Naam - Klas
A
● Teken op een A3-papier een grote driehoek
● Teken in de driehoek nóg een driehoek, zodat er twee lijnen tussen de personages
ontstaan. Gebruik ook eventueel pijlen.
● Schrijf bij elke hoek een naam op (Jan, Marijke en Kees)
● Noteer op de binnenste lijn wat de relatie is tussen de personages, bijvoorbeeld:
broer en zus
● Noteer op de buitenste lijn wat de personages nog meer met elkaar delen
● Noteer nu in steekwoorden op de lijnen wat de personages voor elkaar voelen
● Wat valt je op aan de driehoek?
Mij valt op dat Jan de dominantste was en eigenlijk de leiding heeft over zowel Marijke als
over Kees. Verder merkte ik dat je eigenlijk helemaal niet veel weet over Marijke waardoor je
niet erg veel kan zeggen over wat ze deelt met Jan en Kees. Je weet juist erg veel over
Kees, maar dat is ook logisch omdat hij de hoofdrol heeft in dit boek.
B
Vraag 1
Bij A heb je de relaties tussen de drie personages in kaart gebracht. Begrijp je dat Kees en
Jan vrienden zijn geworden? Wat vind je van de vriendschap tussen Jan en Kees? Leg uit.
Nee ik begrijp niet dat ze vrienden zijn geworden, want ze zijn tegenpolen. Mensen zeggen
wel dat tegenpolen elkaar aantrekken dus dat zou zo kunnen zijn. De vriendschap tussen
Jan en Kees is niet een normale vriendschap, Jan is de dominante en wil bepaalde dingen
doen die Kees nooit zou doen. Bijvoorbeeld de schoorsteenpijp beklimmen. Jan en Kees zijn
ook een soort concurrenten over Marijke, ze willen beiden haar aandacht.