken,
hulp kunnen vragen.
,Levensfasen/Erikson
-Zuigelingenfase: geboorte tot 18 maanden
Vertrouwen versus fundamenteel vertrouwen
In de eerste fase ontstaat het vertrouwen dat de verzorger
er altijd is, zodat het kind vertrouwen in de omgeving en de
wereld om hem heen verkrijgt. Basisvertrouwen wordt bepaald
door de mate waarin er is voldaan aan de prille
levensbehoeften van het kind. De erkenning dat boosheid van
kinderen vooral voortkomt uit frustraties van hun behoefte
naar liefde, affectie en zorg.
Sensitieve verzorgers ontwikkelen een veilige en stabiele
band met hun kinderen, omdat ze adequaat op de wensen en
behoeften van hun kinderen reageren.
Hoop
-Peuterleeftijd: 18 maanden tot 3 jaar
Autonomie versus schaamte en twijfel
De omgeving moedigt onafhankelijkheid en exploratief gedrag
aan van het kind. De ouders kunnen verstikkend en over
, beschermend zijn of ze laten het kind juist aan hun lot
over.
Wil
-Kleuterleeftijd: 3 tot 5 jaar
Initiatief versus schuldgevoel
Het kind leert zelf activiteiten ondernemen en taakjes
verrichten, zoals het aan- en uitkleden. Het kind kan ook
onvoldoende ruimte krijgen in zijn ondernemingszin uit te
leven, of ij krijgt te weinig veiligheid en structuur
aangeboden. In deze gevallen zal het kind zich schuldig gaan
voelen in plaats van te genieten van wat het bereikt.
Doelgerichtheid
-Basisschoolleeftijd: 6 tot 12 jaar
Vlijt versus minderwaardigheid
Het kind leert in deze fase lezen, schrijven, rekenen,
sporten etc. Het kind ontwikkelt zich volop. Vertrouwen in
het eigen kunnen is belangrijk. Dat ontstaat als het kind
aangemoedigd en positief bekrachtigd wordt. Het kind zal een
positief zelfbeeld ontwikkelen, het gevoel dat hij er mag
zijn en de moeite waard is. Bij onvoldoende positieve
bekrachtiging of voortdurende negatieve bejegening, dreigt
het gevaar dat er een gevoel van tekortschieten ontstaat en
een gevoel van minderwaardigheid.
Competentie
-Adolescentie: 12 tot 18 jaar
Identiteit versus identiteitsverwarring
De seksuele rijping wordt ingezet, de kindertijd loopt ter
einde. Het lichaam groeit snel en de geslachtelijke rijping
vindt plaats. De puber/adolescent ontwikkelt een eigen
identiteit. Er kan ook rolverwarring plaatsvinden,
bijvoorbeeld op basis van twijfels aangaande de eigen
seksuele identiteit.
Trouw
, -Vroege volwassenheid: 18 tot 35 jaar
Intimiteit versus isolement
De ontwikkelingstaak een wederkerige en intieme relatie op
te bouwen
Liefde
-Middelbare volwassenheid: 35 tot 55-65 jaar
Generativiteit versus stagnatie
Openstaan voor verandering. Het doorgeven aan de volgende
generatie van wat men belangrijk en waardevol vindt aan
waarden, normen, geloof, ontwikkeling, staat centraal. Men
ontwikkelt zich vaak ook in creativiteit op geestelijk
gebied.
Zorg
-Late volwassenheid: 55-65 tot de dood
Ego-integriteit versus wanhoop
Ontwikkeling, verantwoording en aanvaarding.
Wijsheid
Holistische zorg
Zorg die zich richt op de mens in zijn totaliteit. De mens als
geheel. Denk hierbij aan de mens zelf, maar ook de omgeving
daarvan. De patiënt staat centraal en niet de gezondheid.
Zelfmanagement
Zelf besluiten nemen over je aandoening.
Heeft betrekking op de activiteiten die de patiënt op zich
neemt, maar die traditioneel door professionele zorgverleners
worden uitgevoerd. Het gaat om het zelf uitvoeren van en regie
houden op activiteiten die tot doel hebben eigen gezondheid en
welzijn te maximaliseren.
Zelfredzaamheid
Machteld Huber introduceerde het concept positieve gezondheid.
Hier wordt niet alleen gekeken naar de ziektes die iemand
heeft, maar ook naar het mentale, sociale en emotionele deel.
Dimensies
1. Lichaamsfuncties: je kunt alles nog met je lichaam, van
binnen en buiten functioneert alles goed.
Je gezond voelen, fitheid, klachten en pijn, slapen, eten,
conditie, bewegen.
2. Mentaal welbevinden: goed na kunnen denken
Onthouden, concentreren, communiceren, vrolijk zijn, jezelf
accepteren, omgaan met verandering, gevoel van controle.
3. Zingeving: motivatie om te leven
Zinvol leven, levenslust, idealen willen bereiken,
vertrouwen hebben, accepteren, dankbaarheid, blijven leren.
