Hoofdstuk 28 Voorraadwaardering
➢ Technische voorraad: voorraad die werkelijk in het bedrijf aanwezig is (door tellen
(inventariseren) te bepalen)
➢ Economische voorraad: voorraad waarover de onderneming prijsrisico loopt
➢ Economische voorraad = technische voorraad + voorinkopen - voorverkopen
Fifo-systeem: First in, first out
Lifo-systeem: Last in, first out
Vaste verrekenprijs (v.v.p.) = geschatte gemiddelde inkoopprijs + geschatte inkoopkosten
Verkoopresultaat = afzet x (verkoopprijs - v.v.p)
Resultaat op inkopen: in werkelijkheid kunnen de inkoopprijs en inkoopkosten afwijken
Res. op inkoopprijs = werkelijke inkopen x (geschatte inkoopprijs - werkelijke inkoopprijs)
Res. op inkoopkosten = (geschatte inkoopkosten x werkelijke inkopen) - werkelijke inkoopkosten
Res. op inkopen = resultaat op inkoopprijs + resultaat op inkoopkosten
Brutowinst = verkoopresultaat + resultaat op inkopen
Hoofdstuk 29 Kosten van duurzame productiemiddelen
Afschrijven: waardedaling van duurzame productiemiddelen boekhouding verwerken
Duurzame productiemiddelen: gaan meer dan 1 productieproces mee
Afschrijving = (A-R) / n
➢ A = aanschafwaarde = aanschafprijs + installatiekosten
➢ R = restwaarde - sloopkosten
➢ n = economische levensduur
Boekwaarde (waarde op de balans) = aanschafwaarde - afgeschreven bedrag
Technische levensduur: periode waarin het productiemiddel prestaties kan leveren
Economische levensduur: periode waarin het productiemiddel verantwoord gebruikt kan
worden
Interestkosten: voor investeringen is vermogen nodig en dat leidt tot interestkosten
Gederfde interest
➢ Met vreemd vermogen: d.m.v .een lening waarop interest betaald moet worden
➢ Met eigen vermogen: doordat dit vermogen op een spaarrekening interest had
opgeleverd
Complementaire kosten: alle kosten die samenhangen met het duurzaam productiemiddel
op afschrijvings- en interestkosten na (zoals onderhouds-, reparatie- en energiekosten)
Kosten van grond: bestaan vooral uit interestkosten over het geïnvesteerde
Kosten van diensten van derden (uitbesteed werk): kosten als een onderneming activiteiten
door andere bedrijven laat uitvoeren
Kosten van belastingen: kosten veroorzaakt door belastingen (bijv. assurantiebelasting)
, Abeidsuurtarief = totale personeelskosten / aantal productieve uren
Factuurtarief = arbeidsuurtarief + opslag overige kosten + winstopslag
Transfer pricing: interne verrekenprijzen voor levering van goederen, diensten en rechten
binnen een groep van tot één concern behorende bedrijven
Hoofdstuk 30 Begrote en werkelijke winst
Te vorderen BTW: de onderneming betaald BTW bij inkoop van goederen aan de
leverancier en kan dit terugvorderen van de belastingdienst
Te betalen BTW: de onderneming ontvangt BTW bij verkoop van goederen en moet dat
betalen aan de belastingdienst
Af te dragen BTW = te betalen BTW - te vorderen BTW
Verkoopprijs berekenen met brutowinstopslagmethoden
Inkoopprijs
Opslag brutowinst (percentage van de inkoopprijs) +
Verkoopprijs excl BTW
BTW (BTW-percentage) +
Verkoopprijs incl BTW
Voorcalculatorische nettowinst
Begrote omzet
Begrote inkoopwaarde vd omzet -
Begrote brutowinst
Begrote bedrijfskosten -
Begrote (interest)opbrengsten +
Begrote nettowinst
➢ Bedrijfskosten: inkoopkosten, verkoopkosten, loonkosten, overige kosten
Hoofdstuk 31 Break-evenanalyse
Break-evenafzet = C/(p-v)
C = totale constante kosten
P = verkoopprijs per product
V = totale variabele kosten p.p.
Variabele kosten: kosten die afhankelijk zijn van de productie (afzet),
➢ Grondstofkosten, inkoopwaarde van de omzet, etc.
Constante kosten: kosten die niet variëren met de productie
➢ Afschrijvingskosten, verzekeringskosten, etc.
Dekkingsbijdrage = verkoopprijs - variabele kosten per product
Totale dekkingsbijdrage = afzet x (verkoopprijs - variabele kosten per product)
➢ Met de dekkingsbijdrage dekken we de constante kosten
Bedrijfsresultaat (winst) = totale dekkingsbijdrage - constante kosten