Cattell wilde basisdimensies van persoonlijkheidstrekken identificeren.
Dwz kenmerken die iedereen in meer of mindere mate heeft.
Trektheoretici riepen op tot alternatief van psychodynamische speculaties.
Fundament van data moest er komen.
Persoonlijkheidstrekken, (voorspelbare neiging=disposite): gedrag,
gevoelens, gedachten consistent en onderscheidend
De Raad: trek verwijst naar gedrag binnen specifieke sociale context.
Freud staat hier haakt op; hij sprak over psychodynamische structuren die
variabel gedrag lieten zien. Geen gedragsconsistentie.
Behavioristen verwachtten dat het gedrag zou varieren over situaties met
verschillende bekrachtigingscontingenties (dus alleen door
belonen/straffen)
Trektheoristen erkennen wel dat gedrag in iedere situatie verandert maar
toch zijn ze consistent en zijn er gemiddelde gedragstendsen in
uiteenlopende situaties.
In het leven heb je verschillende rollen, kind, student, werknemer etc.
Maar psychologische eigenschappen houden stand in tijd en plaats.
Eerste stap in opbouwen theorie: betrouwbaar en valide meten meting
moet beperken en bepalen.
Trektheorie richtte zich op correlatief bewijs voorspeld gedrag
Geen experimentele methode. Als men trekken beschouwt als
‘onveranderlijk’ dan is het ongebruikelijk om te proberen om ze te
veranderen.
Wetenschappelijke functies: beschrijven (taxonomie, classificatie),
voorspellen (inrichting, gezondheidsuitkomsten, functioneren op werk,
stemmen), verklaren (vb: op tijd en aantekeningen maken = conciëntieus)
* Er bestaat niet een enkele trektheorie.
Fundamentele perspectieven gedeeld door trektheoretici:
- Mensen bezitten brede predisposities;
- eigenschappen zijn bouwstenen;
- gedragingen die samenhangen met een trek vs het bezitten van een
trek. Dus angstig gedragen = angstig zijn. Hoeft overigens niet zo te zijn:
lage angst rapporteren = angst verdringen. Gedragingen kunnen ook
strategisch zijn (bijv indruk maken).
- hiërarchische organisatie van gedragingen.
Superfactor trek gewoonte specifieke situatie