1
Koptekst: EENZAAMHEID EN ZELFVERTROUWEN
INVLOED VAN EENZAAMHEID OP ZELFVERTROUWEN EN
ZELFVERTROUWEN ONDER MANNELIJKE- EN VROUWELIJKE STUDENTEN
Beatrice Verweij
2693781
Lisette Petersen
Groep 11
Statistiek 1
16 december 2020
, 2
Koptekst: EENZAAMHEID EN ZELFVERTROUWEN
EENZAAMHEID EN ZELFVERTROUWEN
Tegenwoordig met alle externe factoren zoals sociale media worden studenten
dagelijks geconfronteerd met het ‘perfecte’ beeld. Uit onderzoek van Thomas et al. (2020, p.
103754) blijkt dat vooral studenten die de overgang maken naar de universiteit vanaf de
middelbare school gevoelig zijn voor de invloed van sociale media. Deze studenten doen zich
anders voor en dit kan weer leiden tot slecht mentaal welzijn en slecht zelfbeeld.
Tijdens de adolescentie wordt er al over het algemeen meer eenzaamheid ervaren
(Creemers et al., 2012, p. 645). Deze eenzaamheid heeft later ook een impact op het
zelfvertrouwen van studenten (Goswick & Jones, 1981, p. 239).
In dit onderzoek wordt gekeken in hoeverre zelfvertrouwen, hoe iemand over zichzelf
denkt en voelt, en eenzaamheid, subjectieve gevoelens van eenzaamheid en sociale isolatie,
van invloed zijn op elkaar. Tevens wordt bestudeerd of er een verschil is in zelfvertrouwen
tussen mannen en vrouwen. Het belang van dit onderzoek is om erachter te komen of
studenten die zich eenzaam voelen ook minder zelfvertrouwen hebben en eveneens om te
achterhalen of gender beïnvloedt in hoeverre iemand zelfvertrouwen heeft.
Studenten die zich eenzaam voelen hebben ook minder zelfvertrouwen, aangezien
mensen die zich eenzaam voelen eerder geneigd zijn om zich onzeker te voelen (Goswick &
Jones, 1981, p. 239). Tevens hebben mannelijke studenten een groter zelfvertrouwen dan
vrouwelijke studenten. Uit eerder onderzoek is gebleken dat er een klein genderverschil is in
zelfvertrouwen tussen mannen en vrouwen, waar mannen meer zelfvertrouwen hadden dan
vrouwen (Kling et al., 1999, p. 490).
Methode
Participanten
De steekproef bestond uit een totaal van 243 participanten waarvan 11.9% man, 87.7%
vrouw en 0.4% onbekend. Leeftijd varieerde van 17 t/m 55 (M = 22.65, SD = 5.72). Het
Koptekst: EENZAAMHEID EN ZELFVERTROUWEN
INVLOED VAN EENZAAMHEID OP ZELFVERTROUWEN EN
ZELFVERTROUWEN ONDER MANNELIJKE- EN VROUWELIJKE STUDENTEN
Beatrice Verweij
2693781
Lisette Petersen
Groep 11
Statistiek 1
16 december 2020
, 2
Koptekst: EENZAAMHEID EN ZELFVERTROUWEN
EENZAAMHEID EN ZELFVERTROUWEN
Tegenwoordig met alle externe factoren zoals sociale media worden studenten
dagelijks geconfronteerd met het ‘perfecte’ beeld. Uit onderzoek van Thomas et al. (2020, p.
103754) blijkt dat vooral studenten die de overgang maken naar de universiteit vanaf de
middelbare school gevoelig zijn voor de invloed van sociale media. Deze studenten doen zich
anders voor en dit kan weer leiden tot slecht mentaal welzijn en slecht zelfbeeld.
Tijdens de adolescentie wordt er al over het algemeen meer eenzaamheid ervaren
(Creemers et al., 2012, p. 645). Deze eenzaamheid heeft later ook een impact op het
zelfvertrouwen van studenten (Goswick & Jones, 1981, p. 239).
In dit onderzoek wordt gekeken in hoeverre zelfvertrouwen, hoe iemand over zichzelf
denkt en voelt, en eenzaamheid, subjectieve gevoelens van eenzaamheid en sociale isolatie,
van invloed zijn op elkaar. Tevens wordt bestudeerd of er een verschil is in zelfvertrouwen
tussen mannen en vrouwen. Het belang van dit onderzoek is om erachter te komen of
studenten die zich eenzaam voelen ook minder zelfvertrouwen hebben en eveneens om te
achterhalen of gender beïnvloedt in hoeverre iemand zelfvertrouwen heeft.
Studenten die zich eenzaam voelen hebben ook minder zelfvertrouwen, aangezien
mensen die zich eenzaam voelen eerder geneigd zijn om zich onzeker te voelen (Goswick &
Jones, 1981, p. 239). Tevens hebben mannelijke studenten een groter zelfvertrouwen dan
vrouwelijke studenten. Uit eerder onderzoek is gebleken dat er een klein genderverschil is in
zelfvertrouwen tussen mannen en vrouwen, waar mannen meer zelfvertrouwen hadden dan
vrouwen (Kling et al., 1999, p. 490).
Methode
Participanten
De steekproef bestond uit een totaal van 243 participanten waarvan 11.9% man, 87.7%
vrouw en 0.4% onbekend. Leeftijd varieerde van 17 t/m 55 (M = 22.65, SD = 5.72). Het