Normale situatie:
1. Anatomie
Doel ademhaling
Het aanvoeren van zuurstof en het afvoeren van stikstofdioxide en om zuurstof
te leveren voor de productie van atp middels een aerobe verbranding waarbij
38mmol/l atp word gemaakt
o Adenosinetrifosfaat (ATP)
ATP word aangemaakt in het mitochondrium tijdens de oxidatie van
glucose en vetzuren.
Deze ATP word gebruikt voor celgroei, celherstel, levert energie voor
spiercontracties, productie van eiwitten en enzymen, transport van ionen,
communicatie tussen en binnen cellen.
Wanneer ATP wordt verbruikt blijft er in het lichaam ADP
(adenosinedifosfaat) over. Waar ATP energierijk is, is ADP juist energiearm.
Onder invloed van de stof creatinefosfaat wordt van ADP vervolgens weer
ATP gemaakt. Dit is een continu proces.
Functies van de ademhaling
De hoofdfunctie van de ademhaling is de uitwisseling van zuurstof en
koolstofdioxide en behouden van zuurbase evenwicht
Secundaire functies of invloeden zijn
Beschermen tegen micro-organisme
Verwijderen van stoffen uit de bloedbaan
Metabole taken omzetten van angiotensine 1 in angio tensine 2
Dienen als buffer voor bloedvolume en kleine stolsels vangen vanuit de
veneuze lichaamsbloedomloop.
vochthuishouding
Anatomie ademhalingsstelsel
Bovenste luchtwegen
De bovenste luchtwegen begint bij het puntje van de neus en eindigt bij de
stembanden. Hierdoor bestaat de bovenste luchtwegen uit: de neus, pharynx
(farynx), epiglottis en larynx.
De neus heeft als functie het conditioneren van de inspiratielucht Dit houdt in
het verwarmen, bevochtigen en filteren van de lucht om onzuiverheden te
verwijderen.
Onder deze holten bevindt zich het gebied dat de pharynx genoemd wordt.
De pharynx wordt onderverdeeld in drie afzonderlijke delen, te weten de
nasopharynx (neusholte), de oropharynx (mondholte) en de
, hypopharynx/laryngopharynx (keelholte). Onder de pharynx ligt de
bladvormige structuur de epiglottis. De epiglottis fungeert als een
toegangspoort die tijdens het slikken de larynx afsluit.
Stembanden: door trillingen ontstaat het stemgeluid
Het eerste deel van de trachea is de larynx, die de stembanden, thyroïd
(schildklier), cricoïd (ringkraakbeen) en het cricoïd membraam bevat. Het
cricoïd membraam fungeert als richtingspunt voor het inbrengen van een
quicktrach (noodbuisje voor intubatie).
Onderste luchtwegen
De onderste luchtwegen bestaan uit de trachea, de vertakkingen van de
trachea en de longen. De vertakkingen van de trachea zijn in drie typen onder
te verdelen:”
1. Met kraakbeen bekleedt > vertakking 1-5
2. Membraneuze brochioli > vertakking 5- 15
3. Gasuitwisselingsunit > vertakking 15-23
Vanaf de 15de vertakking kan gaswisseling plaatsvinden (alveolaire volume).
Tot vertakking 5 wordt ook wel de dode ruimte genoemd. De luchtwegen zijn
bekleed met drie typen cellen:
▪ Trilhaarcellen: mechanische reiniging van de lucht
▪ Mucuscellen: productie van slijm
▪ Mestcellen: productie van histamine en lymfocyten (witte bloedcellen)
Binnen het ademhalingsproces zijn de trilharen enorm belangrijk voor de afweer,
deze bewegen namelijk het slijm met eventuele lymfocyten voort naar infecties.
Bij verstoring van de werking van de trilharen kan er sputumopstapeling ontstaan,
wat een negatief effect op het herstel kan hebben.