4. Kwaliteit van leven:
Genieten, gelukkig zijn, lekker in je vel zitten, balans, je
veilig voelen, hoe je woont, rondkomen met je geld.
5. Meedoen/participatie: meedoen met sociale activiteiten
Sociale contacten, serieus genomen worden, samen leuke
dingen doen, steun van anderen, erbij horen, zinvolle dingen
doen, interesse in de maatschappij.
6. Dagelijks functioneren: alledaagse dingen kunnen doen,
slapen, eten, communiceren.
Zorgen voor jezelf, je grenzen kennen, kennis van
gezondheid, omgaan met tijd, omgaan met geld, kunnen werken,
hulp kunnen vragen.
,Levensfasen/Erikson
-Zuigelingenfase: geboorte tot 18 maanden
Vertrouwen versus fundamenteel vertrouwen
In de eerste fase ontstaat het vertrouwen dat de verzorger
er altijd is, zodat het kind vertrouwen in de omgeving en de
wereld om hem heen verkrijgt. Basisvertrouwen wordt bepaald
door de mate waarin er is voldaan aan de prille
levensbehoeften van het kind. De erkenning dat boosheid van
kinderen vooral voortkomt uit frustraties van hun behoefte
naar liefde, affectie en zorg.
Sensitieve verzorgers ontwikkelen een veilige en stabiele
band met hun kinderen, omdat ze adequaat op de wensen en
behoeften van hun kinderen reageren.
Hoop
-Peuterleeftijd: 18 maanden tot 3 jaar
Autonomie versus schaamte en twijfel
De omgeving moedigt onafhankelijkheid en exploratief gedrag
aan van het kind. De ouders kunnen verstikkend en over
, beschermend zijn of ze laten het kind juist aan hun lot
over.
Wil
-Kleuterleeftijd: 3 tot 5 jaar
Initiatief versus schuldgevoel
Het kind leert zelf activiteiten ondernemen en taakjes
verrichten, zoals het aan- en uitkleden. Het kind kan ook
onvoldoende ruimte krijgen in zijn ondernemingszin uit te
leven, of ij krijgt te weinig veiligheid en structuur
aangeboden. In deze gevallen zal het kind zich schuldig gaan
voelen in plaats van te genieten van wat het bereikt.
Doelgerichtheid
-Basisschoolleeftijd: 6 tot 12 jaar
Vlijt versus minderwaardigheid
Het kind leert in deze fase lezen, schrijven, rekenen,
sporten etc. Het kind ontwikkelt zich volop. Vertrouwen in
het eigen kunnen is belangrijk. Dat ontstaat als het kind
aangemoedigd en positief bekrachtigd wordt. Het kind zal een
positief zelfbeeld ontwikkelen, het gevoel dat hij er mag
zijn en de moeite waard is. Bij onvoldoende positieve
bekrachtiging of voortdurende negatieve bejegening, dreigt
het gevaar dat er een gevoel van tekortschieten ontstaat en
een gevoel van minderwaardigheid.
Competentie
-Adolescentie: 12 tot 18 jaar
Identiteit versus identiteitsverwarring
De seksuele rijping wordt ingezet, de kindertijd loopt ter
einde. Het lichaam groeit snel en de geslachtelijke rijping
vindt plaats. De puber/adolescent ontwikkelt een eigen
identiteit. Er kan ook rolverwarring plaatsvinden,
bijvoorbeeld op basis van twijfels aangaande de eigen
seksuele identiteit.
Trouw
, -Vroege volwassenheid: 18 tot 35 jaar
Intimiteit versus isolement
De ontwikkelingstaak een wederkerige en intieme relatie op
te bouwen
Liefde
-Middelbare volwassenheid: 35 tot 55-65 jaar
Generativiteit versus stagnatie
Openstaan voor verandering. Het doorgeven aan de volgende
generatie van wat men belangrijk en waardevol vindt aan
waarden, normen, geloof, ontwikkeling, staat centraal. Men
ontwikkelt zich vaak ook in creativiteit op geestelijk
gebied.
Zorg
-Late volwassenheid: 55-65 tot de dood
Ego-integriteit versus wanhoop
Ontwikkeling, verantwoording en aanvaarding.
Wijsheid
Holistische zorg
Zorg die zich richt op de mens in zijn totaliteit. De mens als
geheel. Denk hierbij aan de mens zelf, maar ook de omgeving
daarvan. De patiënt staat centraal en niet de gezondheid.
Zelfmanagement
Zelf besluiten nemen over je aandoening.
Heeft betrekking op de activiteiten die de patiënt op zich
neemt, maar die traditioneel door professionele zorgverleners
worden uitgevoerd. Het gaat om het zelf uitvoeren van en regie
houden op activiteiten die tot doel hebben eigen gezondheid en
welzijn te maximaliseren.
Zelfredzaamheid