Natuurkunde hoofdstuk 10 Medische beeldvorming
10.1 Elektromagnetische straling
Straling:
Hoog ioniserend vermogen; de straling kan moleculen ioniseren en deze ionen kunnen ongewenste
chemische reacties in gang zetten.
Doordringend vermogen; geeft aan hoe diep de straling in een bepaalde stof doordringt.
Veel straling behoort tot de elektromagnetische golven, die langs rechte lijnen van de bron af
bewegen. Hoe groter de afstand tot de bron, hoe minder sterk de straling. Elk soort straling heeft
zijn eigen kenmerken, zoals het ioniserend vermogen en het doordringend vermogen. Om straling
te meten heb je speciale apparatuur nodig.
Elektromagnetisch spectrum:
Elektromagnetisch spectrum; gevormd door alle elektromagnetische golven samen.
De straling staat gerangschikt op energie, golflengte en frequentie.
Straling kun je beschouwen als stroom deeltjes; fotonen.
Fotonen; de kleinst mogelijke pakketjes stralingsenergie van een elektromagnetische golf.
Hoe groter de energie van het foton, hoe groter de frequentie Recht evenredig verband.
In het EM-spectrum staat straling gerangschikt naar oplopende energie en frequentie in een aantal
stralingscategorieën. Elektromagnetische straling kun je ook beschrijven met een golfmodel.
Zichtbaar licht:
Zichtbaar licht neemt een klein, maar belangrijk stukje van het EM-spectrum in.
Licht gebruik je in de gezondheidszorg vooral om aandoeningen te verhelpen.
Uv en ir:
Aan de hoogfrequente kant van het spectrum van zichtbaar licht bevindt zich ultraviolette straling.
Uv bestaat ui fotonen met een hogere energie dan zichtbaar licht.
Aan de laagfrequente kant van het spectrum van zichtbaar licht bevindt zich infra rode straling.
Ir bestaat uit fotonen met een lagere energie dan zichtbaar licht.
Overige straling:
Radiogolven hebben een lage energie en frequentie.
Röntgenstraling is gevaarlijk vanwege de hoge energie, het heeft een grote ioniserende werking.
Gammastraling is het gevaarlijkst, want het heeft een nog hogere energie dan röntgenstraling.
Het elektromagnetisch spectrum begint bij de laagfrequente radiogolven en eindigt met
hoogfrequente gammastraling. Hoe hoger de frequentie en de energie van straling, hoe
gevaarlijker de straling is. Vooral röntgen- en gammastraling zijn gevaarlijk door het grote
doordringende en ioniserende vermogen. Ze hebben de juiste eigenschappen om structuren in je
lichaam te kunnen onderscheiden.
, 10.2 Straling uit kernen
Röntgen- en gammastraling:
Gammastraling bestaat uit fotonen met een grotere energie afkomstig uit een radioactieve kern.
Röntgenstraling gebruik je uitwendig voor het maken van een beeld.
Je lichaam absorbeert vrijwel geen gammastraling.
CT-scan:
Een CT-scanner maakt vanuit verschillende hoeken een röntgenfoto.
De CT-scan is een driedimensionale afbeelding van de anatomie van het lichaam.
Voordeel; je kunt precies nagaan waar alle botten ten opzichte van elkaar liggen.
Nadeel; je wordt blootgesteld aan veel straling.
Straling van binnenuit:
Tracer; een stof met moleculen waarin een radioactieve kern gebonden is.
De stofeigenschappen bepalen war het molecuul in het lichaam naartoe gaat.
Bij nucleaire diagnostiek dien je een tracer toe aan een patiënt. De tracer gaat naar een specifieke
plek in het lichaam. De gammastraling vang je op met een gammacamera.
Annihilatie en creatie:
Annihilatie; proces waarbij twee gammafotonen ontstaan.
Creatie, paarvorming; proces waarbij vanuit een gammafoton een deeltje en zijn antideeltje
ontstaan.
PET-scan:
Bij een PET-scan maak je gebruik van tracers om (afwijkende) processen in het lichaam zichtbaar te
maken.
Een PET-scanner vangt gammastraling op die door annihilatie is ontstaan. Je kunt zo lichaamsfuncties
in beeld brengen.
Combinatietechnieken:
Een PET-CT-scan geeft processen aan en laat zien waar die processen in het lichaam plaatsvinden.
