Dit tentamen bestaat uit 24 vragen. Er zijn 10 meerkeuze vragen en 14 open vragen.
Je kunt voor dit oefententamen kun je 60 punten behalen.
Je cijfer = aantal behaalde punten/ 6
1. Welke stelling over de verschillen tussen financial accounting en management
accounting is juist? 1pt
a. Bij financial accounting speelt de regelgeving een minder belangrijke rol dan
bij management accounting.
b. Zowel financial accounting als management accounting maken gebruik van
de gegevens van de boekhouding.
c. Bij financial accounting speelt het probleem van creative accounting een
minder belangrijke rol dan bij management accounting.
2. Wat kan niet worden aangevoerd en bezwaar tegen het gebruik van het
economisch winstbegrip? 1pt
a. De controleerbaarheid is niet voldoende.
b. Het leent zich teveel tot creative accounting.
c. Er kan geen theoretisch juiste waardebepaling van afzonderlijke activa
plaatsvinden.
d. De relevantie van het winstcijfer is te gering.
3. Welke stelling inzake economic value added is juist? 1pt
a. Het neemt de kosten van het eigen vermogen niet mee bij de
winstberekening.
b. Het neemt de kosten van het vreemd vermogen niet mee bij de
winstberekening.
c. Het is een variant van het economisch waardebegrip.
d. Het is een variant van het boekhoudkundig waardebegrip, met als doel de
value gap kleiner te maken.
4. Welke van onderstaande gebeurtenissen, die plaatsvinden in december 2020,
vormt geen kostenpost in 2020? 1pt
a. Het betalen van de lonen over december 2020.
b. Het vormen van een voorziening wegens een proces dat in 2020 tegen de
onderneming is aangespannen.
c. Het betalen van de interest over 2021 op een banklening.
d. Het boeken van de afschrijving over 2020.
1
, Oefententamen Financial Accounting 1
5. Welke stelling over schattingswijzigingen en stelselwijzigingen is niet juist?
1pt
a. Het overschakelen van waardering van beleggingen tegen aanschafwaarde
op beurswaarde is een stelselwijzing.
b. Bij een schattingswijziging wijzigen de grondslagen van waardering en
resultaatbepaling niet.
c. Een stelselwijziging dient prospectief te worden verwerkt, een
schattingswijziging retrospectief.
d. Het in aanmerking nemen van een langere levensduur van een auto dan
voorheen is een voorbeeld van een schattingswijziging.
6. Waarover dient de gebruiker van een jaarrekening volgens het kapstokartikel
van de Nederlandse wet zich een verantwoord oordeel te kunnen vormen?
1pt
a. Over vermogen en resultaat en voor zover de aard van een jaarrekening dat
toelaat over solvabiliteit en liquiditeit.
b. Over solvabiliteit en liquiditeit en voor zover de aard van een jaarrekening dat
toelaat over vermogen en resultaat.
c. Over de financiële positie en zover de aard van een jaarrekening dat toelaat
het de wijzigingen in de financiële positie.
d. Over de financiële positie en de wijzigingen daarin.
7. Welke stelling ten aanzien van de positie van de richtlijnen van de Raad voor
de Jaarverslaggeving is juist? 1pt
a. De richtlijnen kunnen wettelijke opties beperken.
b. De richtlijnen worden door de Ondernemerskamer gebruikt bij de beoordeling
van maatschappelijke aanvaardbaarheid.
c. De richtlijnen zijn een vertaling van de IFRS.
d. De richtlijnen hebben kracht van wet.
8. Wat vormt geen onderdeel van de overige gegevens? 1pt
a. Statutaire regeling inzake de winstbestemming.
b. Namenlijst van houders en prioriteitsaandelen.
c. Toekomstparagraaf.
d. Accountantsverklaring.
2