De trachea vertakt zich in een linker- en rechterhoofdbronchus. Elk van deze
bronchi en daarna in bronchiolen. Bronchiolen (kleine bronchiale vertakkingen)
eindigen in de alveoli. De alveoli zijn bekleedt met twee typen cellen:
▪ Type 1: vormen de structuur van de alveoli (zorgen voor gasuitwisseling)
▪ Type 2: produceren surfactant( kunnen zich ook door ontwikkelen naar type 2)
Pulmonale circulatie
Binnen de longen vinden 2 circulatie processen plaats namelijk de pulmonale
circulatie en de bronchiale circulatie. Hierbij valt de pulmonale circulatie onder
de kleine bloedsdoorloop deze vervoert bloed vanuit de linkerkant van het
hart( de linker atria en de linker ventrikel) richting de longen. Dit bloed word
vervoerd naar de longen om geoxygeneerd te worden en de overige weefsels
in het lichaam te oxygeneren.
De brochiale circulatie als oorsprong de aorta en heeft als functie de
longweefsels te voorzien van zuurstof rijk bloed. Dit komt uit in de LA of de
vena cava superior hierbij is de verdeling 50-50. Bronchiale krijgt 1-2% van de
cardiale output
, Regulatie van de ademhaling
De ademhaling word gereguleerd door het ademhalings stelsel wat zich
bevindt in de hersenstam.
Dit centrum reguleert dit via de chemosensoren en de reksensoren
Ademhalingscentrum
Het ademhalingscentrum bevind zich in de hersenstam en bevat de medulla
oblongota en de pons deze delen moniteren de ph,zuurstof en koolstofdiocide
in het bloed deze sturen ook de ademhaling aan
Centrale en perifere chemosensoren, reksensoren
De centrale chemosenseren bevinden zich in de medulla oblongatta wat een
onderdeel is van de hersenstam, en meten de concentratie van co2 en de ph
van het hersenvocht. 75% van de chemical drive(oftewel de chemische
aansturing van de ademhaling) komt vanuit de centrale chemosensoren
De perifere chemosensoren bevinden zich in de carotis en in de aorta bogen en
meten de zuurstofspanning pO2 alsook de koolstoofdioxide concentratie en de
ph . het verschil tussen de centrale en de perifere chemosensoren is dat de
centrale vooral gevoelig zijn voor veranderingen in de ph van het
hersenvocht(liquor) wat woord beinvloeid door koolstof dioxideconcentratie in
het bloed terwijl de perifere chemosensoren vooral gevoelig zijn voor een
daling van po2 maar kunnen ook ph en co2 meten. 25% van de chemical drive
ontstaat hier.
De reksensoren bevinden zich in de longen in de spierwanden van de bronchi
en de bronchioli en geven een signaal af wanneer de receptoren worden
uitgerekt zodat de inademing word gestaakt. Dit word gedaan ter
berscherming van de longen tegen over inspiratie. Bij een afname van de
prikkels kan het ademcentrum een signaal afgeven om weer over te stappen
naar inspiratie. Dit word ook het hering-breuerreflex genoemd
Pleura
De pleura zijn de vliezen die zich om de longen bevinden deze bestaan zich uit
de de pleura visceralis( de longvlies) wat zich tegen de long bevindt en de
pleura parietalis(borstvlies) wat zich tegen de borst bevindt. Tussen deze 2
vliezen is de plauraruimte waar een dunne laag pleuravocht bevindt. Dit vocht
zorgt ervoor de pleuravliezen over elkaar heen kunnen bewegen tijden het
ademhalen maar dat de pleurabladen niet van elkaar af kunnen waardoor de
retractiekracht van de longen bestreden word.
De pleura beschermt de longen, en houdt de longen op zijn plek
Ademhalingsspieren
Ademhaling spieren zijn nodig voor de ademhaling deze zorgen namelijk voor
het respectievelijk samentrekken van de borstholte en het ontspannen
hiervan.
, De belangrijkste spieren zijn het middenrif(diafragma) ( extern intercostale
spieren) deze is onder invloed van de nervus frenikus (deze ontspring in c3 tot
c5)
De anderste in de interacostalis externi( tussen rib spieren) deze word
aangestuurd via de nervi intercostalis
Hulpademhaling spieren zijn de nekspieren en de hals spieren
Surfactant
Surfatactant is een mengsel van eiwitten en vetten wat zorgt dat de aveoli
open blijften staan tijdens de ademhaling waardoor word voorkomen dat deze
dicht klappen bij uitademhaling, de zuurstofopname word verbeterd en de
ademhaling makkelijk gaat
Longvolumes
Onze longen hebben een inhoud van 5 tot 7 liter (longcapaciteit).
