Landelijke Kennistoets Nederlands
Domein 1: mondelinge taalvaardigheid (11 vragen)
Luisterdoelen
Iets te weten willen komen
Een bepaald gevoel willen ondergaan
Een mening willen vormen
Een bepaalde handeling willen uitvoeren
Een spel willen spelen
Luisterstrategieën
1. Globaal luisteren (begrijpend luisteren ) = de grote lijn volgen
2. Intensief luisteren = volledig beeld van wat er wordt verteld
(details)
3. Kritisch luisteren = tijdens het luisteren een mening vormen
4. Gericht luisteren = selecterend luisteren, geïnteresseerd in
bepaald aspect, specifieke informatie oppikken
Bij actief luisteren zet de luisteraar zich volledig in om te volgen en
begrijpen
- Aankijken
- Vragen stellen
Elke luisterstrategie hangt samen met het doel dat je hebt.
Relatie tussen luisterdoelen en strategieën:
Luisterdoel Luisterstrategie
Iets te weten willen komen Intensief luisteren
Een bepaald gevoel willen Globaal luisteren
ondergaan
Zich een mening willen vormen Kritisch luisteren
Een bepaalde handeling willen Gericht luisteren
uitvoeren
Voorbeeldvraag:
Op de rand van het bed leest papa aan Kees uit een spannend boek. Papa
heeft gezegd dat in dit hoofdstuk de dader zich verraadt. Kees is
benieuwd.
Welke luisterstrategie is adequaat in deze situatie?
Gericht luisteren
Spreekdoelen
Amuseren
Vermaken
Bijvoorbeeld een mop vertellen
Informeren
Overbrengen van feitelijke informatie
, Bijvoorbeeld vertellen hoe laat het is
Instrueren
Iets uitleggen of verduidelijken
Bijvoorbeeld uitleggen hoe het koffiezetapparaat werkt
Overtuigen
Overhalen tot een bepaald standpunt
Bijvoorbeeld zeggen dat je dat ene boek echt moet lezen
Spreekstrategieën
Een spreekstrategie is een bewuste handeling die iemand hanteert om een
bepaald spreekdoel te bereiken
Oriënteren op het spreekdoel
Oriënteren op het onderwerp en de eigen kennis daarvan
Oriënteren op het soort spreektaal
Oriënteren op gesprekspartner(s) of het publiek
Met wie ga je in gesprek of wie luistert er naar je? Wat is hun
voorkennis?
Reflecteren op de spreektaak
Begrijp je wat er wordt gezegd en breng je de informatie goed
over? Bereik je het doel?
Monitoren van de spreektaak
Is het nodig om meer te zeggen, beter te luisteren of vragen
te stellen?
Evalueren op doel en inhoud
Wat ging er goed en wat niet? Wat zou je de volgende keer
anders aanpakken?
Voorbeeldvraag:
Tijdens de kring vertelt Lotte enthousiast over haar weekend. Ze vertelt
dat ze naar de Efteling is geweest, hoe leuk de achtbaan was en dat ze in
het spookhuis schrok. De andere kinderen luisteren en lachen om haar
verhaal.
Welk spreekdoel heeft Lotte hier en welke spreekstrategieën kan ze
gebruiken om dit doel te bereiken?
Sociale/ communicatieve taalfuncties
Zelfhandhaving = zichzelf verdedigen of bezit beschermen (Die
had ik!)
Zelfsturing = eigen handelingen met woorden ordenen of plannen
aankondigen (dan ga ik eerst naar de bakker en dan naar de
supermarkt)
Sturing van anderen = beïnvloeden van gedrag van anderen
(zullen we gaan zwemmen?)
Structurering van het gesprek (mag ik even wat zeggen?)