10.1 Elektromagnetische straling
Straling:
Hoog ioniserend vermogen; de straling kan moleculen ioniseren en deze ionen kunnen ongewenste
chemische reacties in gang zetten.
Doordringend vermogen; geeft aan hoe diep de straling in een bepaalde stof doordringt.
Veel straling behoort tot de elektromagnetische golven, die langs rechte lijnen van de bron af
bewegen. Hoe groter de afstand tot de bron, hoe minder sterk de straling. Elk soort straling heeft
zijn eigen kenmerken, zoals het ioniserend vermogen en het doordringend vermogen. Om straling
te meten heb je speciale apparatuur nodig.
Elektromagnetisch spectrum:
Elektromagnetisch spectrum; gevormd door alle elektromagnetische golven samen.
De straling staat gerangschikt op energie, golflengte en frequentie.
Straling kun je beschouwen als stroom deeltjes; fotonen.
Fotonen; de kleinst mogelijke pakketjes stralingsenergie van een elektromagnetische golf.
Hoe groter de energie van het foton, hoe groter de frequentie Recht evenredig verband.
In het EM-spectrum staat straling gerangschikt naar oplopende energie en frequentie in een aantal
stralingscategorieën. Elektromagnetische straling kun je ook beschrijven met een golfmodel.
Zichtbaar licht:
Zichtbaar licht neemt een klein, maar belangrijk stukje van het EM-spectrum in.
Licht gebruik je in de gezondheidszorg vooral om aandoeningen te verhelpen.
Uv en ir:
Aan de hoogfrequente kant van het spectrum van zichtbaar licht bevindt zich ultraviolette straling.
Uv bestaat ui fotonen met een hogere energie dan zichtbaar licht.
Aan de laagfrequente kant van het spectrum van zichtbaar licht bevindt zich infra rode straling.
Ir bestaat uit fotonen met een lagere energie dan zichtbaar licht.
Overige straling:
Radiogolven hebben een lage energie en frequentie.
Röntgenstraling is gevaarlijk vanwege de hoge energie, het heeft een grote ioniserende werking.
Gammastraling is het gevaarlijkst, want het heeft een nog hogere energie dan röntgenstraling.
Het elektromagnetisch spectrum begint bij de laagfrequente radiogolven en eindigt met
hoogfrequente gammastraling. Hoe hoger de frequentie en de energie van straling, hoe
gevaarlijker de straling is. Vooral röntgen- en gammastraling zijn gevaarlijk door het grote
doordringende en ioniserende vermogen. Ze hebben de juiste eigenschappen om structuren in je
lichaam te kunnen onderscheiden.
, 10.2 Straling uit kernen
Röntgen- en gammastraling:
Gammastraling bestaat uit fotonen met een grotere energie afkomstig uit een radioactieve kern.
Röntgenstraling gebruik je uitwendig voor het maken van een beeld.
Je lichaam absorbeert vrijwel geen gammastraling.
CT-scan:
Een CT-scanner maakt vanuit verschillende hoeken een röntgenfoto.
De CT-scan is een driedimensionale afbeelding van de anatomie van het lichaam.
Voordeel; je kunt precies nagaan waar alle botten ten opzichte van elkaar liggen.
Nadeel; je wordt blootgesteld aan veel straling.
Straling van binnenuit:
Tracer; een stof met moleculen waarin een radioactieve kern gebonden is.
De stofeigenschappen bepalen war het molecuul in het lichaam naartoe gaat.
Bij nucleaire diagnostiek dien je een tracer toe aan een patiënt. De tracer gaat naar een specifieke
plek in het lichaam. De gammastraling vang je op met een gammacamera.
Annihilatie en creatie:
Annihilatie; proces waarbij twee gammafotonen ontstaan.
Creatie, paarvorming; proces waarbij vanuit een gammafoton een deeltje en zijn antideeltje
ontstaan.
PET-scan:
Bij een PET-scan maak je gebruik van tracers om (afwijkende) processen in het lichaam zichtbaar te
maken.
Een PET-scanner vangt gammastraling op die door annihilatie is ontstaan. Je kunt zo lichaamsfuncties
in beeld brengen.
Combinatietechnieken:
Een PET-CT-scan geeft processen aan en laat zien waar die processen in het lichaam plaatsvinden.