Het ademvolume (AV) is de hoeveelheid lucht die in rust wordt uit- en
ingeademd.
Bij een actieve uitademing worden de buikspieren en de interne
intercostaalspieren aangespannen. Het diafragma verplaatst zich normaal
ongeveer 1cm naar beneden (caudaal), maar bij een geforceerde inademing
wel 10cm.
In het figuur is te zien hoe het vanuit de ademhaling in rust mogelijk is extra in
te ademen (inspiratoir reservevolume) en extra uit te ademen (expiratoir
reservevolume). Er is echter altijd een deel in de longen dat zelfs na maximale
uitademing niet uitgeademd kan worden: het residuaal volume (RV). FRC
(functionele residucapaciteit) is het volume dat achterblijft in de long aan het
einde van een normale expiratie. In de FRC vindt constant gaswisseling plaats,
dit is o.a. de reden waardoor je niet flauw valt als je kortdurend je adem in
houdt. Er zijn verschillende factoren waardoor het longvolume kan afnemen,
deze zijn: ▪ Leeftijd > afname FRC ▪ Verschil man-vrouw > mannen hebben
een grotere FRC ▪ Houding Ventilatie > plat liggen verminderd de FRC
2. Fysiologie
Ventilatie
Ventilatie is het verplaatsen van de lucht van buiten het lichaam naar de
longen toe en vice versa. Oftwel het verwisselen van de alveolaire lucht het
alvelaire minuut volume= 4l/min
Bij de ventilatie word door de alveoli de door het lichaam aangemaakte co2
veruild voor o2
Oxygenatie
Het voorzien van zuurstof waardoor weefsels en organen hun functie kunnen
uitoefenen
Ademarbeid (WOB = Work of Breathing)
De WOB is de mate energie verbruik wat nodig is voor de ademhaling
1. Anatomie
Doel ademhaling
Het aanvoeren van zuurstof en het afvoeren van stikstofdioxide en om zuurstof
te leveren voor de productie van atp middels een aerobe verbranding waarbij
38mmol/l atp word gemaakt
o Adenosinetrifosfaat (ATP)
ATP word aangemaakt in het mitochondrium tijdens de oxidatie van
glucose en vetzuren.
Deze ATP word gebruikt voor celgroei, celherstel, levert energie voor
spiercontracties, productie van eiwitten en enzymen, transport van ionen,
communicatie tussen en binnen cellen.
Wanneer ATP wordt verbruikt blijft er in het lichaam ADP
(adenosinedifosfaat) over. Waar ATP energierijk is, is ADP juist energiearm.
Onder invloed van de stof creatinefosfaat wordt van ADP vervolgens weer
ATP gemaakt. Dit is een continu proces.
Functies van de ademhaling
De hoofdfunctie van de ademhaling is de uitwisseling van zuurstof en
koolstofdioxide en behouden van zuurbase evenwicht
Secundaire functies of invloeden zijn
Beschermen tegen micro-organisme
Verwijderen van stoffen uit de bloedbaan
Metabole taken omzetten van angiotensine 1 in angio tensine 2
Dienen als buffer voor bloedvolume en kleine stolsels vangen vanuit de
veneuze lichaamsbloedomloop.
vochthuishouding
Anatomie ademhalingsstelsel
Bovenste luchtwegen
De bovenste luchtwegen begint bij het puntje van de neus en eindigt bij de
stembanden. Hierdoor bestaat de bovenste luchtwegen uit: de neus, pharynx
(farynx), epiglottis en larynx.
De neus heeft als functie het conditioneren van de inspiratielucht Dit houdt in
het verwarmen, bevochtigen en filteren van de lucht om onzuiverheden te
verwijderen.
Onder deze holten bevindt zich het gebied dat de pharynx genoemd wordt.