De sociale taalfuncties verwijzen naar de communicatieve functie van taal
Cognitieve/ conceptualiserende taalfuncties
,Je gebruikt taal als een hulpmiddel om je gedachten te ordenen en greep
te krijgen op de werkelijkheid
Rapporteren = verslag doen van iets wat in de werkelijkheid
voorkomt
Benoemen/ etiketteren
Beschrijven
Vergelijken (dit visje met een lange staart, de andere is korter)
Redeneren = beschrijving waarin een extra denkstap wordt
verwoord
Chronologisch ordenen
Concluderen
Middel-doelrelatie of instrumentele relatie leggen
Oplossen van een probleem
Oorzaak-gevolgrelatie leggen (als we de deur van de koelkast
opendoen, gaat de hond blaffen, want dan wil hij ook eten)
Projecteren = verplaatsen in de gedachten en de gevoelens van
iemand anders
Pieter heeft geen zin om te spelen. Hij is verdrietig, want zijn
konijn is dood
Kinderen ontwikkelen die functies meestal in de volgorde:
1. Rapporteren ze leren eerst beschrijven wat er is de hond slaapt
2. Redeneren dan uitleggen waarom iets zo is de hond slaapt,
want hij is moe
3. Projecteren en daarna nadenken over andermans perspectief of
toekomstsituaties als ik die hond was, zou ik ook slapen
Taalverwerving
1. Semantiek / semantisch = betekenis
Woordenschat en betekenis van woorden
Voorbeeld: een kind leert dat ‘hond’ verwijst naar een
viervoetig dier dat blaft
2. Fonologie / fonologisch = klank
Klanken en uitspraak
Foneem is een spraakklank met betekenisverschil
Hier en gier
3. Morfologie / morfologisch = vorm
Opbouw van woorden
Morfeem: stukje dat op zichzelf betekenis heeft
Vrij morfeem: paard, huis
Gebonden morfeem: be, ver, t
4. Syntaxis = zinsstructuur
Opbouw van een zin
Volgrode van woorden
5. Pragmatiek = gebruik van woorden in bepaalde situaties
Theorieën over taalverwerving
Behaviorisme: kinderen leren door imitatie. De kinderen bootsen de taal
die ze in hun omgeving horen na.
, Creatieve constructie: aangeboren taalvermogen bij kinderen. Kinderen
imiteren niet, maar ze zijn creatieve bouwers en beschikken over het
taalleermechanisme.
Interactionele benadering: het aangeboren taalleervermogen speelt
een rol, maar het taalaanbod en de interactie met moedertaalsprekers zijn
van groot belang bij het leren van taal. Het kind heeft een eengeboren
vermogen om taal te leren, de omgeving en interactie zijn cruciaal voor
taalverwerving.
Eerste taalverwerving
Niveaus van taal
1. Fonologisch niveau
Vormen van spraakklanken
Losse klanken zoals ‘’ah, ah’’, ‘’buh, buh’’
2. Morfologisch niveau
De manier waarop woorden gevormd worden, kinderen maken
zich geleidelijk aan de regels voor de opbouw van de
Nederlandse woorden eigen
Geloopt gelopen
3. Semantisch niveau
Kinderen leren de betekenis van woorden
Warm en koud
4. Syntactisch niveau
Kinderen leren de regels die er zijn voor het combineren van
woorden.
Eerst ‘’waar bal? ‘’ daarna ‘’waar is de bal?’’
5. Pragmatisch niveau
Kinderen maken de regels eigen voor het gebruik van taal en
de communicatie tussen mensen
Van ‘’pak bal’’ naar ‘’kunt u de bal voor mij pakken?’’
Eerste taalverwervingsproces
1. Pre linguale periode: (0 t/m 1 jaar)
De periode voordat het kind zijn eerste woordje spreekt. In deze
periode maken kinderen wel al geluidjes, maar nog geen
daadwerkelijke woorden. Er zijn wel andere communicatie bij een
kind van deze leeftijd:
Huilen
Vocaliseren: een kind ontdekt de klank van de taal en oefent
zijn spraakmechanisme en dat is weer een nieuwe stap naar
gesproken taal. ‘’aah’’, ‘’nnn’, ‘’ eh-eh-eh’’
Vocaal spel: bewust experimenteren met geluiden en klanken
door de beweging van de mond, tong en lippen. Een interactie
tussen ouder en kind
Brabbelen: kind herhaald klankgroepen. ‘’mamama’’,
‘’dadada’’. Klanken die al een beetje als taal klinken.
