Natuurkunde hoofdstuk 5 Straling
5.1 Straling en bronnen
Straling om ons heen:
GM-teller (geiger-müllerteller); een apparaat dat geschrikt is om straling van radioactieve stoffen kan
meten.
Eigenschappen van straling:
Straling beweegt in rechte lijnen vanuit de bron.
Hoe groter de afstand tot de bron, hoe minder sterk de straling is.
Ioniserend vermogen; zegt iets over de schadelijkheid. Door straling kunnen ionen ontstaan in de
bestraalde stof. Kan slecht zijn voor de gezondheid.
Doordringen vermogen; geeft aan hoe diep de straling door kan dringen in een bepaalde stof.
Ontdekking van ioniserende straling:
ioniserende straling is tussen 1890 en 1900 ontdekt.
Vier soorten ioniserende straling;
Alfastraling
Bètastraling
Gammastraling
Röntgenstraling
Röntgenstraling; kan atomen ioniseren, is zeer doordringend en kan door menselijke weefsels
heengaan.
Radioactieve stof; heeft instabiele atomen die straling uitzenden.
Instabiele atomen; deze atomen zullen niet altijd in deze vorm blijven.
Alfa-, bèta- en gammastraling zijn afkomstig uit atoomkernen van radioactieve stoffen.
Alfastraling is het minst doordringend en gammastraling het meest doordringend.
Bronnen van ioniserende straling:
Natuurlijke straling; altijd in onze omgeving aanwezig, is niet afkomstig van door mensen
geproduceerde bronnen.
Kunstmatige straling; komt uit bronnen die door mensen zijn gemaakt.
Achtergrondstraling; alle stralingsbronnen samen veroorzaken in onze omgeving een permanente
hoeveelheid straling.
Bestraling kan zowel inwendig als uitwendig plaatsvinden.
Radioactieve besmetting; kan ontstaan door het inademen van radioactieve gassen die in de natuur
voorkomen.
Besmetting; als er radioactief materiaal op of in de ontvanger terechtkomt.
Bestraling; als de ontvanger niet in direct contact komt met het radioactieve materiaal.
Stralingsenergie:
Straling transporteert energie. Bij gamma- en röntgenstraling is dat in de vorm van fotonen.
Fotonen; stroom energiepakketjes.
Alfa- en bètastraling bestaan uit deeltjes die energie vervoeren doordat ze een hoge snelheid
hebben.
Stralingsenergie kan atomen ioniseren.
Hoe meer energie, hoe groter het ioniserend vermogen.
, 5.2 Atomen en verval
De bouw van atomen:
De kern van een atoom bestaat uit protonen en
neutronen. Rondom de kern zitten elektronen.
Protonen; met een positieve lading.
Neutronen; geen lading.
Elektronen; met een negatieve lading.
Atoomnummer; het aantal protonen in de kern.
Nucleonen/massagetal; totaal aantal kerndeeltjes.
Het massagetal schrijf je linksboven het symbool
van het element en het atoomnummer
rechtsonder het symbool van het element.
Sterke kernkracht; zorgt ervoor dat de deeltjes in
de kern bij elkaar blijven.
De massa van een aqtoom in kg kun je berekenen door de atoommassa te vermenigvuldigen met de
atomarie massa-eenheid.
Isotopen:
Isotopen; vormen van hetzelfde element met een verschillend aantal neutronen in de kern.
Stabiele atomen vervallen niet.
Instabiele atomen vervallen na verloop van tijd waarbij ze straling uitzenden.
In het periodiek systeem vind je de gemiddelde atoommassa van alle istotopen van het element.
Alfa- en bètastraling:
Radioactief verval; het uitzenden van straling door een instabiele kern.
Door het vervallen kan het aantal protonen en het aantal neutronen van de moederkern veranderen
en ontstaat een dochterkern van een andere element.
Doorlezen!
Valvergelijkingen opstellen:
Valvergelijking; de som van de bovenste getallen en onderste getallen.
Wet van behoud van massa en wet van behoud van lading spelen hier een belangrijke rol in.