De pharynx wordt onderverdeeld in drie afzonderlijke delen, te weten de
nasopharynx (neusholte), de oropharynx (mondholte) en de
, hypopharynx/laryngopharynx (keelholte). Onder de pharynx ligt de
bladvormige structuur de epiglottis. De epiglottis fungeert als een
toegangspoort die tijdens het slikken de larynx afsluit.
Stembanden: door trillingen ontstaat het stemgeluid
Het eerste deel van de trachea is de larynx, die de stembanden, thyroïd
(schildklier), cricoïd (ringkraakbeen) en het cricoïd membraam bevat. Het
cricoïd membraam fungeert als richtingspunt voor het inbrengen van een
quicktrach (noodbuisje voor intubatie).
Onderste luchtwegen
De onderste luchtwegen bestaan uit de trachea, de vertakkingen van de
trachea en de longen. De vertakkingen van de trachea zijn in drie typen onder
te verdelen:”
1. Met kraakbeen bekleedt > vertakking 1-5
2. Membraneuze brochioli > vertakking 5- 15
3. Gasuitwisselingsunit > vertakking 15-23
Vanaf de 15de vertakking kan gaswisseling plaatsvinden (alveolaire volume).
Tot vertakking 5 wordt ook wel de dode ruimte genoemd. De luchtwegen zijn
bekleed met drie typen cellen:
▪ Trilhaarcellen: mechanische reiniging van de lucht
▪ Mucuscellen: productie van slijm
▪ Mestcellen: productie van histamine en lymfocyten (witte bloedcellen)
Binnen het ademhalingsproces zijn de trilharen enorm belangrijk voor de afweer,
deze bewegen namelijk het slijm met eventuele lymfocyten voort naar infecties.
Bij verstoring van de werking van de trilharen kan er sputumopstapeling ontstaan,
wat een negatief effect op het herstel kan hebben.
De trachea vertakt zich in een linker- en rechterhoofdbronchus. Elk van deze
bronchi en daarna in bronchiolen. Bronchiolen (kleine bronchiale vertakkingen)
eindigen in de alveoli. De alveoli zijn bekleedt met twee typen cellen:
▪ Type 1: vormen de structuur van de alveoli (zorgen voor gasuitwisseling)
▪ Type 2: produceren surfactant( kunnen zich ook door ontwikkelen naar type 2)
Pulmonale circulatie
Binnen de longen vinden 2 circulatie processen plaats namelijk de pulmonale
circulatie en de bronchiale circulatie. Hierbij valt de pulmonale circulatie onder
de kleine bloedsdoorloop deze vervoert bloed vanuit de linkerkant van het
hart( de linker atria en de linker ventrikel) richting de longen. Dit bloed word
vervoerd naar de longen om geoxygeneerd te worden en de overige weefsels
in het lichaam te oxygeneren.
De brochiale circulatie als oorsprong de aorta en heeft als functie de
longweefsels te voorzien van zuurstof rijk bloed. Dit komt uit in de LA of de
vena cava superior hierbij is de verdeling 50-50. Bronchiale krijgt 1-2% van de
cardiale output
, Regulatie van de ademhaling
De ademhaling word gereguleerd door het ademhalings stelsel wat zich
bevindt in de hersenstam.
Dit centrum reguleert dit via de chemosensoren en de reksensoren
Ademhalingscentrum
Het ademhalingscentrum bevind zich in de hersenstam en bevat de medulla
oblongota en de pons deze delen moniteren de ph,zuurstof en koolstofdiocide
in het bloed deze sturen ook de ademhaling aan
Centrale en perifere chemosensoren, reksensoren
De centrale chemosenseren bevinden zich in de medulla oblongatta wat een
onderdeel is van de hersenstam, en meten de concentratie van co2 en de ph
van het hersenvocht. 75% van de chemical drive(oftewel de chemische
aansturing van de ademhaling) komt vanuit de centrale chemosensoren
De perifere chemosensoren bevinden zich in de carotis en in de aorta bogen en
meten de zuurstofspanning pO2 alsook de koolstoofdioxide concentratie en de
ph . het verschil tussen de centrale en de perifere chemosensoren is dat de
centrale vooral gevoelig zijn voor veranderingen in de ph van het
hersenvocht(liquor) wat woord beinvloeid door koolstof dioxideconcentratie in
het bloed terwijl de perifere chemosensoren vooral gevoelig zijn voor een
daling van po2 maar kunnen ook ph en co2 meten. 25% van de chemical drive
ontstaat hier.