2. Linguale periode: (1 t/m 9 jaar)
- Vroeg linguale periode (1 t/m 2,5 jaar)
Domein 1: mondelinge taalvaardigheid (11 vragen)
Luisterdoelen
Iets te weten willen komen
Een bepaald gevoel willen ondergaan
Een mening willen vormen
Een bepaalde handeling willen uitvoeren
Een spel willen spelen
Luisterstrategieën
1. Globaal luisteren (begrijpend luisteren ) = de grote lijn volgen
2. Intensief luisteren = volledig beeld van wat er wordt verteld
(details)
3. Kritisch luisteren = tijdens het luisteren een mening vormen
4. Gericht luisteren = selecterend luisteren, geïnteresseerd in
bepaald aspect, specifieke informatie oppikken
Bij actief luisteren zet de luisteraar zich volledig in om te volgen en
begrijpen
- Aankijken
- Vragen stellen
Elke luisterstrategie hangt samen met het doel dat je hebt.
Relatie tussen luisterdoelen en strategieën:
Luisterdoel Luisterstrategie
Iets te weten willen komen Intensief luisteren
Een bepaald gevoel willen Globaal luisteren
ondergaan
Zich een mening willen vormen Kritisch luisteren
Een bepaalde handeling willen Gericht luisteren
uitvoeren
Voorbeeldvraag:
Op de rand van het bed leest papa aan Kees uit een spannend boek. Papa
heeft gezegd dat in dit hoofdstuk de dader zich verraadt. Kees is
benieuwd.
Welke luisterstrategie is adequaat in deze situatie?
Gericht luisteren
Spreekdoelen
Amuseren
Vermaken
Bijvoorbeeld een mop vertellen
Informeren
Overbrengen van feitelijke informatie
, Bijvoorbeeld vertellen hoe laat het is
Instrueren
Iets uitleggen of verduidelijken
Bijvoorbeeld uitleggen hoe het koffiezetapparaat werkt
Overtuigen
Overhalen tot een bepaald standpunt
Bijvoorbeeld zeggen dat je dat ene boek echt moet lezen
Spreekstrategieën
Een spreekstrategie is een bewuste handeling die iemand hanteert om een
bepaald spreekdoel te bereiken
Oriënteren op het spreekdoel
Oriënteren op het onderwerp en de eigen kennis daarvan
Oriënteren op het soort spreektaal
Oriënteren op gesprekspartner(s) of het publiek
Met wie ga je in gesprek of wie luistert er naar je? Wat is hun
voorkennis?
Reflecteren op de spreektaak
Begrijp je wat er wordt gezegd en breng je de informatie goed
over? Bereik je het doel?
Monitoren van de spreektaak
Is het nodig om meer te zeggen, beter te luisteren of vragen
te stellen?
Evalueren op doel en inhoud
Wat ging er goed en wat niet? Wat zou je de volgende keer
anders aanpakken?
Voorbeeldvraag:
Tijdens de kring vertelt Lotte enthousiast over haar weekend. Ze vertelt
dat ze naar de Efteling is geweest, hoe leuk de achtbaan was en dat ze in
het spookhuis schrok. De andere kinderen luisteren en lachen om haar
verhaal.
Welk spreekdoel heeft Lotte hier en welke spreekstrategieën kan ze
gebruiken om dit doel te bereiken?
Sociale/ communicatieve taalfuncties
Zelfhandhaving = zichzelf verdedigen of bezit beschermen (Die
had ik!)
Zelfsturing = eigen handelingen met woorden ordenen of plannen
aankondigen (dan ga ik eerst naar de bakker en dan naar de
supermarkt)
Sturing van anderen = beïnvloeden van gedrag van anderen
(zullen we gaan zwemmen?)
Structurering van het gesprek (mag ik even wat zeggen?)