5.1 Straling en bronnen
Straling om ons heen:
GM-teller (geiger-müllerteller); een apparaat dat geschrikt is om straling van radioactieve stoffen kan
meten.
Eigenschappen van straling:
Straling beweegt in rechte lijnen vanuit de bron.
Hoe groter de afstand tot de bron, hoe minder sterk de straling is.
Ioniserend vermogen; zegt iets over de schadelijkheid. Door straling kunnen ionen ontstaan in de
bestraalde stof. Kan slecht zijn voor de gezondheid.
Doordringen vermogen; geeft aan hoe diep de straling door kan dringen in een bepaalde stof.
Ontdekking van ioniserende straling:
ioniserende straling is tussen 1890 en 1900 ontdekt.
Vier soorten ioniserende straling;
Alfastraling
Bètastraling
Gammastraling
Röntgenstraling
Röntgenstraling; kan atomen ioniseren, is zeer doordringend en kan door menselijke weefsels
heengaan.
Radioactieve stof; heeft instabiele atomen die straling uitzenden.
Instabiele atomen; deze atomen zullen niet altijd in deze vorm blijven.
Alfa-, bèta- en gammastraling zijn afkomstig uit atoomkernen van radioactieve stoffen.
Alfastraling is het minst doordringend en gammastraling het meest doordringend.
Bronnen van ioniserende straling:
Natuurlijke straling; altijd in onze omgeving aanwezig, is niet afkomstig van door mensen
geproduceerde bronnen.
Kunstmatige straling; komt uit bronnen die door mensen zijn gemaakt.
Achtergrondstraling; alle stralingsbronnen samen veroorzaken in onze omgeving een permanente
hoeveelheid straling.
Bestraling kan zowel inwendig als uitwendig plaatsvinden.
Radioactieve besmetting; kan ontstaan door het inademen van radioactieve gassen die in de natuur
voorkomen.
Besmetting; als er radioactief materiaal op of in de ontvanger terechtkomt.
Bestraling; als de ontvanger niet in direct contact komt met het radioactieve materiaal.
Stralingsenergie:
Straling transporteert energie. Bij gamma- en röntgenstraling is dat in de vorm van fotonen.
Fotonen; stroom energiepakketjes.
Alfa- en bètastraling bestaan uit deeltjes die energie vervoeren doordat ze een hoge snelheid
hebben.
Stralingsenergie kan atomen ioniseren.
Hoe meer energie, hoe groter het ioniserend vermogen.
, 5.2 Atomen en verval
De bouw van atomen:
De kern van een atoom bestaat uit protonen en
neutronen. Rondom de kern zitten elektronen.
Protonen; met een positieve lading.
Neutronen; geen lading.
Elektronen; met een negatieve lading.
Atoomnummer; het aantal protonen in de kern.
Nucleonen/massagetal; totaal aantal kerndeeltjes.
Het massagetal schrijf je linksboven het symbool
van het element en het atoomnummer
rechtsonder het symbool van het element.
Sterke kernkracht; zorgt ervoor dat de deeltjes in
de kern bij elkaar blijven.
De massa van een aqtoom in kg kun je berekenen door de atoommassa te vermenigvuldigen met de
atomarie massa-eenheid.
Isotopen:
Isotopen; vormen van hetzelfde element met een verschillend aantal neutronen in de kern.
Stabiele atomen vervallen niet.
Instabiele atomen vervallen na verloop van tijd waarbij ze straling uitzenden.
In het periodiek systeem vind je de gemiddelde atoommassa van alle istotopen van het element.
Alfa- en bètastraling:
Radioactief verval; het uitzenden van straling door een instabiele kern.
Door het vervallen kan het aantal protonen en het aantal neutronen van de moederkern veranderen
en ontstaat een dochterkern van een andere element.
Doorlezen!
Valvergelijkingen opstellen:
Valvergelijking; de som van de bovenste getallen en onderste getallen.
Wet van behoud van massa en wet van behoud van lading spelen hier een belangrijke rol in.