De reksensoren bevinden zich in de longen in de spierwanden van de bronchi
en de bronchioli en geven een signaal af wanneer de receptoren worden
uitgerekt zodat de inademing word gestaakt. Dit word gedaan ter
berscherming van de longen tegen over inspiratie. Bij een afname van de
prikkels kan het ademcentrum een signaal afgeven om weer over te stappen
naar inspiratie. Dit word ook het hering-breuerreflex genoemd
Pleura
De pleura zijn de vliezen die zich om de longen bevinden deze bestaan zich uit
de de pleura visceralis( de longvlies) wat zich tegen de long bevindt en de
pleura parietalis(borstvlies) wat zich tegen de borst bevindt. Tussen deze 2
vliezen is de plauraruimte waar een dunne laag pleuravocht bevindt. Dit vocht
zorgt ervoor de pleuravliezen over elkaar heen kunnen bewegen tijden het
ademhalen maar dat de pleurabladen niet van elkaar af kunnen waardoor de
retractiekracht van de longen bestreden word.
De pleura beschermt de longen, en houdt de longen op zijn plek
Ademhalingsspieren
Ademhaling spieren zijn nodig voor de ademhaling deze zorgen namelijk voor
het respectievelijk samentrekken van de borstholte en het ontspannen
hiervan.
, De belangrijkste spieren zijn het middenrif(diafragma) ( extern intercostale
spieren) deze is onder invloed van de nervus frenikus (deze ontspring in c3 tot
c5)
De anderste in de interacostalis externi( tussen rib spieren) deze word
aangestuurd via de nervi intercostalis
Hulpademhaling spieren zijn de nekspieren en de hals spieren
Surfactant
Surfatactant is een mengsel van eiwitten en vetten wat zorgt dat de aveoli
open blijften staan tijdens de ademhaling waardoor word voorkomen dat deze
dicht klappen bij uitademhaling, de zuurstofopname word verbeterd en de
ademhaling makkelijk gaat
Longvolumes
Onze longen hebben een inhoud van 5 tot 7 liter (longcapaciteit).
Het ademvolume (AV) is de hoeveelheid lucht die in rust wordt uit- en
ingeademd.
Bij een actieve uitademing worden de buikspieren en de interne
intercostaalspieren aangespannen. Het diafragma verplaatst zich normaal
ongeveer 1cm naar beneden (caudaal), maar bij een geforceerde inademing
wel 10cm.
In het figuur is te zien hoe het vanuit de ademhaling in rust mogelijk is extra in
te ademen (inspiratoir reservevolume) en extra uit te ademen (expiratoir
reservevolume). Er is echter altijd een deel in de longen dat zelfs na maximale
uitademing niet uitgeademd kan worden: het residuaal volume (RV). FRC
(functionele residucapaciteit) is het volume dat achterblijft in de long aan het
einde van een normale expiratie. In de FRC vindt constant gaswisseling plaats,
dit is o.a. de reden waardoor je niet flauw valt als je kortdurend je adem in
houdt. Er zijn verschillende factoren waardoor het longvolume kan afnemen,
deze zijn: ▪ Leeftijd > afname FRC ▪ Verschil man-vrouw > mannen hebben
een grotere FRC ▪ Houding Ventilatie > plat liggen verminderd de FRC
2. Fysiologie
Ventilatie
Ventilatie is het verplaatsen van de lucht van buiten het lichaam naar de
longen toe en vice versa. Oftwel het verwisselen van de alveolaire lucht het
alvelaire minuut volume= 4l/min
Bij de ventilatie word door de alveoli de door het lichaam aangemaakte co2
veruild voor o2
Oxygenatie
Het voorzien van zuurstof waardoor weefsels en organen hun functie kunnen
uitoefenen
Ademarbeid (WOB = Work of Breathing)
De WOB is de mate energie verbruik wat nodig is voor de ademhaling