De sociale taalfuncties verwijzen naar de communicatieve functie van taal
Cognitieve/ conceptualiserende taalfuncties
,Je gebruikt taal als een hulpmiddel om je gedachten te ordenen en greep
te krijgen op de werkelijkheid
Rapporteren = verslag doen van iets wat in de werkelijkheid
voorkomt
Benoemen/ etiketteren
Beschrijven
Vergelijken (dit visje met een lange staart, de andere is korter)
Redeneren = beschrijving waarin een extra denkstap wordt
verwoord
Chronologisch ordenen
Concluderen
Middel-doelrelatie of instrumentele relatie leggen
Oplossen van een probleem
Oorzaak-gevolgrelatie leggen (als we de deur van de koelkast
opendoen, gaat de hond blaffen, want dan wil hij ook eten)
Projecteren = verplaatsen in de gedachten en de gevoelens van
iemand anders
Pieter heeft geen zin om te spelen. Hij is verdrietig, want zijn
konijn is dood
Kinderen ontwikkelen die functies meestal in de volgorde:
1. Rapporteren ze leren eerst beschrijven wat er is de hond slaapt
2. Redeneren dan uitleggen waarom iets zo is de hond slaapt,
want hij is moe
3. Projecteren en daarna nadenken over andermans perspectief of
toekomstsituaties als ik die hond was, zou ik ook slapen
Taalverwerving
1. Semantiek / semantisch = betekenis
Woordenschat en betekenis van woorden
Voorbeeld: een kind leert dat ‘hond’ verwijst naar een
viervoetig dier dat blaft
2. Fonologie / fonologisch = klank
Klanken en uitspraak
Foneem is een spraakklank met betekenisverschil
Hier en gier
3. Morfologie / morfologisch = vorm
Opbouw van woorden
Morfeem: stukje dat op zichzelf betekenis heeft
Vrij morfeem: paard, huis
Gebonden morfeem: be, ver, t
4. Syntaxis = zinsstructuur
Opbouw van een zin
Volgrode van woorden
5. Pragmatiek = gebruik van woorden in bepaalde situaties
Theorieën over taalverwerving
Behaviorisme: kinderen leren door imitatie. De kinderen bootsen de taal
die ze in hun omgeving horen na.
, Creatieve constructie: aangeboren taalvermogen bij kinderen. Kinderen
imiteren niet, maar ze zijn creatieve bouwers en beschikken over het
taalleermechanisme.
Interactionele benadering: het aangeboren taalleervermogen speelt
een rol, maar het taalaanbod en de interactie met moedertaalsprekers zijn
van groot belang bij het leren van taal. Het kind heeft een eengeboren
vermogen om taal te leren, de omgeving en interactie zijn cruciaal voor
taalverwerving.
Eerste taalverwerving
Niveaus van taal
1. Fonologisch niveau
Vormen van spraakklanken
Losse klanken zoals ‘’ah, ah’’, ‘’buh, buh’’
2. Morfologisch niveau
De manier waarop woorden gevormd worden, kinderen maken
zich geleidelijk aan de regels voor de opbouw van de
Nederlandse woorden eigen
Geloopt gelopen
3. Semantisch niveau
Kinderen leren de betekenis van woorden
Warm en koud
4. Syntactisch niveau
Kinderen leren de regels die er zijn voor het combineren van
woorden.
Eerst ‘’waar bal? ‘’ daarna ‘’waar is de bal?’’
5. Pragmatisch niveau
Kinderen maken de regels eigen voor het gebruik van taal en
de communicatie tussen mensen
Van ‘’pak bal’’ naar ‘’kunt u de bal voor mij pakken?’’
Eerste taalverwervingsproces
1. Pre linguale periode: (0 t/m 1 jaar)
De periode voordat het kind zijn eerste woordje spreekt. In deze
periode maken kinderen wel al geluidjes, maar nog geen
daadwerkelijke woorden. Er zijn wel andere communicatie bij een
kind van deze leeftijd:
Huilen
Vocaliseren: een kind ontdekt de klank van de taal en oefent
zijn spraakmechanisme en dat is weer een nieuwe stap naar
gesproken taal. ‘’aah’’, ‘’nnn’, ‘’ eh-eh-eh’’
Vocaal spel: bewust experimenteren met geluiden en klanken
door de beweging van de mond, tong en lippen. Een interactie
tussen ouder en kind
Brabbelen: kind herhaald klankgroepen. ‘’mamama’’,
‘’dadada’’. Klanken die al een beetje als taal klinken.
2. Linguale periode: (1 t/m 9 jaar)
- Vroeg linguale periode (1 t/m 2,5 jaar)